[Deze tekst is verschenen in de Filosofiescheurkalender 2016 op 3 februari.]
‘In deze toestand is er 2 (…) een voortdurende angst voor en dreiging van een gewelddadige dood; het menselijk bestaan is er eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort.’
– Thomas Hobbes in Leviathan (1651)
Thomas Hobbes (1588-1679) wond er geen doekjes om; de mens is volgens hem niet zoals vaak gedacht een sociaal wezen (een idee dat al terug te vinden is bij Aristoteles). Nee, zonder een via wetten ingerichte samenleving is de mens enkel gericht op overleven. Leven in deze oertoestand betekent overeind blijven in een constante strijd. Goed is enkel wat mij doet overleven, kwaad is al het andere.
Hobbes probeert aan te tonen dat moraliteit niet gebaseerd is op dingen als God, de menselijke aard, natuurlijke goedheid of onzelfzuchtigheid. We weten te ontsnappen aan deze basale manier van leven door wetten af te spreken. Er wordt dan een sociaal contract gevormd, met de staat als agentschap van dat contract. Men is bereid om deze wetten te volgen en om de staat de macht te geven, enkel om de eigen overlevingskansen te vergroten. Alleen binnen een dergelijke maatschappij is de mens in staat om zichzelf te ontplooien als sociaal wezen en zo voorbij te gaan aan de oertoestand.