In dit essay bespreekt Heidegger de definitieve metafysische vraag, waardoor we in de metafysica komen, en welke de mogelijkheid aan de metafysica geeft om voor zichzelf te praten. Het essay is opgebouwd in drie delen: de presentatie, de ontwikkeling en het antwoord van de vraag.
De presentatie van de vraag begint met de overweging van de duale natuur van de metafysische vraag. De vraag gaat altijd over de gehele scala aan metafysische problemen. Ook is de vraagsteller altijd betrokken in zijn vraag. De vraag moet dus altijd gaan over het geheel en gebaseerd zijn op de essentiële situatie van het zijn dat de vraag stelt. Ons bestaan wordt beheerst door de wetenschap, zij is onze passie geworden, omdat ons bestaan vraagt om de wetenschap om te kunnen vragen. Er zijn veel verschillende wetenschappen en daardoor veel verschillende wetenschappelijke methoden. In beginsel zijn alle wetenschappen gerelateerd tot wat-is. Vanuit het perspectief van de wetenschap gezien is er geen wetenschap die beter of meer overheersend is.
De mens bekijkt altijd vanuit zijn eigen zijnstructuur, en noemt het ‘ons wetenschappelijk denken’. Echter in ons denken is alles de waarschijnlijkheid van de essentiële natuur van de dingen. Onze gekozen attitude, waarin wij deze waarschijnlijkheid volledig als waar beschouwen als gevolg van ‘ons wetenschappelijk denken’, is deel van onze menselijke existentie. De wetenschap als het onderscheidende bestaat, omdat het expliciet toestaat het object zelf het eerste en het laatste woord te hebben. Het is een bepaalde gelimiteerde onderwerping aan wat-is, zodat dit zich als wat-is onthuld. Deze objectieve vraagstelling van de speculatieve wetenschap bevat definitie en bewijs. De mogelijkheid voor een metafysische vraag is dus gelimiteerd door onze existentie. Wat menselijk is, is verbonden aan wat-is, want de mens is object-scheppend. Het object in het geheel wordt en is door het geheel van de mens. De mens helpt het object te worden wat het is. Het is Dasein in het wetenschappelijke bestaan. Als we van dat Dasein bezit nemen, dan moeten we concluderen dat de wetenschappelijke bezigheden een uitbarsting van dat-wat-is-voorbij-het-niets, teweegbrengen. Dan zouden we genoegen moeten nemen met de zekerheid van wat-is-voorbij-het-niets. Maar wat is Niets? We spreken er natuurlijk over. Het wordt absoluut geweigerd door de wetenschap en alleen gelaten als de nul en leeg (das Nichtige). Maar laten we het met deze weigering niet juist toe? De wetenschap moet sober en serieus gaan over wat-is. De wetenschap wil niets weten van het niets. Maar het blijft zo dat de wetenschap op het punt van zijn eigen essentie onder woorden brengen, allereerst een beroep moet doen op het Niets. Op ons huidige bestaan reflecteren wij door ons wetenschappelijk denken, daarmee toont zich dus de vraag: What about the Nothing?
2. De ontwikkeling van het antwoord.
Nu ingaande op deze vraag, zien we hoe de vraag zich ontwikkelt. Denken is denken over iets, dus het is een contradictie om te denken over niets. De vraag naar het niets draait naar het tegenovergestelde. Als we erover nadenken maken we het Niets tot een entiteit, een iets. Daardoor is een start tot beantwoording van de vraag niet mogelijk. De logica toont ons direct een contradictie en moet vermeden worden, alvorens wij op de vraag in kunnen gaan. We kunnen niet denken in de contradictie, anders wordt dat denken iets onnatuurlijks. De vraag en het antwoord doen er niet toe als het gaat over het niets. Dus de aanvankelijke weigering van de wetenschap is zelfs overbodig. Dus ons onderzoek is al over voordat we het hebben kunnen laten beginnen, tenzij we in staat zijn om de logische reden uitschakelen, terwijl dat juist de vraagsteller is?
