Sartre beschouwd in deze tekst het Marxisme, als de filosofie van die tijd, waarmee alle andere filosofie zich dient te verhouden. Als de filosofie een geheel van kennis moet zijn, dan moet het zich samen kunnen voegen met deze ‘visie van de wereld’. Er zijn momenten, zo waren er momenten voor voorgangers als Descares en Locke, Kant en Hegel, en nu is het moment van Marx. In deze drie momenten kon de filosofie niet voorbij hun denken; want zelfs tegen hun ideeën keren, is enkel een keren tegen door de aanwezigheid van die ideeën. Al de filosofen die denken dat ze aan hun filosofie voorbij zijn gegaan, zijn enkel vergaan in de filosofie van voor de aanwezigheid van hun ideeën. Als men inderdaad teruggrijpt naar de tijd voor hun aanwezigheid, dan zouden zij geen filosoof genoemd moeten worden. Sartre vindt het beter om ze dan idealisten te noemen.
Sartre beschouwd het existentialisme ook als een ideologie; het existentialistisch systeem is een parasiet op de rand van kennis die het eerst tegensprak maar waarmee het nu geïntegreerd wil worden. Kierkegaard telt amper mee in het systeem van kennis. Hij is geen filosoof, naar eigen zeggen. Het is de objectieve kennis die hij aanvalt. Het ongelukkige bewustzijn is voor hem niet daarin te bevatten. De bestaande mens kan niet gevoegd worden in een systeem der ideeën. Kierkegaard heeft gelijk volgens Sartre; verdriet, verlangen, nood, passie, pijn zijn alle brute realiteiten waaraan men niet voorbij kan gaan en welke men niet kan veranderen door kennis.
Maar in relatie tot Hegel (die wel meetelt in het huidige systeem) kenmerkt Kierkegaard een vooruitgang naar realisme, sinds hij staat voor het belang van de specifieke realiteit boven dat van denken, maar die realiteit kan niet gereduceerd worden tot denken. In die zin is Kierkegaards bestaan van de mens het werk van ons innerlijk leven en dit werk is directe opponent van de intellectuele kennis.
Nu, in deze fase van onze geschiedenis, zijn productieve krachten in het conflict gekomen met de relaties van productie. Creatief werk is vervreemd; men herkent zichzelf niet in zijn eigen product, en door zijn uitputtende arbeid lijkt het hem als vijandige kracht. Sinds deze vervreemding een resultaat is van dit conflict, en het dus een historische realiteit is, is het niet te reduceren tot een idee. Voor zover men zichzelf dient te bevrijden hiervan, is het niet genoeg dat het ‘bewustzijn zichzelf denkt’; er moet dan een materieel werk zijn en een revolutionaire praxis. Marx zegt eveneens dat de menselijke feiten niet reduceerbaar zijn tot kennis, er moet geleefd en geproduceerd worden. Marx heeft hier gelijk in plaats van Kierkegaard of Hegel, want net als Kierkegaard hecht hij het belang aan het menselijk gestaan, en samen met Hegel neemt hij de concrete mens in zijn objectieve realiteit. In deze omstandigheden kan het existentialisme als idealistisch protest tegen idealisme, natuurlijk niet zich nog voegen met Hegels denken.
Jaspers heeft niets gedaan behalve commentaar geven op zijn meester Kierkegaard. Jaspers originaliteit bestaat uit niets anders dan bepaalde thema’s in reliëf plaatsen door ze in hetzelfde perspectief te zien. Zo is het transcendente afwezig in zijn denken, terwijl dit denken er wel door belaagd wordt. Jaspers weigert zich in het Marximse te voegen als een individu dat zich bevindt in de geschiedenis van het Marxisme.
Om iets te begrijpen betekent dat men ervoor moet veranderen; men moet dan voorbij zichzelf gaan. Sartre begreep Capital en German Ideology van Marx; het heeft hem niet veranderd. Hij vond alles helder en duidelijk. Maar waarom blijft het existentialisme nog een autonoom gedachtegoed in plaats van dat het opgaat in het Marxisme?
Lukacs claimt een antwoord te geven op deze vraag in zijn boek Existentialism and Marxism, maar hij heeft daarbij gefaald door het simpele feit dat wij ervan overtuigd zijn dat op hetzelfde moment dat historisch materialisme de enige valide interpretatie van de geschiedenis oplevert, het existentialisme de enige concrete benadering van de realiteit blijft. Lukacs heeft dit niet zo beschreven. Vele werken onwetend met deze dualiteit. Dit komt omdat het marxisme onze wereld transformeert om ons vervolgens gestrand achter te laten. Het marxisme bevredigd onze verlangen om te begrijpen niet. Het heeft ons niets nieuws meer te leren, omdat het tot stilstand komt. Existentialisme is in staat om zichzelf te onderhouden, omdat het de menselijke realiteit bevestigd.
Marxisme en existentialisme streven hetzelfde object na. Het marxisme is nog jong en nog niet uitgeput. Het blijft de filosofie van onze tijd. We kunnen er niet aan voorbij, omdat we nog leven in de omstandigheden waar het zich tegen engageert. Zo gauw als er voor iedereen een realistische vrijheid voorbij dit productieve leven bestaat, zal het Marxisme zijn tijd hebben gehad. Een vrijheidsfilosofie zal dan haar plaats in nemen. Existentialisten zijn niet louter marxisten daar zij zich een taak zien opgelegd door het marxisme en het marxisme niet als concrete waarheden zien.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer