Recensie van Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer
Inleiding
Het boek Die Welt als Wille und Vorstellung (WWV), waarvan de eerste versie in 1818 verscheen, geschreven door Arthur Schopenhauer, is niet alleen met een unieke schrijfstijl geschreven, het is ook een boek dat na haar verschijnen een blijvende plek heeft verdiend in de filosofie. Dit boek zou later een grote invloed hebben op vele denkers, zoals onder andere Wittgenstein en Nietzsche. De uiteindelijke versie, die uitgebreider is dan de voorgaande en is aangevuld met een tweede deel gevuld met toelichtingen, verscheen in 1844; daarvan zal hier de vertaling[1] besproken worden.
In dit werk komt Schopenhauer, vertrekkend vanaf het werk van Kant en Plato, uit bij twee verschillende manieren waarop we met de kennis over het leven, dat is de kennis over de wil, kunnen omgaan met die wil. We kunnen de wil bevestigen of ontkennen. Schopenhauer geeft aan dat “men niet van hem mag verwachten dat hij een van de twee houdingen voorschrijft of aanbeveelt”[2] — en dat is opmerkelijk. Het is niet vaak dat we een filosoof tegenkomen, die zegt te weten hoe het leven in elkaar zit – en dan niet een bepaalde levenswijze voorschrijft. In deze recensie poog ik te belichten in hoeverre zijn wens om niet een van de twee levenswijzen voor te schrijven, te maken heeft met zijn visie op de wil en wat dat ons kan leren over die wil.
Schopenhauers filosofie
“In de oneindige ruimte talloze lichtgevende bollen, om elke waarvan zo’n dozijn kleinere cirkelen, door de grote verlicht; ze zijn van binnen heet en overtrokken met een gestolde, afgekoelde korst; op deze korst heeft een schimmellaag levende en kennende wezens voorgebracht – dit is de empirische waarheid, de realiteit, de wereld. Voor een denkend wezen is het hoe dan ook een netelige zaak om op een van die talloze, vrij in de onbegrensde ruimte zwevende bollen te leven, zonder te weten waarvandaan of waarheen, en om slechts één van ontelbare gelijksoortige wezens te zijn die zich daar al ploeterend en tobbend verdringen, die in een vloek en een zucht ontstaan en vergaan, in een tijd zonder begin en zonder einde.”[3]
Zo opent het tweede deel van WWV, met een haast lyrische beschrijving van de daadwerkelijke realiteit en het beperkte leven dat een lijden is voor elk denkend wezen. Zoals er tijdens het ontstaan van planeten vaak geen mild klimaat bestaat, en het voor een denkend wezen in den beginne louter een kwestie is van keihard overleven, zo ziet Schopenhauer het leven nog steeds: we leven enkel in opwachting van de dood, verstoken van geluk. Hij reduceert ons leven niet zozeer, hij zet het op een natuurlijke plaats. De mens is, in vergelijking met dieren, enkel te onderscheiden door zijn denkvermogen. De menselijke geest is volgens Schopenhauer een product van evolutie[4].
Het is goed om deze woorden in het achterhoofd te houden terwijl we onze blik richten op het denken van Schopenhauer in het eerste deel van de WWV. Daarin ontvouwt hij zijn filosofie, die zich laat zich vatten in een enkele zin: de wereld is mijn wil en voorstelling. Hij ziet namelijk de wereld als voorstelling van het kennend subject. Die voorstelling ontstaat en duurt op haar beurt voort door de wil. Daarmee is de voorstelling gelijk aan de wil. Alvorens we die wil uitgelegd krijgen, begint Schopenhauer allereerst met het bespreken van die voorstelling.
De Voorstelling
Zoals in de inleiding vermeldt, vertrekt Schopenhauer vanaf het denken van Kant en Plato. In het eerste deel van zijn werk bespreekt hij de voorstelling. Daarbij zien we hoe belangrijk het denken van Kant is voor hem.