Heidegger geeft aan dat wij het Niets hanteren als de negatie (Verneinung) van de totaliteit van dat wat-is: dat wat absoluut niet is. Hier brengen we het Niets in de hogere categorie van het Negatieve (Nichthaftes) en daardoor van dat wat al ge-negeerd is. De negatie heeft al plaats gevonden. Volgens de logica is de negatie een specifieke act van de rede. Indien wij ons willen ontdoen van de rede in dit onderzoek, dan moeten we het Niets nemen als origineel punt, Niets is origineler. Dan is het Niet en de Negatie afhankelijk van het Niets op een bepaalde manier. Hoe kan onze afhankelijke rede dan besluiten? Maar we zullen hier het Niets het voordeel van de twijfel geven, opdat we het kunnen onderzoeken. Om iets te kunnen zoeken moeten we immers niet weten dat het er is. We kunnen alleen zoeken naar iets waarvan we het bestaan veronderstellen. We kennen het Niets van het algemene gebruik van de term. De standaard definitie is: de totale negatie van alles wat-is. Als we deze definitie als richting nemen moeten we eerst de totaliteit van alles wat-is aannemen om het Niets eruit te laten verschijnen. Dat kunnen we alleen als idee doen. En dan maken we dus de formele verbeelding van het Niets, niet het Niets zelf. Maar er is geen verschil als het Niets de representatie is van het gebrek aan differentiatie. Dus we bevinden ons weer in de rationele objecties. We bevinden onszelf in het midden van wat-is en dit is op een manier onthuld in de totaliteit.
Er is een essentieel verschil tussen bevatten van wat-is en onszelf midden in wat-is-in-totaliteit vinden. Wat-is bevatten is absoluut onmogelijk, want we bevinden ons er middenin. Deze heelheid overkomt ons juist wanneer we niet geabsorbeerd in de dingen of onszelf zijn; in echte verveling, in een soort onverschilligheid. Deze verveling onthuld wat-is-in-totaliteit. Ook is het onthuld als we in de aanwezigheid van het zijn van iemand waar we van houden. We zijn dan in bepaalde stemmingen. We bevinden ons dan omringd in de totaliteit van wat-is en zelfs geheel doordrongen ervan. Dit is het grondfenomeen van ons Dasein.
Op hetzelfde moment wordt het niets door ons gevoel verborgen. De enkele negatie van de totaliteit-van-wat-is zou ons nu kunnen leiden tot het Niets. De essentiële stemming hiervoor is Angst (niet volgens de Nederlandse definitie, maar meer een soort onrustige en onbestemd gevoel, of het Engelse: Dread). Daarin probeert men zich te bevrijden van iets en daarmee verliest men de juiste verhouding met het algemene. De onbepaaldheid van wat we in Angst ervaren is niet gewoon een gebrek aan definitie: het representeert de essentiële onmogelijkheid van het definiëren van de Wat-is. Al het andere verdwijnt in een soort van onverschilligheid. In de act van ons wegdraaien, draait alles naar ons toe. Angst onthuld het Niets. Er is niets om aan vast te houden. In Angst zijn we voorlopige stilstand (suspense/wir schweben), geheel onwetend. Omdat het wat-is-in-totaliteit laat wegslippen van ons en daarmee ook onszelf, want wij bestaan in die wat-is-in-totaliteit. In Angstige voorgevoelens van deze stilstand waar niets aan vast te houden is, blijft alleen het pure Dasein over. Dus wordt Niets naar voren geforceerd, alle bevestiging van het zijnde vervalt in het zicht ervan. Angst is dus het startpunt van ons onderzoek.
3. Het Antwoord op de vraag
Het antwoord is al gevonden. De verandering van de mens naar zijn Dasein gebeurt altijd wanneer er Angst ervaren wordt door in die mens. We zien dan dus het Niets zoals het zich onthuld in Angst. Niet als iets dat is en niet als object. Het Niets is onthuld in en door de Angst. In Angst functioneert Niets als één met wat-is-in-totaliteit. Wat-is-in-totaliteit wordt in de Angst ongrijpbaar. Wat-is is niet vernietigd door de Angst. De Angst is totaal machteloos tegenover wat-is-in-totaliteit.
Het in de Angst wegslippen van iets in het Niets, is op een gebiologeerd (gebannt) tempo, niet zozeer als een vlucht. Het niets trekt niet aan, maar stoot van zichzelf af naar een langzaam verschuiving van het verdwijnende wat-is-in-totaliteit. Het Niets toont zich in de verschuiving van deze verdwijning, om ons heen. De essentie van het Niets is Nichtung (uitroeiing, maar veel meer causaal positief uitgesproken, moet ontsprongen uit negatie – verneinung). Niets nichtet van zichzelf. Het niets onthult het tot noch toe onbekende, de verschuiving van de verdwijning van wat-is-in-totaliteit, als pure Ander gecontrasteerd met Niets. Dat contrast is alleen helder bij Angst’s Nietsheid en is wat-is onthuld in al zijn originele openheid, dat het is, en het is niet Niets.
Wat er gebeurd is, is dat het niets zichzelf heeft laten zien al essentieel behorend tot wat-is, terwijl dit wegslipt in de totaliteit. We kunnen niet wat-is-in-totaliteit de negatie in laten gaan om het niets te bereiken. Dat is een negatieve statement en dat is niet eigen aan de natuur van de Angst. We zouden altijd te laten komen met een negatie die het Niets zou moeten demonstreren, terwijl het Niets er aan vooraf zou moeten gaan.
De essentie van het Niets als originele vernichtung is alleen het Niets dat het Dasein oog in oog brengt met het wat-is als zodanig. Alleen op basis van de originele manifestatie van het Niets kan ons menselijk Dasein naar en in het wat-is gaan, Dasein wordt wat-is door de manifestiatie van het Niet. Want in zoverre Dasein natuurlijk gerelateerd is tot wat-is (als wat het niet is en wat het zelf is) gaat Dasein altijd vooraf aan het Niets als manifest.
Dasein betekent geprojecteerd/geworpen worden in het Niets (Hineingehaltenheit in das Nichts). Zo geworpen in het Niets is Dasein al voorbij wat-is-in-totaliteit. Dit voorbij zijn (Hinaussein) wat-is, noemen we transcendentie. Wanneer Dasein niet transcendent zou zijn op deze manier zou het zichzelf nooit kunnen relateren tot wat-is en dus een zelf-relatie hebben. Dan is er ook geen vrijheid voor die transcendentie.
Hier is dus het antwoord op onze vraag over het Niets. Het is geen object of iets dat is. Het verschijnt niet op zichzelf noch los van wat-is, als een soort van adjunct. Niets is dat wat de onthulling van wat-is als zodanig mogelijk maakt voor onze menselijke existentie. Het geeft niet alleen een conceptuele oppositie van wat-is, maar het is ook een origineel deel van essentie (wesen). Het is dat wat in het zijn (Sein) van wat-is de vernietiging van het Niets (das Nichten des Nichts) zich voordoet.
Zouden we dan niet continue in Angst moeten zijn om te kunnen bestaan? Wat we zeggen als we zeggen dat die Angst echt niet vaak gebeurt, is: Niets is altijd verstoord in zijn originele staat door het feit dat op de een of andere manier we onszelf geheel verliezen in wat-is. En deze ambigue aversie van het Niets behoort tot de essentiele betekenis van het Niets. Hoe we het Niets niet los laten doordat we meer naar het wat-is toe willen. Het Niets verwijst ons naar het wat-is. Niets verniet onophoudelijk, zonder dat we weten wat er gebeurt, tenminste niet elke dag.
Het Niet kan zich alleen manifesteren wanneer het Niets (zijn bron) uit de verhulling is getrokken. Het Niet wordt niet iets door negatie, de negatie is gebaseerd op het Niet, wat ontstaat uit de vernichtung van het Niets.
De negatie kan het Niet niet uit zichzelf produceren, want inderdaad het kan alleen iets negeren, wanneer er iets is om te negeren. Ook is de negatie niet alleen een mode van het gedrag, het is ook apriori gebaseerd op de vernichtung van het Niets. Dus de bovenstaande thesis is in essentie bewezen: Niets is de bron van de negatie. Als dit breekt met de soevereiniteit van de reden in het onderzoek naar het Niets en het Zijn, dan is het lot van de logica in de filosofie besloten. Het idee ‘logica’ desintegreert in de nasleep van een meer originele vraagstelling. Negatie zelf is geen complete valide getuigen van de manifestatie van het Niets als essentieel onderdeel van het Dasein. Negatie kan namelijk niet niet gezien worden als enige of voornaamste modes van vernichtung, waarmee het Dasein geworpen wordt. De mogelijke modus van vernichtund gedrag (zelfs als het onze geworpenheid overheerst), zijn niet enkel modes van de negatie.
De doordringbaarheid van Dasein met vernichtungsmodes van het gedrag wijst naar de manifestatiemogelijkheid van het Niets, wat alleen in al zijn originaliteit getoond wordt in de Angst. Hier is dus de reden waarom Angst in het algemeen onderdrukt is in Dasein. Angst is daar en het ligt sluimerend op de loer. Al het Dasein beeft met het ademen van de Angst. Het is klaar in de gereserveerden en zeker in de dapperen. Maar in deze laatste verschijnt het alleen ten behoeve voor dat wat zelf voor uitgeschoven wordt, de geweldige grootheid van Dasein. Angst van de dapperen kan niet gecontrasteerd worden met het genot van een vredig leven. Het staat in het geheim in verband met de sereniteit en de hoffelijkheid van het creatieve verlangen. De acties van Angst corresponderen in de diepte tot de oppervlakkigheid met de mogelijke oorzaken. Het is altijd sluimerend, maar zelden komt het naar voren en neemt het ons mee in een staat van suspense.
Dasein werpt ons in het Niets op basis van de verborgen Angst, daarom wordt mens de ‘platzhalter’ voor het Niets. Zo eindig zijn we dat we niet eens oog in oog kunnen komen met het Niets. Dit geworpen worden in het Niets op basis van verborgen Angst is wat het overkomen van wat-is-in-totaliteit is: transcendentie.
We komen door het kijken naar het Niets direct uit op de metafysica. De Grieken hebben de metafysica later pas geïnterpreteerd als wat-is-als-zodanig-overstijgend. Metafysica is het onderzoek over en boven wat-is, met het perspectief om terug te winnen als zodanig en in de totaliteit van ons begrip. Niets gaat voorbij wat-is als wat-is-in-totaliteit. Maar gaat het ook over de gehele metafysica?
De klassieke metafysica had het Niets als niet-zijn (Nichtseiendes), ongevormde materie wat machteloos is om zichzelf te vormen tot een zijn en zodoende kan het geen verschijning (eidos) presenteren. Wat zijnde is, is een zelf creerend product (Gebilde) wat zichzelf presenteert als zodanig in een beeld (Bild) oftewel iets dat gezien wordt (Anblick).
De Christelijke dogma is dat God absoluut is en het niets daar creëert God alles uit. Echter Heidegger toont hier al aan: God als absoluut zou het niets moeten kennen om uit te kunnen creëren en dat kan niet. Het alles kan het niets niet kennen. Maar bij de Christelijke dogma is het Niets wel geworden tot het tegenovergestelde van waarheid en authenticiteit. Dus wordt het gezien als de negatie van waarheid en authenticiteit. Maar als het Niets als probleem beschouwd wordt, is het Niets niet meer een vage oppositie van wat-is; het toont zich dan als integraal aan het zijn van wat-is.
Hegel zegt: het pure Zijn en het pure Niets zijn één en dus hetzelfde; in hun oneindigheid en hun onmiddelijkheid. Heidegger is het met dit laatste niet eens. Ze zijn één omdat het Zijn zelf eindig in essentie is en alleen onthuld wordt in de transcendentie van het Dasein als geworpen in het Niets. Als dus de vraag naar het zijnde de alles overlappende vraag is, dan is de vraag naar het Niets dat ook.
Maar daarbij vraagt de vraag naar het Niets ons ook een uitspraak te doen over de legitimiteit van de logica in de metafysica. Het probleem daarbij is de oorsprong van de negatie. Dus het moet worden: ex nihilo omne ens qua ens fit (- al het zijn voor zover het een zijn is, is gemaakt uit het niets).
De vraag bevat ook ons eigen vragende Dasein. Immers als ons Dasein (eerder aangeven overheerst bij de wetenschap) ondervraagd wordt over het Niets dan wordt het Dasein zelf als zodanig bevraagd over zichzelf. Simpel en intensief wetenschappelijk Dasein bestaat uit het relateren op een speciale manier tot wat-is en alleen tot dat wat-is.
Wetenschap moet het Niets omwille van zichzelf dus wel serieus nemen, omdat het Niets voor de handliggend is kan de wetenschap wat-is als object bestuderen. Alleen wanneer de wetenschap start vanuit deze metafysica kan de wetenschap zijn essentiële taak (het ontdekken en verkennen van de waarheid) uitvoeren in plaats van wat het nu doet: verzamelen en classificeren van kennis.
Nu het Niets onthuld als de basis van Dasein hebben wij de mogelijkheid het onbekende te zien in wat-is. Dat roept vervolgens onze verwondering op en maakt dat vrij om te bevragen. Daarom worden we vragers en bewijzers voor dit gehele leven. Het is de metafysische vraag; het is de vraag naar onszelf. Eraan voorbij gaan is de essentie van Dasein; eraan voorbij gaan is zelf metafysica. Metafysica behoort dus tot de natuur van de mens, tot ons Dasein.
Heidegger besluit met een quote van Plato: ‘we kunnen de metafysica niet betreden,want voor zover we bestaan zitten we er al middenin’. Filosofie is de sprong nemen met wat-is tot de grondmogelijkheden van het zijn als geheel. Voor deze sprong zijn 3 dingen belangrijk: de ruimte laten voor wat-is-in-totaliteit; zichzelf te laten gaan in het Niets; de suspense laten waar het zich toont zodat het af en toe weer teruggaat naar de grondvraag van de metafysica die van het Niets zelf komt: waarom zijn er überhaupt zijnde, waarom is er niet eerder het Niets?
Postscript
In dit nawoord (dat in 1943 aan de tekst is toegevoegd) bespreekt Heidegger de misconcepties die ontstaan bij het lezen van deze tekst, alsmede de daarbij aansluitende verhouding tussen de metafysica en de wetenschap. De vraag: wat is metafysica? blijft een vraag. De vraag komt voort uit een denken dat er al toe over is gegaan om de metafysica te overwinnen. De moderne wetenschap gaat er vanuit dat ‘is’ gekarakteriseerd wordt door de wil tot willen. Wat-is wil iets-zijn. Zij wil de waarheid niet om zichzelf, maar om zijnde als objecten. Wie het zijnde tot object maakt, doet echter niets anders meer dan zich het zijnde verschaffen en dit bezit veilig stellen. De metafysica blijft in de nabijheid van de waarheid van het zijn, die waarheid blijft onbekende grond. De metafysica kan niet louter gedacht worden. De meest originele vraag komt vanuit zichzelf en niet vanuit een antwoord en roept dus alleen nieuwe en originele vragen op. Elke poging om met de tekst mee te denken zal daarom op hindernis stuiten. De voornaamste bedenkingen en misvattingen betreffende deze tekst kan men in drie punten verdelen. Zo gaat men er vanuit dat de tekst het Niets tot het enige onderwerp van de metafysica maakt. Dit terwijl het Niets zo simpel onbenullig en waardeloos is en dus leidt dit denken tot het idee dat alles niets is, zo dat het niet uitmaakt om te leven of te sterven. Een filosofie van het Niets is het laatste woord in het Nihilisme. Ook zou deze tekst de morbide stemming Angst maken en isoleren tot de belangrijkste. Sinds Angst een psychische staat is van nerveuze mensen en bangeriken, wordt de dapperheid gedevalueerd. Een filosofie van de Angst verlamt de wil tot actie. Tenslotte beschouwt men de tekst als zichzelf declarerend tegen de logica, maar rede bevat de criteria voor alle classificatie en beredenering. En dit soort denken maakt alle oordelen over de waarheid tot een soort stemming.
Indien men nogmaals naar de tekst kijkt kan dit ook leiden tot het Niets als lege negatie van wat-is of iets dat niet en nergens ‘is’ en het zichzelf toont als iets anders dat ‘is’: het Zijn. Het wat-is van de moderne wetenschap levert niet dat Zijn op. Zijn is een kwaliteit van wat-is en kan ook niet objectief worden vastgesteld. Dat wat niet is, is niet hetzelfde als Niets. Niets is een functie van het zijn. Het is kort door de bocht om Niets als enkel benullig gelijk te stellen aan niet-bestaand (das Wesenlose). In plaats daarvan zouden we ons er op moeten voorbereiden, in het Niets de wijde ruimte te ervaren van wat aan elk zijnde de mogelijkheid geeft te zijn. De ervaring van het Zijn als het Andere van al het zijnde, schenkt ons de Angst. Als wij die wezenlijke Angst uit zijn verband met het Niets trekken, dan houden we de Angst als gevoel over. Een psychologische benadering van dat gevoel, is niet de manier waarop Heidegger sprak over de Angst. Hij stond de wezenlijke Angst voor die ons oproept het Zijn in het Niets te leren aanvaren. Wie daartoe bereid is dapper ervaart de onmiddelijkheid. Hoe meer wij de wezenlijke Angst kleineren, des te dapperder moeten wij worden. Dapperheid is in staat het Niets te doorstaan. Dapperheid ontdekt in de afgrond van de verschrikking de nog nauwelijks betreden ruimte van het Zijn. Het wezenlijke denken is een gebeurtenis van het Zijn. De logica is slechts één uitleg van wezen van dat denken dat in contact staat met de waarheid van het Zijn. De Grieken bezigde zichzelf al met dit denken. De verdenking tegen de logica komt voort uit een denken dat zijn bron vindt in de ervaring van de waarheid van het Zijn en niet in het onderzoek van de objectivering van het Zijnde. Het berekende denken legt zichzelf de dwang op, om met behulp van consequente bewerkingen alles te berekenen. Het denken (Denken) waarvan de gedachten niet alleen niet rekenen, maar ook van alle twijfel (Bedenken) en herinnering (Andenken), is het originele denken van het Zijn. Daarvoor moet men opofferen dat men denkt over het zijnde dat is, als het Zijn, een afscheid van al het zijnde. Maar alleen in het in zichzelf gekeerde denken gewijd aan het Dasein komen we in de buurt van het Zijn. Het offer duldt geen berekening van het nut, want dit zou het offer essentieel misvormen. Wie het Zijn denkt, zoekt geen houvast in het zijnde. Het wezenlijke denken let op de langzame tekenen van het onberekenbare. In die tekenen bespeurt het de onheugelijke aankomst van het onafwendbare. Gehoorzaam aan de stem van het Zijn, zoekt het denken voor het Zijn het woord waardoor de waarheid van Zijn ter sprake komt. Het denken van het Zijn verzorgd behoedzaam zijn bestemming. Dichten en denken zijn nu gelijk, zorgzaam over het woord, maar beide in hun wezen het verst van elkaar verwijderd. De denker zegt het Zijn, de dichter noemt wat Heilig is. Sprakeloosheid behoort thuis in de Angst: de verschrikking waartoe de afgrond van het Niets de mens stemt.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer