‘Onze families zijn heel oud en onze voorvaderen hebben zoveel gepresenteerd, grote en kleine dingen verricht, schitterende en verschrikkelijke, dat het niet meevalt om ze niet door elkaar te halen! Ik denk soms dat het een opluchting zou zijn als wij allemaal tot stof zouden vergaan, zodat de rest van de wereld ons gewoon kon vergeten en door zou gaan alsof wij nooit hebben bestaan.’
Steven Saylor – Rome
Wat betekent het om te weten wie onze voorouders waren? Is het eigenlijk wel mogelijk om dat echt te weten? Eeuwenlang al hebben we de wildste ideeën over het wel en wee van zij die ons voorgingen. Door middel van de archeologie proberen we die theorieën te staven. We hopen daarmee op een echt inzicht in de voorbije tijden. We stellen ons zo voor dat de hedendaagse mensheid niet zo maar is komen aanwaaien, daar hebben we voor moeten werken. Wat we toen waren hebben we langzaam zien ontwikkelen tot wat we nu zijn: een rationele beschaving, aldus de gangbare visie. Michel Foucault (1926-1984) daarentegen dacht heel anders over de samenleving en haar geschiedenis. In 1966 werd hij bekend met het boek Les mots et les choses (vertaling: De woorden en de dingen). In dat werk bespreekt hij zijn wilde theorie: de moderne zelfbewuste mens is een uitvinding van de Renaissance. De mens heeft altijd een waarheid over het verleden geconstrueerd. De mensheid kent niet eens een continue vooruitgang. Onze successen zijn tijdelijk en ook de moderne beschaving die ons zo aan het hart gaat, is niet eeuwig. De gevestigde orde, het onderscheid tussen mens en dier, is een illusie.
[Deze tekst is verschenen in de Filosofie Scheurkalender van 2011 op 28 april]