Deze tekst is verschenen in de Filosofiescheurkalender 2016 0p 26 maart.
‘Alles stroom en niets beklijft.’ (Panta rhei kai ouden menei) – Heraclitus in Over de natuur
Heraclitus (ca. 500 v.Chr.) werd door veel van de grondleggers van de Griekse filosofie gezien als de meest raadselachtige en diepzinnige, en kreeg van hen daarom de bijnaam ‘de duistere’. Een van de meest bekende en illustere uitspraken die aan hem wordt toegeschreven, is het citaat aan de andere kant van dit blad. Alhoewel we niet zeker weten of Heraclitus deze woorden letterlijk zelf geschreven heeft, is Aristoteles van mening dat Plato het achterliggende idee ervan van Heraclitus heeft overgenomen. In de teksten van Heraclitus die aan ons zijn overgeleverd, vinden we in ieder geval de metafoor van een permanente rivier, waarin steeds weer ander water stroomt. Hiermee wilde Heraclitus zeggen dat de fysieke wereld bestaat uit op intelligente wijze gebalanceerde processen die zich steeds herhalen. De mens als natuurwezen of fysieke entiteit maakt deel uit van de eeuwig voortdurende stroming en is onderworpen aan een groter plan. Ons leven is onherhaalbaar en buitengewoon nietig. We kunnen niet via een oever van de rivier uit het water stappen; we zijn praktisch niets in het grotere geheel.