“De grootste verdienste van Kant is dat hij de verschijning en het ding-op-zichzelf van elkaar onderscheidt – en wel op grond van het bewijs dat er tussen de dingen en ons nog altijd het intellect staat en dat ze daarom niet gekend kunnen worden zoals ze op zichzelf zijn.”[5]
Zoals we hier kunnen lezen, is het dankzij Kant dat Schopenhauer zich er bewust van is hoezeer het transcendentale idealisme van Kant een plaats hoort te krijgen in elke filosofie; en dus zeker in die van hem. Kant’s verdienste is dat hij een object ziet, het ding-op-zichzelf, dat gescheiden is van de fenomenen die wij waarnemen. Schopenhauer neemt deze fenomenen, en legt meer realistisch gewicht bij het geheel van deze fenomenen. Al kunnen we het ding-op-zichzelf niet zo maar kennen, volgens Schopenhauer, dan zijn de verschijningen die we wél waarnemen nog niet betekenisloos. Sterker nog, voor het subject bestaat de wereld enkel en alleen voor zover het kennend subject deze voorstelt. Schopenhauer erkent daarmee niet alleen het bestaan van de wereld als voorstelling, hij geeft het tevens een realistische waarde.
Bij dat realisme komen we ook uit via het “intellect” waarover Schopenhauer in het hierboven staande citaat spreekt. Dat intellect is namelijk Maya[6], “de sluier der begoocheling”[7]. De volledige wereld zoals het kennend subject die ervaart, is het gevolg van het intellect, waarmee een mens of dier in staat is om voorstellingen te hebben. Die sluier, al is het een illusie, is dus de realiteit die het subject waarneemt. Het subject bezit tenslotte enkel een bewustzijn, waarmee het de voorstelling van de wereld kan kennen.
Volgens Schopenhauer behoren tijd en ruimte tot de voorstelling van het subject, en tezamen vormen zij het principium individuationis. Dat principe van individualiteit bestaat uit het gegeven dat wij door tijd en ruimte meervoudigheid en diversiteit kunnen waarnemen. Datzelfde principe stelt Schopenhauer meermaals gelijk aan Maya[8]. Hieruit blijkt hoezeer Schopenhauer de wereld als geheel ziet als de verhouding tussen subject en object. Die verhouding is voor hem de vorm van alle klassen van voorstellingen die het subject in zijn bewustzijn ervaart.
Ons complexe bewustzijn en daarmee de wereld is niet uit het niets ontstaan. In den beginne was er volgens Schopenhauer enkel hetgeen de “schimmellaag” deed groeien, van waaruit zich langzaam aan leven ontwikkelde op aarde. Van het ontstaan van de planeet met haar schimmellaag, via planten, naar dieren, en uiteindelijk de mens[9]. Het kennen was reeds aanwezig bij de lagere verschijningsvormen, zoals het dier, maar daarbij moest het zich behelpen met louter aanschouwelijke kennis; dat wil zeggen, onmiddellijk verkregen kennis van de wereld van de wilsverschijningen. De mens heeft “kennen” in de vorm van hersenen, waardoor het bewustzijn direct met de wereld als voorstelling ten tonele kwam[10]. In dat bewustzijn abstraheren we begrippen van de wereld, en zo verkrijgen we a priori kennis. Hierdoor zijn we in staat abstracte begrippen, zoals onder andere verleden, toekomst en de eigen dood te hanteren.
Doordat we ons zelfs bewust kunnen worden van de wetten van het kennen, kunnen we onszelf als het middelpunt van het universum zien. We kunnen dus ook, zoals Descartes, met behulp van de rede de realiteit en daarmee het bestaan van alle andere verschijningen ontkennen, maar dat is volgens Schopenhauer slechts een “theoretisch egoïsme”[11]. Hij maakt daar niet te veel woorden aan vuil, want het sluit nu eenmaal niet aan bij de daadwerkelijke ervaring van het leven, en het is daarom te absurd voor woorden. Voor Schopenhauer is het veel belangrijker dat we ons doordringen van hoe de wereld daadwerkelijk in elkaar zit. Daarvoor is het belangrijk om de wil goed te begrijpen.
Maar wat is die wil nu precies?
Wanneer Schopenhauer het kennen van het subject bespreekt, krijgt de verhouding van het subject tot de verschijning van het object niet alleen veel aandacht, ook het object komt uitgebreid aan bod. Dat is niet zonder reden, want in het verloop van zijn betoog zullen we leren inzien dat onze benadering van het object, de objectivatie, onze manier van de wereld en onszelf zien is. Maar belangrijker nog: het object is voor ons slechts een verschijning van iets veel dieper: het ding op zichzelf, de wil.
Kant is voor Schopenhauer het grote voorbeeld en tot dusver leek hij hem redelijk trouw te zijn gebleven. Nu wordt echter een belangrijk verschil duidelijk. Waar voor Kant het ding op zichzelf, dat wij niet kunnen kennen, het echte object is dat achter de fenomenen schuilt, is dat voor Schopenhauer veel meer en kunnen we er wel degelijk kennis over opdoen.
Volgens Schopenhauer is de wil het echte ding op zichzelf, en daarmee neemt hij duidelijk een andere positie in dan Kant. Schopenhauers wil is het belangrijkste concept van zijn gehele filosofie. Als we normaal gesproken aan het woord wil denken, zullen we al snel denken aan onze eigen driften of juist een wil waarmee we onze (lichamelijke) neigingen bedwingen, maar dat is niet wat Schopenhauer bij zijn begrip van de wil voorstaat.
De wil is voor Schopenhauer een onstuitbaar en onbevredigbaar streven, een blinde drang die zich als een onophoudelijke cyclus voortbeweegt, het is een doelloos eindeloos herhalen van zichzelf.[12] Het is goed om hierbij in het achterhoofd te houden dat Schopenhauer het over een soort natuurwil of wereldziel[13] heeft en dus juist niet aan een wil in de gebruikelijke zin van het woord.
De wil bestaat buiten de wetten van het bewustzijn waarmee wij de wereld als voorstelling kennen. Dat betekent dat de wil in alles, in elke verschijning, aanwezig is en tegelijkertijd kunnen we hem er niet zien, want dat gaat de wetten van het kennen van die voorstelling te buiten. Doordat de wil zich buiten die wetten stelt is de wil één en ondeelbaar. Dat volgt namelijk uit het eerder genoemde principium individuationis, want zoals eerder gesteld behoren tijd en ruimte tot het bewustzijn van het subject en niet tot het object, de wil. Door het principium individuationis bevindt de wil zich tevens buiten het bereik van de noodzakelijkheid; want noodzakelijkheid vereist oorzaak en gevolg, en die vereisen op hun beurt weer een tijd en plaats waarbinnen zij kunnen geschieden.
Tot dusver hebben we gezien hoe Schopenhauer voornamelijk gedachten overneemt van Kant. Bij de verschillende treden van objectivaties van de wil krijgen we nu dus ook te zien hoe Schopenhauer ruimte over heeft voor nog een andere filosoof, Plato. Schopenhauer gebruikt namelijk de ideeënleer van Plato om aan te geven hoe de verschillende (afzonderlijke) verschijningen zich verhouden tot de wil. De eerder genoemde abstracte begrippen zijn voorstellingen van de voorstellingen, terwijl intuïtieve voorstellingen direct aanschouwelijke voorstellingen weergeven. In de verschijningspiramide vinden we de verschillende voorstellingen geordend naar hoe dichter ze bij de idee van de wil staan.
Hoewel deze wil veel groter is dan het subject, en zelfs buiten alle wetten van het bewustzijn van dat subject staat, betekent dat nog niet dat het subject er niets mee te maken heeft: “Ofschoon de wil in de mens, als (Platoonse) Idee, zijn duidelijkste en volmaakste objectivatie vindt, kan deze toch niet in zijn eentje het hele wezen van de wil tot uitdrukking brengen.”[14] Het subject, dat de hogere trap in de verschijningspiramide[15] is, is desalniettemin, net als het geheel van de wereld, een gedeeltelijke verschijning van de wil. Deze incorporatie van Plato’s ideeënleer, waarbij we ook een oplopende ladder van objectiviteit vinden, krijgt zijn weerklank in Schopenhauers esthetiek.
Esthetiek
Het is niet voor niets dat in Schopenhauers betoog ook de esthetiek een plaats krijgt. Hij ziet de kunst namelijk als iets dat ons tijdelijke verlichting verschaft van de waan van de dag, van het lijden dat nu eenmaal behoort tot het leven. De kunst stelt ons in staat om, al is het maar eventjes, los te komen van onze individualiteit en het leven te overzien. Door middel van esthetisch bewustzijn kunnen we ons gewoonlijke bewustzijn overstijgen. Het normale bewustzijn beziet de dingen altijd vanuit een verhouding tot het zelf, in een relatie van het zelf tot de wereld. Ook is het normaliter zo dat de mens zichzelf overgeleverd ziet aan de wil. Als men zich weet los te maken van deze zaken, dan is men in staat om via de Platoonse ideeën kennis te verkrijgen over de wil. Dan wordt men een “zuiver, willoos subject van het kennen”[16].
