Deze tekst is een goede inleiding tot het denken van Rorty. Hij bevindt zich op de enkel kunstmatig duidelijk zichtbare grens van het relativisme en het pragmatisme.
Rorty heeft in zijn werk mede het verlangen naar objectiviteit onderzocht. Rorty zet objectiviteit tegenover het verlangen naar solidariteit, de wens om een bijdrage te leveren aan een (verzonnen of echte) gemeenschap. Beide zijn manieren om de zin van het leven in een ruimere context te plaatsen. Het verlangen naar objectiviteit is de wens van de mens om zichzelf in een directe relatie met de niet-menselijke werkelijkheid te plaatsen. Als men streeft naar objectiviteit probeert men dus afstand te nemen van zijn omgeving of de gemeenschap waarbinnen men zich bevindt. Deze afstand wordt gezocht vanwege het besef van de verscheidenheid van de menselijke culturen. Men heeft vrees voor de bekrompenheid van de eigen visie door het gebrek aan horizon (provincialisme).
Het verlangen naar objectiviteit is volgens Rorty historisch te herleiden. Zo ziet Rorty de sceptische en ironische toon van Socrates ontstaan uit de vrees voor het provicialisme. Deze toon wordt overwonnen met de antropologie van Plato. Bij Plato is namelijk het idee te vinden dat de mensheid één gemeenschappelijk doel kent, dat niet in één cultuur of groep besloten ligt. Deze Platoonse hoop gecombineerd met de socratische vervreemding maakt het beeld van de intellectueel als een mens die niet via een mening (van de eigen gemeenschap), maar op een meer directe wijze voeling heeft met het wezen der dingen. Bij Plato is deze intellectueel juist intellectueel omdat hij onderscheid kan maken tussen kennis & opinie en schijn & werkelijkheid. Dit idee blijft gevestigd en in de Verlichting is een goed voorbeeld hiervan te zien in de Newtoniaanse fysica. Newton als intellectueel stond in contact met de voor niet-intellectuele onbereikbare kennis.
Ook het liberale sociale denken doet een beroep op de objectiviteit. Sociale hervorming moet op basis van objectieve kennis van de menselijke natuur. Deze kennis moet dus bereikt worden buiten de eigen cultuur om. De droom van de liberale sociale denkers is dat de gemeenschap het natuurlijke en sociale overwint om daarmee solidariteit een universeel karakter te geven. Dat zou kunnen omdat de solidariteit geworteld zou zijn in een bovenhistorische menselijke natuur.
Nog steeds is er met het verlangen naar objectiviteit sprake van een zoektocht een fundering van de solidariteit. Rorty noemt dit het realisme. Hij erkent dat zij een metafysica met ruimte voor de relatie tussen de overtuiging en het object nodig hebben. Ook moeten zij aantonen dat er rechtvaardigingsprocedures voor overtuigingen bestaan die natuurlijke (en niet-lokale) geldigheid bezitten. Daarom hebben zij behoefte aan een kentheorie met ruimte voor rechtvaardiging die niet een sociale maar een natuurlijke basis heeft, met een oorsprong in de menselijke natuur zelf en welke mogelijk is op grond van een connectie tussen de menselijke natuur en de overige natuur.
Relativiteit of Pragmatisme?
Rorty maakt dus het onderscheid tussen solidariteit en objectiviteit. Beiden zijn manieren om de zin van het leven in een ruimere context te plaatsen, waarbij solidariteit de wens is om een bijdrage te leveren aan een (verzonnen of echte) gemeenschap en objectiviteit de wens is van de mens om zichzelf in een directe relatie met de niet-menselijke werkelijkheid te plaatsen. Deze objectiviteit komt overeen met de notie van zowel de subjectieve als de objectieve transcendentale deductie[1]. De objectivisten hebben een metafysica nodig met een ruimte voor de relatie tussen een overtuiging en het object (een zogeheten correspondentierelatie). Deze objectieve correspondentierelatie is onhaalbaar volgens Rorty, omdat daarvoor de menselijke geest als spiegel voor de werkelijkheid moet fungeren, terwijl de menselijke geest met diens overtuiging intern is aan dezelfde correspondentierelatie. De objectiviteit is dus onhaalbaar door de eigen theoretische incoherentie van de objectivisten.
