Deze tekst is ter eren van de Dag van de Arbeid verschenen in de Filosofiescheurkalender 2016 op 1 mei.
‘De waarheid van het zelfstandig bewustzijn is derhalve het knechtse bewustzijn.’ – Georg Wilhelm Friedrich Hegel in Fenomenologie van de Geest (1807)
Toen Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) in zijn Fenomenologie van de Geest (1807) onze verhouding tot de ander beschreef, gebruikte hij een van de meest sprekende voorbeelden over arbeid: de verhouding tussen meester en knecht. Elk zelfbewustzijn heeft het volgens Hegel nodig om door een ander erkend te worden als een autonoom subject – we zijn niet iemand zonder dat we door een ander gezien worden. Anders dan in een liefdesrelatie, vecht met in een arbeidsrelatie om erkenning van de ander, als in een strijd om leven en dood. Degene die als eerste opgeeft, wordt de knecht – onerkend en onzelfstandig. De meester kan zichzelf nu zien als een subject in de ogen van de knecht, terwijl de knecht slechts het middel is waardoor de meester de natuur bewerkt. Gehoorzaam maakt de knecht producten voor de meester, met steeds meer ambacht, waardoor hij zijn creativiteit begint te ervaren. Daarmee begint de knecht zelfbewust te worden; hij wordt bevrijd door zijn arbeid. De meester daarentegen wordt juist meer en meer afhankelijk van het werkproduct van de knecht, tot hij niet meer zonder kan – hij is de echte slaaf geworden.