De Platoonse Idee stelt ons in staat de wil te leren, maar zij behoort niet tot de voorstelling en ook niet tot de wil [17]. Opmerkelijk genoeg is voor Schopenhauer de kunst dus wel objectief, terwijl, zoals we eerder hebben kunnen lezen, de zintuiglijke realiteit dat niet is. Al waren de ideeën voor Plato zelf nog onkenbaar, volgens Schopenhauer zijn ze met de juiste dispositie wel degelijk te kennen – via de kunst.
Het is echter niet voor iedereen weggelegd om middels de kunst de dagelijkse realiteit van het eigen bewustzijn te overstijgen. Het is slechts weggelegd voor een enkeling, die Schopenhauer een “genie”[18] noemt. Het is niet gebruikelijk dat deze genialiteit voorkomt in de menselijke natuur. Toch is het niet iets om jaloers op te zijn, want “de mens die met genie is begiftigd, lijdt dus het meest”[19]. Helaas is ook het alledaagse leven voor de meeste mensen gevuld met geweld, pijn en lijden.
Daarmee zijn we aangekomen bij datgene waar het hier om gaat: de bevestiging of ontkenning van de wil tot leven. Deze posities bespreekt Schopenhauer in het vierde deel, wanneer hij spreekt over het handelen van mensen – de redenen en de motivaties. Bij het bevestigen van de wil willen we met de kennis van de wil hetzelfde als wat we daarvoor zouden willen zonder die kennis[20]. Zo zouden we voordat we deze kennis verkregen, uit louter egoïsme, de eigenliefde, of juist vanwege bepaalde dogma’s, handelen op basis van de wil. Bij de ontkenning van de wil wordt de kennis tot “quiëtief”[21] dat al het willen kalmeert en uiteindelijk opheft. Hiermee kunnen we resignatie, of beter nog, verlossing bereiken. Dat laatste zien we bij heiligen. Zij hebben een “katholieke, transcendentale verandering”[22] ondergaan waardoor ze niet meer de last van de verlangens en streven naar de individuele behoeften hebben. De ontkenning van de wil is echter niet een vrijblijvend iets, er moet constant voor gevochten worden. Daarom proberen zij, die deze positie nastreven, vaak zo ascetisch mogelijk te leven.
Conclusie
Op het eerste gezicht oogt zijn weigering om een voorkeur uit te spreken ten aanzien van de bevestiging of ontkenning van de wil paradoxaal, want zijn filosofie lijkt toch zeker een bepaalde stoïcijnse onbewogenheid te propageren. Het is echter een onbewogenheid ten aanzien van het besef dat de mens, en met name het individu, insignificant is in het universum van de wil. Deugd en genialiteit zijn helaas niet te leren[23], maar doen er ook niet toe in het grotere geheel.
Direct nadat Schopenhauer heeft aangegeven dat hij niet een aanbeveling kan doen ten aanzien van de twee levenshoudingen, schrijft hij dat dit ‘even dwaas als zinloos zou zijn aangezien de wil op zichzelf volstrekt vrij is’[24]. Volgens Schopenhauer is het dus onjuist – een wat vriendelijkere term dan “dwaas” – om te denken dat de keuze voor een van de twee levenshoudingen zelf te maken is. Het zou volgens hem in ieder geval een ernstige overschatting zijn om te denken dat het individuele leven en de gekozen invulling daarvan ook maar iets uitmaakt voor de wil. De wil laat zich dus niet sturen. Dat is veelzeggend over het fundamentele karakter van de wil.
Schopenhauer doet geen appèl tot het opdoen van kennis. Een dergelijke oproep zou Schopenhauer misschien even dwaas of zinloos vinden, aangezien hij meermaals aangeeft dat hij ervan uitgaat dat sommige mensen nu eenmaal wel, en anderen helaas gewoon niet, tot staat zijn zichzelf met daadwerkelijke kennis te verrijken. Uiteindelijk is de onbewogenheid waarover Schopenhauer zijn lezer probeert te vertellen, slechts een berusting in de wetenschap dat de wil alles bepaalt. We zullen ons daarbij neer moeten leggen, anders zal het leven nooit iets meer worden dan een grote lijdensweg.