Volgens Rorty is een etnocentrisch standpunt vereist tot de andere overtuigingen. Het etnocentrisme schrijft Rorty toe aan de pragmatisten. Zij zijn aanhangers van de solidariteit en sluiten zich bij William James aan dat de waarheid dat is wat goed voor ons is om te geloven. De pragmatisten geven geen uitsluitsel wat de correspondentierelatie betreft, maar dat is ook niet noodzakelijk. Dit alternatief van Rorty staat gelijk aan het eerder besproken relationele alternatief. De pragmatisten zien het begrip ‘waar’ als flexibel. Het subject kan iet als ‘waar’ beschouwen in diens cultuur, waarmee dus een relatie ontstaat tussen het begrip van het subject en de gemeenschap waarbinnen het object zijn plaats heeft.
Zowel de objectieve als de subjectieve transcendentale deductie wordt verworpen. Daarmee lijkt ook het idee van de eerste filosofie te worden verworpen door zowel Rorty als het relationisme. Gelijk met het relationisme ziet Rorty namelijk de gemeenschappelijke grond als noodzakelijk voor kennis. Tevens is die grond hetgeen waar Rorty en het relationisme in verschillen. Voor het relationisme is dit de causale wereld en voor Rorty is dit de cultuur waarin de meeste intersubjectieve overeenstemming mogelijk is en waarvoor geen causaliteit noodzakelijk is.
De door beide geboden alternatieven herbergen een verschil en een overeenkomst. Het relationisme heeft als alternatief een relationele kijk op de waarheid. De mogelijkheidsvoorwaarden voor ervaringskennis liggen noch alleen in het object, noch alleen in het subject. Deze is gelegen in de relatie tussen het object en het subject. Rorty’s pragmatisme heeft als alternatief de flexibiliteit van het begrip ‘waar’. Het subject kan iets als ‘waar’ beschouwen, in diens cultuur en waarheid, waarmee dus een relatie ontstaat tussen het begrip van het subject en de gemeenschap waarbinnen het object zijn plaats heeft. Bij beide is er geen sprake meer van een absolute, transhistorische en transculturele waarheid.
Prima Philosophia?
Rorty’s afwijzing van de objectiviteit kan gezien worden als een afwijzing van de eerste filosofie van Aristoteles, waardoor het relativisme zou dreigen. De afwijzing van objectiviteit zou het contact met de ‘ware’ werkelijkheid verbreken en tenslotte zou Rorty’s positie een onderliggend mens-, matschappij- of wereldbeeld vooronderstellen, welke de status zou krijgen van de eerste filosofie. Ook het eerder nog aan het pragmatisme gelijkgestelde relationisme zou een bepaalde visie op de werkelijkheid en de mens vooronderstellen: een soort semi-wetenschappelijk en semi-alledaags wereldbeeld dat gaat funderen als de eerste filosofie.
Realisme is volgens Rorty de opvatting dat de werkelijke rationaliteit leidt tot de waarheid, de overeenstemming van de waarheid en de werkelijkheid en het innerlijke wezen der dingen. Indien objectiviteit niet meer stand kan houden lijkt relativisme hetgeen wat dreigt te ontstaan in de nog staande opvatting van het pragmatisme. Het pragmatisme, zoals eerder aangegeven, is de opvatting dat waarheid is dat wat goed is voor ons om te geloven. Het verlangen naar objectiviteit is dan niet een ontsnappingspoging voor de beperkingen van de eigen gemeenschap, maar enkel een manier om zoveel mogelijk intersubjectieve overeenstemming te creëren.
Het pragmatisme van Rorty oogt het relativisme te herbergen, maar Rorty zelf wijst er al op dat dit genuanceerd moet worden. Het relativisme bevat drie definities, waarbij alleen de derde definitie van toepassing is op de pragmatisten.
Zo is iedere overtuiging voor het relativisme even goed als alle andere overtuigingen. Rorty geeft aan dat deze overtuiging zichzelf weerleggend is. Ook is het begrip ‘waar’ ambigu met evenveel rechtvaardigingsprocedures als betekenissen. Dit is volgens Rorty een overspannen denkwijze. Als derde definitie stelt Rorty: er kan buiten de beschrijving van bekende rechtvaardigingsprocedures om niets over waarheid en rationaliteit gezegd worden. Nadrukkelijk stelt Rorty dat een etnocentrische benadering van menselijke kennis en de mogelijkheid van die kennis, niet gelijk is aan een relativistische benadering.
