[deze recensie is geschreven voor het Tijdschrift voor Filosofie, Universiteit Leuven]
BREUKER, Ph. en GULMANS, J. (red.), De dichters en de filosofen, Wijsgerige aspecten van de poëzie in Nederland rond 1900. Leeuwarden, Friese Pers Boekerij bv, 2008, 21 x 14, 159 p., € 16,50.
In dit boekje is een palet aan interpretaties van Nederlandse dichters te vinden. De samenhang tussen deze beschouwingen laat te wensen over. Zo worden Albert Verwey, Henriëtte Roland Holst, P.C. Boutens, Obe Postma, Jan Hendrik Leopold en J.A. dèr Mouw onderworpen aan totaal verschillende analyses. Stuk voor stuk op zich interessante beschouwingen en het vormt gunstig materiaal voor een studiedag. Deze gebundelde analyses zijn namelijk ook ontstaan als resultaat van een studiedag over de wijsgerige aspecten van de poëzie rond 1900.
Bij elk van de dichters wordt stil gestaan bij hun religieuze of filosofische denkbeelden. Volgens de redacteuren geldt voor al deze dichters dat zij geen poëzie schreven als illustratie van een bepaalde filosofie, maar ‘wat zij deden was gebruikmaken van filosofische inzichten en soms, als bij Boutens, Postma en Dèr Mouw heel duidelijk, ook van filosofische begrippen’. Voor de samenhang tussen de verschillende dichters wordt er gewezen op een aantal gelijkenissen tussen de besproken dichters, die overeenkomen met de kenmerken van het tijdvlak. Zo zochten zij allen naar de juiste verhouding tussen de individualiteit en het grotere geheel. Eveneens waren zij elk op zoek naar vormen van transcendentie. Bovenal deden zij allen afstand van het naturalisme, dat wil zeggen de naturalistische interpretatie van de samenhang van de rationaliteit en de werkelijkheid. Daardoor hebben ze een gecompliceerde verhouding tot de taal, die enerzijds vanuit de rationaliteit toegang verschaft tot die werkelijkheid en anderzijds juist die toegang weer onmogelijk maakt met haar wetenschappelijke kant. Volgens de redacteuren is dit naturalisme de reden dat de dichters op zoek zijn naar filosofische verdieping, ze zouden de taal willen overstijgen met behulp van de filosofie.
Deze visie lijkt met name te spreken over de tijdsgeest van geletterd Nederland, al wordt dat niet zo gesteld. En inderdaad, de besproken elementen zijn vaak typische kenmerken voor de dichtkunst in het tijdvlak. Het is juist hun plaats in het tijdvlak die dit boek nog iets van samenhang brengt.
Maar is er nog meer reden om de besproken dichters samen te brengen? De selectie van de dichters lijkt namelijk arbitrair en voornamelijk gebonden aan de auteur van het specifieke betoog. Daarbij is haast geen van de genoemde onderlinge overeenkomsten letterlijk terug te vinden in de besprekingen van de dichters. Zo wordt in de bespreking van Albert Verwey door Gerlof Verwey weergegeven hoe de dichter zich verhoudt tot het spinozisme, dat Verwey’s religieuze non-conformisme aanvult als haar wijsgerige variant. Hiermee wordt de Albert Verwey geplaatst in de Nederlandse denkgeschiedenis, maar dit zegt nog niets over de eerder genoemde filosofische elementen die juist de filosofische afhankelijkheid lijken te onderbouwen. Alleen Philippus Breuker die ons, als één van de redacteuren, voorzag van de eerdere samenhang, komt in zijn beschouwing van Obe Postma terug op die samenhangende kernelementen. Breuker geeft heel concreet weer hoe Postma deze wijsgerige elementen zelf filosofisch duidde.
In het bijzonder wil ik hier wijzen op het artikel van Odile Heynders en haar benadering van Henriëtte Roland Holst. Heynders heeft zich wel zichtbaar beziggehouden met de vragen die voortvloeien uit het thema. Wat is immers de ‘echte’ invloed van de filosofie op de poëzie? Wat kwam eerst voor de dichter, de gelezen filosofie of de eigen gedachten en woorden? Is er sprake van inspiratie, of wordt het gedicht gebruikt ter onderbouwing van de filosofie? En tenslotte, is de poëzie zelf te beschouwen als een vorm van filosofie? Met die vragen in het achterhoofd analyseert Heynders het werk van Roland Holst door middel van het gedachtegoed van Emmanuel Lévinas. Deze interessante omdraaiing – dat dichtwerk juist anders gelezen kan worden met behulp van de filosofie – leidt tot een weergave van de grote overeenkomsten tussen de opvattingen van Roland Holst en die van Lévinas. Zij hebben elk veel aandacht voor ‘de ander’ en tevens haalt het ik bij beide een hernieuwde identiteit uit de gezichtspunten van de ander.
Dit betoog van Heynders is dan wel geen antwoord op de kip-ei-vraag – wat kwam eerder voor de Nederlandse dichters rond 1900, de filosofie of de dichtkunst? -, maar allicht behandelt het de dichtkunst wel als volwaardig autonoom van de filosofie. Helaas wordt de discussie verder niet aangegaan. Daarmee is deze bundel dus louter een beschrijving van de wijsgerige aspecten van de poëzie, en dus ook niet zoals de redacteuren ons laten verwachten een bespreking over de filosofische overeenkomsten en verschillen onderling. Sommige van de gekozen dichters staan zelfs bekend om hun filosofische achtergronden, zoals Van Dèr Mouw, J.H. Leopold en Obe Postma. Zodoende is dit boek vooral nuttig voor meer filosofische kennis van en bij die dichters.