Niet alleen is de natuurlijke wil die Schopenhauer voor ogen heeft allesbepalend voor onze voorstelling van de wereld, ook is diezelfde wil overheersend aanwezig in alles wat wij doen. Er is dus geen echte keuze om te maken, bevestigend of ontkennend, ten aanzien van de wil. Dat is waarschijnlijk dan ook de reden dat Schopenhauer het nutteloos vond om een voorkeur uit te spreken met betrekking tot de mogelijke levenshoudingen.
We hebben het leven te ondergaan, bevestigend en egoïstisch, of ontkennend als genie of heilige, het zijn alleen maar verschillende gradaties van lijden. Dat verklaart waarom Schopenhauer er constant op wijst dat er maar een paar geesten zijn die zijn werk daadwerkelijk kunnen begrijpen; en ook waarom Schopenhauer niet poogt zijn lezer een bepaald verlicht pad op te sturen. Belangrijker nog: Schopenhauer verdedigt daarmee het standpunt dat we er niet voor kiezen op welke manier we leven, goed of kwaad. Dat blijkt ook wel uit de zinloosheid die hij toekent aan het voorschrijven van een ‘goede’ manier van leven. Doordat de wil alles bepalend is, is het lastig om te zien hoe de bevestiging of ontkenning van de wil überhaupt een keuze zou zijn.
Wat is dan nog een daadwerkelijke keuze voor iets goeds of kwaad? Het onderscheid tussen goed en kwaad is en blijft bij Schopenhauer een lastig punt. Hij poogt de wil absoluut te laten zijn en maakt daarmee het verschil tussen beide in feite relatief. Schopenhauer zelf is van mening dat men heel wat moet doen voor er gesproken kan worden over kwaad: men moet bewust voor slecht handelen kiezen ten behoeven van de eigen verlangen of wil. In de meeste gevallen is men echter niet zo bewust en spreekt Schopenhauer over enkel goed of slecht in termen van de wil. In het vierde deel geeft Schopenhauer een uitvoerige weergave van de verschillende vormen van goed en slecht, terwijl in feite Schopenhauer zelf ook een standpunt lijkt in te nemen dat er geen daadwerkelijke keuze in ons leven is.
Geraadpleegde bronnen
- Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling, deel 1, 1859, vertaald en toegelicht door Hans Driessen, 2008.
- David E. Cartwright, Historical Dictionary of Schopenhauer’s Philosophy, The Scarecrow Press, Inc., 2005.
- Bertrand Russell: Geschiedenis van de Westerse Filosofie, p.784, vertaald door Rob Limburg en Vivian Franken, Kosmos Uitgevers, 2008.
[1] Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling, deel 1, 1859, vertaald en toegelicht door Hans Driessen, 2008.
[2] WWV I, IV, §55, p.424.
[3] WWV II, Hoofdstuk 1, p.13.
[4] Niet evolutie in de volledige zin, want die is gericht op vooruitgang, terwijl Schopenhauer meer een toevallige ontwikkeling beschrijft.
[5] WWV I, appendix, p.594.
[6] Dit begrip leent Schopenhauer van de Veda’s en de Purena’s. Het is de godin die ons de sluier die onze realiteit is, voorwerpt. Zie: glossarium, p.761
[7] WWV I, I, §3, p.63.
[8] Voor een dergelijke gelijkstelling zie: WWV I, IV, §68, p.544.
[9] WWV I, II, §28, p.255.
[10] WWV I, II, §27, p.250-251.
[11] WWV I, II, §19, p.191.
[12] WWW I, II, §29, p.268.
[13] Wereldziel is een Hindoeistisch begrip, beter bekend als Atma. Toevalligerwijs heeft Schopenhauer zijn hond de naam Atma gegeven. Zie hiervoor Bertrand Russell: Geschiedenis van de Westerse Filosofie, p.784, vertaald door Rob Limburg en Vivian Franken, Kosmos Uitgevers, 2008.
[14] WWV I, II, §28 p.254.
[15] Idem.
[16] WWV I, III, §38, p.308.
[17] WWV I, III, §32, p.281.
[18] WWV I, III, §49, p.357-358.
[19] WWV I, IV, §56, p.456.
[20] WWV I, IV, §56, p.453.
[21] WWV I, III, §48, p.356.
[22] WWV I, IV, §70, p.577.
[23] WWV I, IV, §53, p.405.
[24] WWV I, IV, §55, p.424.