Sharon Hagenbeek is Watching You!

Der Rückgang in den Grund der Metaphysik – Heidegger

door

Voor Descartes was de metafysica de wortels van zijn boom van de filosofie.. Als metafysica de wortels is, wat is dan de grond waarin die wortels zich bevinden, aldus de vraag van Heidegger hier. De metafysica houdt zich bezig met het zijnde als zondanig. Dit moet dus in zicht gekomen zijn en hiervoor is het nodig dat er licht op valt, dat van het Zijn. De metafysica laat dit licht buiten beschouwing. Toch blijkt het zijnde pas in het schijnsel van het Zijn. Het Zijn doet het zijnde blijken, brengt dit te voorschijn uit zijn onverborgenheid, ont-bergt het. Dit is de waarheid van het Zijn die de metafysica mogelijk maakt en die de grond is van die metafysica.

Nu bereiden de wortels uit de grond de sappen voor de groei van de boom die de grond daarmee verlaat. Ook voor de filosofie als de stam van de boom verlaat de grond met behulp van de metafysica als de wortels. Echter als de filosofie de waarheid van het Zijn denkt, dan heeft zij de metafysica al verlaten. Ze komt over de metafysica heen en keert terug in haar grond. Komt het licht van het Zijn aldus in zicht, dan maakt dit denken van het Zijn misschien een opnieuw geraken in de metafysica en daarmee in het menszijn mogelijk.

Het Zijn is geen bedenksel, het roept het denken tot zich op. Sein und Zeit gaat al op deze oproept in en tracht het Zijn te benaderen. Niet om de metafysica op te ruimen, maar om ruimte te scheppen voor het gebeuren, waaraan het denken deel heeft en waarin het Zijn zich aan de denkende mens toont als het Zijn.

Zoals gezegd de metafysica handelt over het zijnde. Zij beschikt dan al over een voorstelling van het Zijn. Zelf echter staat zij daarbij verder niet stil. Onverborgen is voor haar het zijnde en daarin kondigt het Zijn zich aan. Het wezen der onverborgenheid echter, de waarheid van het Zijn (waarin principieel verborgenheid heerst), blijft buiten beschouwing. Metafysica heeft het weliswaar voortdurend over het Zijn, maar dat is een voorstelling die zij maakt van het zijnde. Dit leidt tot een verwarring van beide begrippen. Deze verwarring mag men op zichzelf als een behorend bij het Zijn beschouwen. De metafysica is zonder dat zij het doorheeft juist de barrière die ons met het Zijn scheidt.

Zijnsverlatenheid, waarvan men zich niet eens meer rekenschap geeft, kenmerkt de moderne mens. Angst bevangt dan ook hem, die het lot ervaart, het Zijn te denken. Hij zal, als hij dit lot in Angst doorstaat, in de eerste plaats de nood der zijnsvergetelheid welbewust moeten doormaken en deze in de verhouding van de mens tot het Zijn opnemen. Met de vraag ‘wat is metafysica?’ komt deze nood ter sprake en begint een wending van het denken — door het Zijn zelf op het Zijn die uit die nood bevrijdt gericht. De ware activiteit van de filosofie is dit denken. Reeds in Sein und Zeit wordt de bezinning op de hier aangestipte verhouding van de waarheid van het Zijn tot het wezen van de mens voorbereid. Daartoe was het noodzakelijk, het wezen van de mens te doordenken met het oog op de ervaring van die verhouding. Dasein als benaming voor de menselijke natuur onderstreept de beslissende behoefte van het wezen van de menselijke natuur. Het is zoeken in het Dasein, waar zich, in zijn openheid voor het Zijn, de waarheid van het Zijn voltrekt. In de sleutelzin uit Sein und Zeit ‘het wezen van het Dasein ligt in zijn existentie’ wordt dit open zijn van de mens voor de openheid van het Zijn aangestipt. Existentie duidt aan, wat de mens van al het overige zijnde onderscheidt. In de openheid van het Zijn, staat hij daarvoor (houdt haar zorgzaam open) en staat haar uit (verdraagt haar tot het uiterste, de dood). Deze samenhang van het existeren als staan-in — instaan-voor —uitstaan heet hier letterlijk ‘Inständigkeit’. Dat de mens existeert, maakt bewustheid mogelijk, waarin hij zich iets voorstelt.

De titel ‘Sein und Zeit’ geeft in de eerste plaats aan, waarop de analyse van de menselijke natuur gericht is, op het Zijn. Vervolgens duidt die titel met de Tijd de waarheid van het Zijn aan, en daarmee het Zijn zelf. Want op temporele wijze is reeds in het vroeg Griekse denken het Zijn opgevat als aanwezigheid, tegenwoordigheid. Zijn blijkt aldus binnen het gezichtsveld van de tijd. Tijd biedt ons uitzicht op de waarheid van het Zijn.
De overgang van het voorstellen van het zijnde in de metafysica naar het Zijnsdenken voltrekt zich vanuit het begrijpen van zin. Gemeenlijk bedoelt men daarmee, dat men zich rekenschap geeft van het zijnde in relatie tot de menselijke natuur. In het Zijnsdenken echter ontdekt men, hoe zulk waarlijk begrip uit de waarheid van het Zijn voortvloeit. De openheid van het Zijn en de ‘Inständigkeit’ van de mens zijn de voorwaarden voor de mogelijkheid om de zin van iets te begrijpen. De Zin van het Zijn zegt hetzelfde als waarheid van het Zijn.

Metafysica spreekt zich uit over het zijnde als zodanig. In zoverre is zij ontologie. Dan houdt zij zich bezig met het Zijn als de zijndheid van het zijnde als zodanig en in totaal. Tevens echter ontwikkelt de metafysica — bij haar wijze van vragen — de vraag naar het ‘hoogste zijnde’, met name sinds Aristoteles. Reeds in het vroeg Griekse denken wordt dit ‘hoogste zijnde’ uitgelegd als ‘goddelijk’. Zo is de metafysica onto-theo-logie. De wijze intussen waarop christelijke theologie zich van haar bedient, is problematisch genoeg, gezien Paulus’ oordeel over het Griekse denken. Metafysica legt zich onbewust neer bij de dubbelzinnigheid die haar eigen is als waarheid van het zijnde als zodanig en komt niet toe aan de waarheid van het Zijn, die in het zijnde, juist schuil gaat. Dat schuilgaan is de grond van de metafysica. Voor zover Sein und Zeit juist daarop gericht is, behelst het werk een ‘fundamentele ontologie’. Deze betiteling doet gemakkelijk vergeten, dat dit nu juist géén ontologie is in de hierboven ontwikkelde betekenis, namelijk geen leer van het zijnde. De fundamentele ontologie is immers gericht op het Zijn als transcendentie, als het niet-zijnde. Zodra ze echter tracht, dit voor te stellen, is het een zijnde en wordt de ‘fundamentele ontologie’ tot ontologie. Om die overgang van de metafysica naar het Zijnsdenken te leren voltrekken, moet men zich bezinnen op wat metafysica is. Het antwoord op die vraag in de Was ist Metaphysik? eindigt wederom in een vraag die ze als de grondvraag van de metafysica bestempelt. De formulering van deze vraag is ontleent aan Leibniz. De strekking van de vraag beantwoordt echter niet aan die herkomst. Deze strekking laat zich parafraseren in vragen die bij het bovenstaande aansluiten, uit de grond der metafysica naar die grond vragen en zo dat raadselachtige het Zijn van het zijnde benaderen. Van het einde uit, voltrekke men opnieuw de gedachtegang van Was ist Metaphysik?

Samenvattingen

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: