[Deze tekst is verschenen in de Filosofiescheurkalender 2016 op 30 januari.]
‘Je domein beperken: dan geef je het ongeluk minder houvast. De beperktheid maakt gelukkig, enzovoort.’
– Arthur Schopenhauer in De Kunst om Gelukkig te zijn (1818-1860, postuum gepubliceerd in 1985)
Arthur Schopenhauer (1788-1860) had een pessimistisch wereldbeeld: het leven is nutteloos lijden, terwijl we wachten op de dood. Het is weinig bekend dat Schopenhauers denken desondanks ook een geluksleer bevatte. Ten dele komt dit doordat hij die leer nooit compleet heeft uitgebracht. De Kunst om Gelukkig te zijn bestaat uit vijftig leefregels die hij door zijn leven heen bij elkaar sprokkelde, optekende in zijn notitieboeken en vervolgens gebruikte bij het schrijven van zijn andere werk.
Ondanks zijn geluksleer was Schopenhauer een ongelukkig mens. Hij voelde zich miskend door de wetenschappelijke wereld, die zijn genialiteit maar niet wilde zien. ‘Een genie lijdt het meest’, zei hij eens. Schopenhauer heeft geprobeerd zich te berusten in de beperktheid van zijn bestaan. Geluk is volgens hem het minimaliseren van ons lijden – geestelijk en fysiek. Schopenhauer beziet onze gezondheid als voornaamste bron van geluk; als we in onze geest ongelukkig zijn, dan is dat omdat we te veel wensen en niet realistisch zijn over het daadwerkelijke leven.