Een andere objectie tegen de kritiek op de gangbare notie van de eerste filosofie, is te vinden bij de positie van Rorty en het relationisme. Deze zouden iets anders voorstellen als eerste filosofie. Het pragmatisme van Rorty draagt de opvatting dat er niet zoiets bestaat als een absolute en universele waarheid, deze opvatting bezit dus geen waarheidstheorie. De gangbare rechtvaardigingsprocedures van een groep mensen, samenleving of cultuur is bepalend voor de ‘waarheid’. Zo zijn voor de westerse samenleving de rechtvaardigingsprocedures van de Verlichting de ‘waarheid’. Hierin is ook een sterk fundament voor het verlangen naar objectiviteit te vinden. Bij het achterwege laten van de traditie van waarheid als een door rationaliteit vindbaar iets met een innerlijk wezen, zou er geen noodzaak meer zijn voor een metafysica als de eerste filosofie. Zoals eerder aangegeven is, is het zoeken naar de gemeenschappelijke grond voor de waarheid zoals die goed is voor ons om te geloven, op basis van ethiek, niet op basis van een metafysica of een kenleer. Deze ethiek is dan gebaseerd op een mens-, maatschappij- of wereldbeeld zoals de cultuur waarin dat beeld heerst. Echter, aangemerkt moet worden dat Rorty de gangbare notie van de eerste filosofie niet als afgedaan beschouwd. Het pragmatisme geeft namelijk geen uitsluitsel over de mogelijkheid van de eerste filosofie.
Ook het relationisme zou net als het hierboven besproken pragmatisme van Rorty, een wereldbeeld veronderstellen dat zou gaan fungeren als de eerste filosofie. Het relationisme deelt echter niet noodzakelijk een ethische wens en is dus niet geheel gelijk. Één van de basisvoorwaarden voor empirische kennis van het relationisme is causaliteit, waarbinnen de relatie tussen het subject en het object bekeken moet worden. Het onderzoek naar menselijke ervaringskennis is alleen mogelijk in die relatie, en niet binnen het subject of het object. Dit zou leiden tot een soort semi-wetenschappelijk en semi-alledaags wereldbeeld. Het wereldbeeld dat door het relationisme geschapen wordt, wordt dus helemaal niet naar voren geschoven als vervanger van de eerste filosofie. Het relationisme toont enkel aan dat de objectieve en subjectieve en transcendentale deductie niet juist zijn.
De objecties op de kritiek van de gangbare notie van de eerste filosofie, zoals hier genoemd zijn alle onjuist. De weerleggingen van deze objecties betekenen meer geldigheid voor de onmogelijkheid van de eerste filosofie in de moderne tijd.
Wat de eerste filosofie zou moeten inhouden, is gebleken een vraag die enkel te beantwoorden is in een historisch perspectief. De locatie van de eerste filosofie moge duidelijk zijn en deze is ook de enige vast te stellen voorwaarde van diens definitie. Het moet namelijk een basis zijn van de andere filosofieën en wetenschappen.
Het probleem is daarmee alleen niet opgelost. Het probleem heeft bij het geven van een definitie niet te maken met het aangeven van de grenzen van deze filosofie, maar met de ontwikkeling in het denken over deze filosofie. Vanaf Aristoteles was de metafysica als centrum van de filosofie het onderzoek naar het zijnde als zijnde. Bij Kant is de ommekeer naar een kenleer, welke vooraf behoort te gaan aan elke wetenschap, als volledig te beschouwen. Descartes werd duidelijk gekenmerkt door een dualistische opvatting, dat maakt hem tot een overgangsfiguur. Het doel van de eerste filosofie zou bij het volgen van deze drie opvattingen als volgt geformuleerd kunnen worden: het blootleggen van het wezen van de werkelijkheid of van het menselijk kenvermogen. Rorty heeft dit probleem in de huidige context weten te plaatsen, maar geeft aan de eerste filosofie niet uit te sluiten, al lijkt de gangbare notie van de eerste filosofie onmogelijk geworden.
[1] Bij de objectieve transcendentale deductie is het subject transcendentaal onbepaald en het object beschikt over een intelligente structuur die de voorwaarde voor kennis van het object is. Daar tegenover in de lijn van Kant staat de subjectieve transcendentale deductie waarbij het object transcendentaal onbepaald en het subject een kenvermogen dat de voorwaarde is voor kennis.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer