p.272 – 280
Ouderen en hun verleden. Vooral ouderen roepen graag het verleden op. Ondanks dat je de toekomst niet kunt inhalen – want de droom van de toekomst is veel mooier dan de behaalde toekomst – geldt voor oudere mensen dat zij het heden proberen af te wijzen en een sterke solidariteit met het verleden ontwikkelen. Het verleden wint aan gewicht, de toekomst wordt korter. Het verleden is mijn gestolde identiteit. Om het opnieuw tegenwoordig te maken, moeten we het opnieuw doen herleven door middel van een project. Bejaarden willen samenvallen met wie ze waren.
De rol van onze kindertijd. Het is ook begrijpelijk dat ze zo graag teruggaan naar hun kindertijd, die tijd heeft hen in zijn macht. Hierin herkennen zij zich, want, al hebben ze dat een tijdlang niet willen weten, hun kindertijd is altijd in hen blijven leven. Er is nog een andere reden: zichzelf transcenderend bestaat men. Maar – vooral als men zeer oud wordt – stoot men zichzelf transcenderend op de dood. De oude mens probeert zijn bestaan op te bouwen door zijn geboorte of tenminste aller-vroegste jeugd opnieuw te beleven. Soms kiezen de ouderen ter herkenning de rol die hen het meest flatteert. Het liefst gaan ze terug naar de tijd dat de wereld voor hen een gezicht kreeg, dat de mens werd gevormd die ze geworden zijn: de kindsheid. Hier spreekt DeB. dus over reminiscentie: op oudere leeftijd heb je veel meer herinneringen over je kindertijd. De ouderen worden dan leeftijdloos. DeB. poogt vervolgens de vraag te beantwoorden in hoeverre kan het geheugen ons ons leven teruggeven?
Over onze herinneringen. Ons sociale geheugen beschouwt deB. als het geheugen dat ons onder bepaalde voorwaarden in staat stelt tot op zekere hoogte onze geschiedenis te vertellen. Dit geheugen reconstrueert en lokaliseert vroegere gebeurtenissen uitgaande van fysiologische gegevens, van beelden en van een bepaalde kennis, met behulp van logische categorieën . De voorwaarden hiervoor zijn dat de geschiedenis moet zijn vastgelegd (wij onthouden immers niet alles) en dat de zenuwbanen waardoor we de beelden weer kunnen oproepen intact moeten blijven. Dus voor ziekten als dementie geldt dit niet.
Maar de herinneringen zijn constructies, je kunt er niet in ‘terug’ kijken naar het verleden, want het verleden heeft een en-soi karakter en ontsnapt daarom ook aan mij. De herinneringen die ons het sterkste bij blijven zijn de diepe inprenting van de ervaringen in de kinderjaren, met name de ervaring van schaamte en kwellingen blijven ons bij. De volwassene heeft geen tijd en ruimte om terug te denken hieraan, deze volwassene staat volop in het leven. De bejaarden hebben echter geen afweer tegen herinneringen meer, ze leven minder in het heden. De ouderen hebben dus meer mogelijkheden en noodzaak om terug te grijpen naar het verleden, zij hebben minder greep op de toekomst. Hier wordt dus duidelijk hoezeer onze grip op de toekomst belangrijk is voor ons levend zijn. Wij bezitten het verleden niet, het verleden bezit ons. In het licht van de toekomst zijn wij in staat dat verleden af te weren, maar de oudere heeft geen grote toekomst meer voor zich. De ouderdom is een narcistisch trauma. Zelfs als het heden precies beantwoordt aan mijn verwachtingen, kan het me niet geven wat ik verwacht: de volheid van het zijn waar de existentie uiteindelijk naar streeft. Het pour-soi is het niet. Roem is niets, alleen een vluchtige blik in de ogen van de ander. Het komt natuurlijk voor dat iemand trots terugkijkt op zijn verleden; vooral als het heden dat hij beleeft en de toekomst die hij voorziet hem teleurstellen. Dan gaat hij leunen op zijn herinneringen, zij worden zijn afweer of zelfs zijn wapen. Maar deze bij tijden opwellende trots zegt nog niet dat iemand echt blij is om alles wat geweest is. Het verleden bezit ons. We kennen het door wat het van ons heeft gemaakt.
p.280 – 289
Het praktisch inerte. Alles wat men gedaan heeft wordt overgenomen door het verleden, het neemt de vorm aan van het praktisch inerte. Dit praktische inerte is dat wat ik objectiveer, de uitkomst van mijn handelingen, waar ik van vervreemd en waar ik afstand van neem. Iedere mens realiseert door zijn praxis zijn objectivering in de wereld en vervreemdt daarvan. Het verleden is dat praktisch inerte: het bepaalt mij en ik ben ervan vervreemd. Het belang van het bezitten van het verleden is zijn bezit waaraan hij vaak meer waarde hecht dan aan zijn leven. Volwassen worden is een ander worden voor de anderen. Van dan af lijkt zijn vrij gekozen toekomst een noodlot dat hem wacht en het verleden ziet hij als een vervreemding. De projecten zijn versteend. Deze omschrijving geldt bijzonder voor de ouderdom: zij gaat onder nog zwaardere last gebukt dan de volwassenheid.
Onze tijdswaardering. Voor een kind duren de uren lang. Er zijn verschillende redenen waarom de tijdswaardering, in de loop van de ontwikkeling van de jeugd naar de ouderdom, verandert. Allereerst moeten we beseffen dat we ons hele leven achter ons hebben en dat het op elke leeftijd herleid wordt tot dezelfde omvang. De spontane indruk die wij van ons leven hebben vervaagt als wij ouder worden. De uren brengen ons weinig nieuws, onze gewoonten polijsten de tijd. Ook is het zo dat wij in onze jongere jaren tot onszelf komen en in onze oudere jaren dat al zijn. Als wij jong zijn dan is de eeuwigheid onze bestemming. De snelheid van het leven is de hel, het is de versnelling van de val. Die helse snelheid, en dat is het paradoxale, behoedt de oude mens niet altijd voor verveling, integendeel: verveling ervaring we op iedere leeftijd, maar gezien in de toekomst, in zijn zuivere vorm, verstrijkt de tijd voor de oude mens duizelingwekkend snel. De oude mens heeft zijn eindigheid ontdekt.
De dubbele eindigheid. De menselijke werkelijkheid is getekend door een dubbele eindigheid. Aan de ene kant kent het bestaan een einde en dat einde komt van buitenaf, dit is toevallig en komt voort uit de feitelijkheid. Aan de andere kant is er de ontologische structuur van het pour-soi, dit betekent het eind van onze projecten. Op het eind van het leven komen de beide eindigheden aan het licht, en wel de een door de ander. Zelfs de onsterfelijkheid zou die eindigheid niet doorbreken. Daarbij citeert DeB. Sartre: ‘Als ik me maak, maak ik me eindig’. We hebben dan een gestold heden, geen nieuwe projecten. Zo ondergaat de toekomst van de volwassenheid tot de ouderdom een kwalitatieve verandering. Een begrensde toekomst, een gestold verleden, dat is de situatie waar de bejaarden voor staan. In veel gevallen verlamt dit hun activiteit. Als middel om de beklemming te ontsluiten kun je teruggaan naar de laatste bronnen, de kunst en de poëzie. Maar DeB. geeft wel aan dat het zonde is om ze als surrogaat te gebruiken om de ouderdom te verzachten. De oudere kan ook proberen te denken dat er nog belangen veiliggesteld moeten worden, dingen afgerond moeten worden. Dan voert de oude mens een angstig verbeten strijd tegen de klok die hem geen moment rust gunt.
Het voortleven in de toekomst. Onze plannen kunnen gericht zijn op een doel na onze dood. In herhalende samenlevingen, samenlevingen waar de geschiedenis langzaam voortschrijdt, beschikt de mens niet alleen over zijn persoonlijke toekomst, maar ook over die van de wereld, want hij mag hopen dat de vruchten van zijn werk daarin blijven voortbestaan. Als voor de hand liggend voorbeeld hiervan noemt DeB. de familieonderneming, waarin de vader hoopt op voortzetting van de ondermening door zijn zoon. Zo hoeft hij niet ‘op de grens te stoten. Op dit soort eeuwigheid kan de oude mens in onze samenleving niet meer rekenen: de beweging van de geschiedenis is versneld. De oude mens verdwijnt in het niets. In plaats van de oude mens als remedie tegen zijn biologisch lot een toekomst na de dood te geven, wijst onze samenleving hem nog bij zijn leven terug naar een overleefd verleden.
De ervaring. Vroeger dacht men dat men zich een schat zou verzamelen: de ervaring. De hegeliaanse wijsbegeerte geeft van deze gedachte een rationele verklaring: ieder moment dat voorbij gaat wordt opgenomen in het moment van nu dat noodzakelijk uitloopt op een weer rijker toekomst en zelfs mislukkingen blijken ten slotte vruchtbaar. De ouderdom zou hierbij het volmaakte hoogtepunt van het leven vormen. Maar in werkelijkheid verloopt het leven anders. In de lijn van Sartre stelt DeB. hier: ieder ogenblik vormt ons leven een totaal maar de totalisatie is nooit af. De levenslijn wordt voordurend onderbroken door de terugval van onze projecten in het praktisch inerte. Het begrip ervaring is bruikbaar in zoverre het verwijst naar een praktisch leerproces.
Wat ouderen op de jongeren voor hebben. Op verschillende gebieden – wijsbegeerte, ideologie, politiek – kan de oude mens komen tot een synthetische visie die voor jongeren onbereikbaar is. Ook is er één ervaring die de jongeren niet kunnen hebben: de ervaring van het ouder zijn. Je moet lang geleefd hebben om je een juist beeld te vormen van de menselijke situatie, om een realistische verwachting te kunnen hebben van de manier waarop dingen gebeuren.
Onze leeftijd in de samenleving. Toch is leeftijd alleen in herhalende of althans statische samenlevingen een voordeel. In een stilstaande wereld heeft een oude mens die werkt aan zijn ontwikkeling altijd een voorsprong op degenen die later gestart zijn. In de veranderende wereld van vandaag ligt dit heel anders. Het individuele ontwikkelingsproces heeft plaats binnen een sociaal ontwikkelingsproces en deze twee vallen niet samen, deze zijn ontkoppeld en dat betekent een nadeel voor de oude mens die noodzakelijk achterligt op zijn tijd. Hij vordert maar langzaam.
De mensheid is niet monolithisch; de nieuwe generaties staan vrij tegenover het verleden dat drukt op de oude generaties, zij nemen de fakkel over tot zij op hun beurt bezwijken onder de last van het praktisch inerte en worden ingehaald door de jeugd. Daardoor raakt op het gebied van kennis de oudere per se achter. Eerst nog raken de ouderen achter in zoverre zij invloed willen uitoefenen op de evolutie van de samenleving, maar zij genieten als gebruiker wel van de technische vooruitgang. De vooruitgang van de wereld is hun persoonlijke trots. Zolang hun verleden, hun belangen en hun activiteit niet in het geding zijn, is er geen tegenstelling die hen scheidt van de andere mensen. Ze vinden de vooruitgang iets moois waar ze uit de verte naar kijken zonder zich bedreigd te voelen. Maar de oudere is gedoemd tot de ondergang.
De sociologische tijd. DeB. spreekt hier over de boeren, arbeiders en ambachtslieden, omdat die door de ontwikkeling van handel en industrie ten dode zijn opgeschreven. Een bekende reactie is dat zij het niet kunnen aanvaarden dat alle tradities waarvan zij hebben geleefd hebben afgedaan. Hij vreet zich op. Hier zien we de samenhang tussen de biologische en sociale tijd. De korte toekomst en het gewicht van het eigen verleden maken iedere oplossing onmogelijk. De werkelijkheid waarin de oudere zich objectiveerde veranderd nu met de sociologische tijd en er bleef van hemzelf niets over: een ongestorven dode.
Er zijn veel activiteiten die als zodanig niet door de voortschrijdende tijd worden aangetast, maar de mensen die ze uitoefenen worden alsnog wel slachtoffer van de tijd. Zo zijn artsen, advocaten en alle anderen in vrije beroepen ook niet veilig. Als zij ouder worden gaat de samenleving ervan uit dat zij niet meer in staat zijn om op de hoogte te blijven van de laatste ontwikkelingen. Men laat hen vallen, door een negatief vooroordeel. Er is een breuk in hun leven, dat wisten ze tevoren maar toch hebben ze vaak moeite hun plaats te vinden en te verbitteren. Vaak gaan zij de kunst die ze niet meer beoefenen onderrichten. Zo blijven door de vorderingen van hun leerlingen toch een zijn transcendentie, om zichzelf te kunnen transcenderen. Andere trekken zich, noodgedwongen of uit vrije keus helemaal terug.
p.286 – 307
Als de ouderen biologisch weerstand bieden aan de tijd, hebben ze van de sociale verandering niets te duchten, want het enige dat men van hen vraagt is dat ze zichzelf gelijk blijven. Dit is voor degene die intellectueel werk verrichten gewoonlijk het geval, zij hebben niet zoveel last van hun lichamelijke achteruitgang. Een aantal van hen heeft een bijzondere verhouding met de samenleving, zij zijn de scheppende denkers. Om dit concreter te bekijken beschouwt DeB. het noodzakelijk om hier vervolgens het onderscheid tussen de geleerden & de filosofen en de kunstenaars: schrijvers, musici & schrijvers te bespreken. Hier komt ook veel van haar persoonlijke visie over schrijven, de filosofie en haar eigen werk naar voren.
De Geleerden. Het object van de studie is het universele, gevat in symbolen en abstracte begrippen. Dit betekent dat hij het universele in zichzelf binnen haalt. Hij onderdrukt zijn subjectiviteit om te denken volgens een voor allen geldend rationeel systeem. Toen de geleerde begon keek hij naar deze erfenis van zijn voorgangers en volgde zijn eigen verbeelding en nam zijn eigen beslissingen. Meestal blijft de geleerde de man van dat ogenblik, van dat nieuwe idee. Het verouderingsproces van geleerden is niet biologisch van aard. En toch doen de oudere geleerden over het algemeen geen grote ontdekkingen meer. Dat komt omdat zij niet meer instaat zijn om met de frisse blik van de jongere geleerden te kijken. De wetenschap als keten van weerleggingen die telkens herzieningen vergt, vraagt een sterke gedrevenheid en een grote soepelheid om de eenmaal verworven kennis tot de grond toe af te kunnen breken. De verdere uitbouw van de wetenschap zou weer een nieuwe doorbraak vergen, een nieuwe jonge wetenschapper. Het praktisch inerte houdt de oude geleerde vast, zijn eerdere ontdekkingen maken dat hij niet meer kan switchen naar andere gezichtspunten. Hij heeft last van bepaalde denkgewoonten en ideologische belangen. Hij wil die wel verbeteren en verrijken, maar niet herroepen, wat in een bepaald stadium nodig kan zijn voor de vooruitgang. De hardnekkigheid waarmee de geleerde zich vroeger heeft vastgebeten maakt het onmogelijk het eigen werk te herzien in het licht van nieuwe gegevens, er de fouten in te ontdekken en die te verbeteren.
Bepaalde gedachten zijn de geleerde zo vertrouwd dat hij ze niet ziet als evidenties en niet op het idee komt ze discutabel te stellen; en toch zou hij er zich van los moeten maken om verder te komen. Om zijn verouderde ideeën te verdedigen, aarzelt de geleerde vaak niet, de vooruitgang van de wetenschap te hinderen, en zijn prestige geeft hem daartoe de mogelijkheid.
De Filosoof. De filosoof wil de verhouding kennen tussen de wereld en de mens gezien als subject. Hij is tegelijkertijd voor en tegen de wetenschap: hij aanvaardt haar in zoverre ze een product is van de mens, maar weigert haar te zien als weergave van een in zichzelf bestaande werkelijkheid. Maar de filosoof is zelf een mens: wat hij te zeggen heeft, dat is hijzelf, in zijn universaliteit. Om te filosoferen heeft hij dus niemand nodig en hij is aan niemand verantwoording schuldig. Aan de oorsprong ligt inderdaad wat Bergson noemde de ‘filosofische intuïtie’ – de filosofie als bezigheid die vertrekt uit een oorspronkelijke intuïtie is een vorm van reflectie, een vorm die anders dan de rede in contact staat met de continuïteit van het bestaan. Meestal wordt zijn denken met de jaren rijker. De beginintuïtie ligt meestal in de jeugd of de volwassenheid. Er is tijd nodig om het filosofisch begrip te ontwikkelen, dat is een onuitputtelijk programma. De filosoof kan tot op hoge leeftijd zijn eigen systeem blijven verrijken, maar hij kan zich er niet van losmaken en een heel nieuw systeem bedenken. Tegenstrijdigheden kun je alleen aan het licht brengen binnen een systeem. Net als de geleerde is hij ten dele vervreemd door ideologische belangen. Als hij zijn vroegere gedachten voorbijstreeft is dit een poging om ze te redden: hij zou het niet verdragen als ze gediskwalificeerd worden. Bovendien heeft ook hij zijn denkgewoonten: een manier van denken die hem zo eigen is dat ze hem noodzakelijk lijkt, veronderstellingen die zozeer in hem verankerd zijn dat hij ze niet onderscheidt van waarheden.
De Schrijver. In het algemeen is hoge leeftijd niet bevorderlijk voor literaire schepping. Veel oude schrijvers blijven doorwerken uit gewoonte, voor hun levensonderhoud of om niet te hoeven erkennen dat ze oud worden. Wat wil een schrijver en wat is er nodig om dat doel te bereiken? Hij probeert mee te delen wat niet gekend kan worden: de geleefde zin van zijn zijn in de wereld. Hij geeft deze door via het singulier universele in zijn werk. Het universele wordt alleen singulier, het werk krijgt alleen een literaire dimensie, als de aanwezigheid van de auteur merkbaar is in stijl en toon, in de kunst die zijn kenmerk draagt. Zo niet, dan hebben we een document, dat de werkelijkheid weergeeft in haar onpersoonlijke objectiviteit, op het niveau van externe kennis en niet innerlijk doorleefd door een subject. De schrijver geeft vorm door het singuliere te overstijgen naar het universele, toe-eigening van het universele. En dit doet hij via de verbeelding, het imaginaire. Hij bouwt zichzelf een imaginair bestaan. De oorspronkelijke keuze van het imaginaire bepaalt zijn roeping: die keuze kan bij verschillende individuen anders gemotiveerd zijn, maar zij ligt aan de wortel van ieder literair werk. Dit werk is de verstoffelijking van een irreële wereld. Een irreële wereld die alleen vaste vorm kan aannemen en alleen de overdracht van ervaring mogelijk kan maken, omdat ze de projectie is van de werkelijkheid in een andere dimensie. Schrijven is dus een samengestelde activiteit: het is tegelijk voorkeur voor het imaginaire en wil tot meedelen. Maar wie wil meedelen moet zich wel interesseren voor de ander: al wordt de verhouding van de schrijver tot de wereld gekenmerkt door vijandigheid en minachting, toch wil hij door haar erkend worden.
Schrijven impliceert dus een spanning tussen afwijzing van de wereld waarin de mensen leven en een zekere toenadering tot de mensen; de schrijver is met hen en tegelijk tegen hen. Die houding is moeilijk: zij veronderstelt sterke passies en om lang stand te houden eist ze ook kracht. Ouderdom verzwakt de kracht en dooft de passies. De loomheid hindert de oude schrijver, omdat hij inspiratie nodig heeft, iets dat de jongeren meer hebben. Als je oud wordt ben je bang dat je alleen nog te herhalen. Het gevaar voor de herhaling komt ten dele voort uit het feit dat de schrijver is vervreemd door ideologische belangen. Hij heeft bepaalde waarden verdedigd, bepaalde ideeën veroordeeld, een bepaalde positie gekozen: dat geeft hij niet meer prijs. Het is niet uitgesloten dat een schrijver zijn verleden trouw blijft en zich toch vernieuwt. Het is namelijk mogelijk dat hij zijn vrijheid stelt boven zijn belangen, zoals het bij DeB. zelf is gegaan. Ze weigert zich te laten vervreemden door een bij anderen gevestigd beeld van zichzelf.
In een zekere zin is de schrijver al geprogrammeerd door zijn kinderjaren: dan wordt iemand wat hij in wezen voor altijd zal blijven, dan projecteert hij zich in de dingen die hij wil doen. Het werk van de schrijver is in ieder geval getekend door de eindigheid. De oude mens beseft dit en dat ontneemt hem vaak de moed door te zetten in de tijd die hem nog rest. Het zwijgen van sommige oude schrijvers heeft nog een andere reden. Hun roeping komt voor uit de tegenstrijdigheden in hun leven. Deze schrijven zij uit in hun werk en zo verzoenen deze tegenstrijdigheden. Oud geworden zijn ze daar dan mee klaar.
De Romanschrijver. Het literaire genre dat de oude mens het minste ligt is de roman. Als we niet meer leven naar de toekomst, gelooft DeB. met Mauriac dat het moeilijk is die toekomst te herscheppen in een romanfiguur: het menselijke avontuur in hem en in onszelf is niet meer boeiend genoeg. Daarom ziet ze de verhouding tussen de romanschrijver en het verleden ook anders. Het werk dat zij als romanschrijfster schrijft is afhankelijk van zijn verre bron en van het moment nu. Verhalend werk eist, meer dan ieder ander genre dat het gegeven verpulverd wordt ten behoeve van een irreële wereld. Actuele gebeurtenissen zijn voor haar een hulp en uitgangspunt: ze moet ze achter zich laten en slaagt hierin alleen als zij put uit het diepste van zichzelf. Maar dan vindt de romanschrijver zijn oude thema’s en obsessies terug en loopt hij de kans om in de herhaling te vervallen.
Musici. Musici worden gewoonlijk met de jaren beter. De musicus moet zelf eerst zijn eigenheid wegdrukken door de universaliteit van de techniek waarvan hij zich bedient. Hij moet groot vertrouwen hebben in zichzelf, hij moet dus al kunnen terugzien op een oeuvre om verder te durven gaan dan vernieuwing binnen gestelde regels, om zich tot op zekere hoogte vrij te maken van die regels. Hij heeft dus ook een lange leertijd nodig, alvorens hij zijn originaliteit kan tonen.
Schilders. Schilders hebben tijd nodig om hun moeilijke vak te leren en vaak maken zij op hoge leeftijd hun beste werken. De last van het verleden en de korte toekomst hindert schrijvers minder, hun werk bestaat uit een reeks afzonderlijke schilderijen, steeds beginnen zij opnieuw – het is een reeks beginpunten. Een schilderij vraagt minder tijd en als zij er dus aan beginnen kunnen zij het vrijwel zeker afmaken. Nog een groot voordeel is voor hen dat zij zich niet met de eigen substantie voeden. Ze kunnen leven in het heden en niet in het geprolongeerde verleden. Zijn tekeningen worden steeds gewaagdere schetsen. Dat verklaart de ongewone jeugdigheid van zijn laatste doeken.
Intellectuelen vs. Kunstenaars. De intellectuelen en de kunstenaars beseffen dat hun toekomst kort is en dat de geschiedenis die hen gevangen houdt onontkoombaar uniek is. Twee factoren zijn bepalend voor hun situatie: de breedheid van het oorspronkelijk project en het meer of minder verlammende gewicht van het verleden. Ouderdom betekent voor de geleerde bijna onvermijdelijk verstarring en steriliteit. Kunstenaars daarentegen hebben vaak het gevoel dat hun werk nog niet af is, dat ze het nog kunnen verrijken en dat ze tijd te kort komen. Vaak ontstaat er dan een evenwicht: er zijn nog dingen te doen maar de tijd wordt geen slavendrijver. Sommige wringen zich tevergeefs door allerlei bochten. En sommigen zetten de strijd voort, de heldhaftigen. Het is heldhaftig blij te zijn om vooruitgang die weldra door de dood zal worden onderbroken, door te zetten en te proberen zichzelf te overtreffen, al kent en aanvaardt men zijn eindigheid. Niets is pijnlijker aan het eind van een scheppend leven dan zelf die twijfel geuit door de jonge criticus over te nemen. Maar wie jong is stelt gewoonlijk, al is hij niet tevreden over zichzelf, zijn hoop op de toekomst die voor hem openligt. Wie oud is en dan de zwakheden in zijn werk ontdekt komt tot het pijnlijke besef dat hij niet meer in staat is het werk ingrijpend te veranderen. Het nageslacht kan gezien worden als een schuilplaats tegen de dood, een belofte van overleving. Het werk zal blijven voor de komende generaties, maar zelfs gesteld dat zij het ontcijferen, kan het werk in ieder geval niet meer dezelfde betekenis hebben voor tijdgenoten en voor toekomstige eeuwen. Wij weten dat onze samenleving midden in een evolutieproces zit, wij koesteren dan ook niet meer deze illusie. Zelfs in de onmiddellijke toekomst loopt een werk gevaar en dat beangstigt ons temeer naarmate we meer overtuigd zijn van zijn waarde. Allereerst kan het door uiterlijke omstandigheden teniet gedaan worden, maar het kan ook verminkt worden. Wie ijdel is vreest niet zozeer de toekomst van zijn werk als van zijn roem. Wordt hij miskend dan beroept hij zich graag op de mensen van morgen. Maar hoe dan ook er is niemand die over zijn postuum lot beschikt: dit niet-weten alleen is zeker en maakt iedere veronderstelling zinloos.
p.307 – 324
De Politicus. Tenslotte bespreekt DeB. hier de ouderdom van enkele politici. De politicus probeerde de geschiedenis bij te houden, wilde meer in de werkelijkheid zijn, maar bleef de man van een andere tijd. Of hij probeerde persoonlijke macht te hebben of voelde zich geroepen om de macht te grijpen, maar in ieder geval is de politicus meer dan de intellectueel afhankelijk van anderen.
Een ieder is niet in staat om het oneindige te bevatten, maar ook niet om de eindigheid zonder meer te accepteren. Zonder de hoop van de jeugd zou de ouderdom zien naderen onverdraaglijk zijn. Maar een ieders verwachtingen worden ook teleurgesteld. Ouderdom is de teleurstelling, want het politieke leven loopt uit op een mislukking, omdat dat leven een tijdsgeest belichaamt en dat is tijdelijk.
Heeft een oud mens zelf bijgedragen tot de ontwikkeling van gebeurtenissen die hij betreurt, dan komt dit harder aan dan bij jonge mensen. De jonge mens zal zich niet verliezen in nutteloos klagen maar proberen de ontwikkeling ongedaan te maken; de oude mens heeft zo weinig tijd dat hij niet meer durft hopen dat hij het verloop van de gebeurtenissen nog kan keren. De oudere is altijd geneigd zich te scharen bij de conservatieven. Zij ontkomen moeilijk aan het verleden dat hen heeft gevormd; vanuit het verleden zien ze het heden en begrijpen het slecht. Hij heeft niet de mogelijkheden en de tijd om zich aan het nieuwe aan te passen en hun belangen weerhouden hen zelfs het te proberen. Ook de politieke activiteit van de oude mens gaat, net als zijn beroepsbezigheid, gebukt onder de last van het verleden. Vaak kan hij een tijd die te ver van zijn eigen jeugd ligt niet begrijpen. Hij heeft er niet de intellectuele middelen voor. Hij is gevormd door zijn leven. Omdat de politicus meestal eerzuchtig is kan hij zijn afgang moeilijk verwerken. Voor de politicus betekent dit dat zijn geloof in de mensen dood is. Heel zijn werk, al zijn strijd, de zin van zijn leven steunde op het vertrouwen in zijn medemensen: toen dat verloren ging vond hij nergens nog een steunpunt, hij kon niet anders dan opgeven en verlangen naar het niets, naar de dood.
Het afwijzen van iedere zelfkritiek vinden we bij bijna alle oude mensen en ze is begrijpelijk. Omdat, zoals Hegel zegt, iedere waarheid is geworden, kan men vroegere dwalingen aanvaarden als een noodzakelijke tussenfase: maar hiertoe besluit men alleen als er hoop is op verdere ontwikkeling en verrijking. Is de toekomst versperd, dan is het normaal – hoewel niet noodzakelijk – dat men zich koppig blijft richten op het verleden en weigert zijn visie op het verleden te veranderen.
Er zijn veel factoren in de ouderdom van de politicus: het verleden van de man in kwestie, zijn gezondheid, de invloed van gebeurtenissen, de tegenstromingen van de geschiedenis. Dit laat DeB. vervolgens zien in haar bespreking van het leven van Clemenceau, Churchill en Ghandi. Het is niet toevallig dat de ouderdom van deze drie mannen uitliep op mislukking. De politicus is de man die de geschiedenis maakt en door de geschiedenis wordt afgemaakt. Hij belichaamt een bepaald moment van de geschiedenis en kan zich, wat hij ook doet, daar niet van los maken. Zelfs als hij zich aanpast aan de nieuwe gang van zaken, blijft hij in de ogen van het publiek de man van die bepaalde tactiek, die methode, dat besluit.
Er zijn oude mensen die de ogen sluiten en erin slagen niet te zien hoe de gebeurtenissen hen in het ongelijk stellen: dan blijkt dubbel duidelijk dat ze achter liggen. Omdat men hem de macht ontneemt en een andere lijn volgt, geeft de oude uitgerangeerde politicus af op het heden en voorspelt weinig goeds voor de onmiddellijke toekomst. Hoe dan ook, een actie is geen oeuvre: zij blijft niet in stoffelijke vorm bestaan maar kan alleen door de herinnering blijven voortleven. De herinnering is aan wat hij deed en aan zijn persoon. De meesten zijn hierop bijzonder gebrand. Ontzet uit hun ambt – soms zelfs tijdens hun ambtsperiode – schrijven ze memoires waarin ze zichzelf verdedigen en hun tegenstanders aanvallen; de historische warde van die memoires is meestal twijfelachtig. Zij bepleiten hun zaak bij toekomstige generaties tegen de huidige generatie die hun, zo menen ze, niet volledig recht deed.
p.324 – 332
De ouderen en de tijd. De verhouding van de oude mens tegenover de tijd waarin hij leeft ondergaat dus, een enkele uitzondering daargelaten, op bijna alle gebied een ingrijpende verandering. De tijd die de mens beschouwt als de zijne is de tijd waarin hij plannen bedenkt en uitvoert; maar er komt een moment dat die plannen om verschillende redenen, die we in het voorgaande bespraken, zich weer achter hem sluiten. Het heden behoort aan de jongere mensen. De oude mens, niet productief en niet efficiënt, ziet zichzelf als een overlevende. Dat is ook de reden waarom hij zich graag keert naar het verleden: dat is de tijd die hem toebehoorde, waarin hij zich zag als een volwaardig mens, een levende. Het leven is een keten van begrafenissen en oud worden betekent eenzaamheid. De oude mens heeft niet alleen de mensen van zijn generatie zien sterven, heel vaak heeft zijn wereld plaats gemaakt voor een andere. De bejaarde overleeft zichzelf en zijn tijd, stelt DeB. in de lijn van Balzac. De oudere heeft in de samenleving geen werkelijke invloed meer, maar wordt gerespecteerd.
De Dood. Het is een overlevende, maar in de ogen van de anderen is de bejaarde een ongestorven dode. Maar ziet hij zichzelf ook zo? De verhouding van de oude mens tot de dood is afhankelijk van de sociale omstandigheden. Toch heeft de dood ook een bovenhistorisch element: door ons lichaam te ontbinden vernietigd hij ons zijn in de wereld; zelfs wie in een andere wereld hoopt te herleven wordt door de dood aan deze wereld ontrukt. Vanaf de oudheid tot in onze dagen vertonen de getuigenissen over de houding van oude mensen tegenover de dood bepaalde vaste trekken. Die houding varieert met de leeftijd. De ontdekking van de dood ontstelt het kind. De jonge man verafschuwt de gedachte aan de dood, maar kan hem wat gemakkelijker dan anderen vrijwillig tegemoet treden. Neemt men zijn leven dan komt hij in opstand. De volwassene is verstandiger. Hij is vervreemd door belangen en om die belangen weigert hij te verdwijnen: wat zal er worden van zijn gezin, zijn bezit, zijn werk? Hij denkt weinig aan zijn einde want zijn bezigheden eisen hem op, maar hij vermijdt risico’s en let op zijn gezondheid. Voor de oudere mens is de dood geen abstract algemeen lot: het is een persoonlijke gebeurtenis die dichtbij is.
De dood kennen. Maar wat betekent in dit geval weten? De dood behoort tot de categorie waartoe wij ook de ouderdom rekenden en die Sartre de categorie van de “niet-realiseerbaren” noemt. Zoals dat irrealiseerbare, de ouderdom, op verschillende manieren kan worden verwerkt, zo ligt ook de houding tot dat andere irrealiseerbare, de dood, niet te voren vast. Soms neemt die weerzin met het verloop van de tijd af.
Verlangen naar de dood. Het evenwicht tussen onze lichamelijke situatie en onze angsten toont ons een paradoxaal feit; dat de dood minder angst inboezemt naarmate hij dichterbij komt, zoeken wij ook een andere verklaring te zoeken. Freud dacht dat met het klimmen der jaren het ‘doodsinstinct’ de overhand kreeg op het levensverlangen. De gedachte dat de dood dichterbij komt is fout: hij is niet. Het moment waarop de dood toeslaat staat niet vast. Het is niet juist te spreken over een houding tegenover de dood: in feite heeft de oude mens – als ieder mens – alleen een houding tegenover het leven. Waar het om gaat is zijn wil om te blijven leven.
De ouderdom brengt twee soorten pijn met zich mee: de lichamelijke pijn en het overleven van diegenen waarvan men houdt, verdriet. Daardoor kan men verlangen naar de dood. Verlangen naar de dood of de dood aanvaarden betekent, positief gezegd: verlangen of aanvaarden uit het leven te stappen. Maar vooral heeft de oude mens meestal zijn bestaansredenen verloren of ontdekt dat hij er geen heeft, en dit geldt ook als geen bijzonder ongeluk hem treft. Als de dood ons verontrust is het omdat hij de onvermijdelijke keerzijde vormt van onze plannen: als we niet meer handelen, niets meer ondernemen is er niets meer dat de dood kan afbreken. Men probeert de gelatenheid van sommige bejaarden tegenover de dood wel te verklaren uit slijtage en vermoeidheid; maar als de mens volstaan kon met te vegeteren, zou hij tevreden kunnen zijn met dit vertraagde leven. Maar existeren is voor hem: zichzelf transcenderen. En de lichamelijke aftakeling maakt het onmogelijk zichzelf te overstijgen, voor iets warm te lopen, zij doodt ieder plan en zo maakt zij de dood aanvaardbaar.
Om een iets andere reden vindt DeB. zelf de dood niet meer zo ontmoedigend als vroeger: dood zijn is weg zijn uit de wereld en daar had ze moeite mee. Maar nu is er al zoveel afwezig dat haar verleden afwezig is. Als alles in afwezigheid verdwijnt, maakt dat niet veel verschil. Er zijn bejaarden die vergaan van angst voor de dood.
Uit klinische gegevens blijkt dat angst voor de dood, net als andere neurosen, wortelt in de kinder- en jeugdjaren. Vaak gaat ze samen met schuldgevoelens: is iemand gelovig dan denkt hij naar de hel te gaan. Afgaande op de gegevens die DeB. verzamelde, concludeert ze dat vrees voor de dood meestal niet de keerzijde is van een grote liefde voor het leven. Dat angst voor de dood bij bejaarden eerder uitzondering is, wordt bevestigd door de manier waarop zij hun gezondheid verwaarlozen. Zoals we zagen, spelen ze met het vage onderscheid tussen ouderdom en ziekte; ze zouden dit niet cultiveren als ze voortdurend bang waren dood te gaan. Men schijnt de voorkeur te geven aan de dood boven lijden. Echter dit gevoel roept niet de gedachte aan de dood op, maar het toont eerder de dreigende absurditeit van de dood die duidelijk wordt als het heden er somber uitziet. De dood is geen object van zorg. De dood is iets heel anders. Omdat hij niet realiseerbaar is, zien we hem vaag en onduidelijk. Zijn onafwendbaarheid wordt van buiten begrepen. Was die dag dichtbij en duidelijk bepaald en niet ergens vaag in de verte, dan zou de houding van de oude mens zeker anders zijn. Veel oude mensen zijn bang en dat bang zijn is lichamelijk realiseren dat men niet wil sterven. Vaak wordt hun dood verzacht, doordat ze zijn uitgeput en niet beseffen wat hun overkomt. Toch wordt er ook bewust en vredig gestorven: als lichamelijk en geestelijk ieder levensverlangen gedoofd is, verkiest de oude mens de eeuwige slaap boven strijd of dagelijkse verveling. Het bewijs dat men in zijn ouderdom de dood niet ziet als het grootste kwaad, leveren de bejaarden die besluiten ‘uit het leven te stappen’. Gezien het leven dat de tegenwoordige maatschappij de meesten van hen biedt, is blijven leven een zinloze beproeving en het is begrijpelijk dat velen besluiten die te bekorten.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer