Sharon Hagenbeek is Watching You!

Inleiding Existentialism from Dostoevsky to Sartre – Walter Kaufman

door

W. Kaufmann, Existentialism from Dostoevsky to Sartre. Expanded edition (na 1975), New American Library of Plume Printing. Inleiding Kaufmann, p. 11- 51.

Inleiding
In dit werk probeert Kaufman een overzicht te geven van het existentialisme en daarbij tegelijkertijd de onduidelijkheid van dit begrip en van deze stroming weer te geven. Hij geeft zelf aan in zijn inleiding dat het existentialisme een doorgevoerd individualisme betreft, als men uitgaat van de filosofie van degene die existentialisten genoemd worden. Deze zijn niet zomaar te voegen in één gedachteschool of stroming. Sterker nog, Kaufman omschrijft zelfs het existentialisme als met in het hart bevattend een “refusal to belong to any school of thought, the repudiation of the adequacy of any body of beliefs whatever, and especially of systems, and a marked dissatisfaction with traditional philosophy as superficial, academic, and remote from life”.

Dostojevski
De filosofen die hij in dit overzichtswerk belicht bespreekt hij tevens stuk voor stuk in de inleiding. Hij toont in zijn inleiding het existentialisme van deze filosofen als een opbouwende lijn die begonnen is bij Dostojevski. Die kenmerkt zich als het begin van deze lijn, omdat voor hem de filosofie door de tijden heen het aardse van Socrates wel vasthield, maar het niet hernieuwd bekeek. De vragen die vanuit de dagelijkse beslommeringen aan de dag komen, werden niet weergegeven of geanalyseerd, totdat Dostojevski zijn Notes from the Underground schreef. Dostojevski geeft daarin een zelfoccupatie weer die het niet toelaat zich te voegen bij welk gedachtegoed of welke stroming dan ook. Hier is geen sprake van het klassieke individualisme, maar juist een niet Bijbels of romantisch individualisme dat geen geluk brengt en wel een groot goed is. Het romantische individualisme is zelfbedrog. Er blijft geen enkel mogelijkheid om het innerlijke leven van de mens romantisch in te vullen. De verdorven mens is niet te redden door een goede samenleving. De waardering van het geheel, de gemeenschap is een ontkenning van de echte waarden van het individualisme.
Kaufmann besluit zijn stuk over Dostojevski door te benadrukken dat hij hem geen existentialist vindt, maar dat het werk van Dostojevski “the best overture for existentialism ever written” is.

Kierkegaard
Dostojevski en Kierkegaard kende elkaars werk niet. Daarom is het beter om pas als tweede te spreken over Kierkegaard. Verschillend tussen beide is dat Kierkegaard ons een individu geeft, terwijl Dostojevski ons een wereld geeft waarin het individu zich verzet. Het bewustzijn bij Kierkegaard bevindt zich in een wereld van obstakels. Kierkegaard introduceert het individu als categorie in ons denken, in plaats van ons alleen het idee van een individu als geheel bewustzijn te hebben. De situatie waarin de mens zich bevindt vereist een beslissing. En met een ironische toon geeft Kierkegaard ons het mens dat zichzelf als een individu bedenkt. De zelf is essentieel verbonden met de mogelijkheden, de angst en de keuzes.

Nietzsche
Nietzsche lijkt in de existentialistische traditie te passen doordat hij zich ook afzet tegen het Christelijk denken en de eerdere filosofie. Hij zet zich ertegen af niet omdat hij het te rationeel beschouwd, maar hij beschouwd de Christelijke ideeën eerder als de aartsvijand van de reden. Geloven is volgens Nietzsche het niet willen weten wat de waarheid is.
Er lijkt iets meer nodig voor de definitie van het existentialisme dan alleen de afkeuring van elke stroming. Anders past elke filosoof er net zo goed in, naar gelang deze een afkeuring uitspreekt. Er is hoop, want veel van de existentialisten spreken over de dood, de keuzes, het mislukken en de angst (dread). De vooraanstaande existentialisten spreken er in ieder geval over. De daarbij behorende Sartre is de enige die zich ook nog daadwerkelijk existentialist noemt. Als we deze toevoeging aan de definitie van het existentialisme doen, dan hoort Nietzsche er niet meer bij. Kaufmann beschouwd het echter niet mogelijk om hem buiten de historische lijn van het existentialisme te halen, want zoals Kaufmann aangeeft: Nietzsche heeft een onuitwisbare invloed gehad op het werk van alle existentialisten na hem. Zo klinkt in het stuk The Myth of Sisyphus van Camus, opgenomen als slotstuk van dit boek, een verre echo van Nietzsche. En ook Sartre en Jaspers verwijzen naar Nietzsche. Nietzsche wordt daarmee het midden van het existentialisme.

Jaspers
Voor het eerst begint existentialisme te groeien. Door Jaspers wordt aangegeven dat de filosofie nooit beperkt zou moeten worden tot een academisch klimaat. Het existentialisme wordt een protest tegen het aan banden leggen van de bewegingen van de filosofie in het aardse leven. Filosofie moet die eerste vragen die het leven oproept blijven omarmen. Bij Kierkegaard was deze filosofie gevaarlijk, men moest zich richten tot het Christendom voor de antwoorden. En volgens Nietzsche zouden filosofen zichzelf teveel laten leiden door de wens om het moraal van de maatschappij te rechtvaardigen. Jaspers vindt deze kritieken niet belangrijk. Het gaat hem erom dat bij zowel Kierkegaard en Nietzsche sprake is van een uit hun existentie ontsprongen denken dat juist niet enkel academisch geïnspireerd is. Echte filosofie moet als bron hebben, het bestaan van de mens, opdat men tot dat ware bestaan kan komen. De inhoud van de theorie is daarbij secundair. Indien het helpt te transcenderen is het goed. Het gaat daarbij om de beweging van het denken, niet de inhoud.
De negatieve kant van Jaspers denken toont zich duidelijk. Het denken van Jaspers bevindt zich namelijk op de grens van oorspronkelijk zijn en reproduceren van filosofie. Hij gebruikt daarvoor het begrip: referieren. Japers gebruikt het voorbeeld van Kierkegaard en besluit dat deze unreferierbar is. Het is niet meer mogelijk Kierkegaards filosofie te beschrijven zonder dat dit samenvattend of parafraserend wordt.
In een vergelijking van Socrates met de door Jaspers aangehangen Kierkegaard worden drie problemen bij Jaspers duidelijk. Ten eerste, Socrates daagde de Atheners uit hun leven en manier van denken te moeten herzien en daarmee stond hij voor een nieuwe soort ethiek. En in zoverre hij zich met de filosofie bezighield gaf hij geen les. Hij gaf enkel repliek in een dialoog. De inhoud van de filosofie die volgde werd gegeven door zijn gespreksgenoten, niet door hemzelf. Daarnaast schreef Socrates zelf geen boek. Kierkegaard noemde zichzelf meester van ‘indirecte communicatie’, waarbij Socrates volgens de hierbovenstaande vergelijking gezien zou moeten worden als meester van ‘directe communicatie’. Door deze vergelijking is het dus niet mogelijk meer om te stellen dat Jaspers in zijn filosofie een filosoof als Socrates voorstaat.
Jaspers werk zelf – in meer dan twintig boeken – is als een soort lange monoloog, een serie lezingen als het ware, en dus niet vergelijkbaar met Socrates of Kierkegaard. En wat de inhoud betreft ontkomt hij er zelf ook niet aan om te referieren alvorens hij oordeelt. Jaspers zelf zal toegeven dat zijn werk van minder belang is en een buiging maakt voor de kennis van het psychisch leven en daar zelf maar weinig aan toevoegt, en dat dit zelfs één van zijn centrale punten is. Zijn werk bevat een eindeloze herhaling van hetzelfde. Het is een poging om het overdadige vertrouwen van de moderne mens in de hedendaagse wetenschap, weg te nemen.
Jaspers geeft aan dat Heidegger in Sein und Zeit de filosofie de verkeerde kant op leidt. Het leidt namelijk tot een conceptie van het zijn van de mens. Juist de uitspraken die zich dichtbij dat zijn bevinden, bevatten nimmer dat zijn. Blijer is Jaspers met het gewicht dat Heidegger verleend aan het concrete bestaan van de mens. Heidegger zelf vindt dat Jaspers continue transcenderen de mens weghoudt van dat wat er echt toedoet: het zijn van de mens. Beide hebben tenminste wel de afhoudende houding tegenover de wetenschap. Jaspers erkend wel het belang van de psychologie, net als andere existentialisten, zoals Nietzsche. Bij die laatste wordt het echter niet erkend door zowel Heidegger als Jaspers. Zijzelf grijpen hiervoor terug naar Kierkegaard. Diens psychologische inzichten gaan hand in hand met een afkeur voor de wetenschap en een zelfbedrog. Jaspers wil dat men de limieten van de wetenschap ziet. Hij beschouwd de psychologie als een filosofie die teveel als zelfstandig en gescheiden van de filosofie wordt gezien. Jaspers is niet anti-rationeel, hij beschouwd het rationele als subfilosofisch en de filosofie begint pas daar waar de ratio ons niet verder kan helpen. Jaspers zoekt in het werk van Nietzsche ook de contradictie. Nietzsches werk is daarom voor hem een eindeloos spel van reflectie.
Jaspers maakt Kierkegaards kering tegen Hegel compleet. Hegel poogde de filosofie tot het niveau van een wetenschap te krijgen. Door de inhoud van waarde te ontdoen en te bestempelen als secundair, wordt, in de woorden van Kierkegaard, waarheid een subjectief iets. Volgens Jaspers is de waarheid iets wat begint zu zweien, in een situatie met twee mensen, de filosofische praktijk van het leven. Uiteindelijk lijkt het erop dat Jaspers gestopt is met het continue zoeken naar de contradictie en zich heeft aangesloten bij Kierkegaard, in plaats van bij Nietzsche die niet stopt het zoeken van de contradictie.

Heidegger
Heidegger is uitgekomen bij de tegenovergestelde evaluatie. Zowel hij als Jaspers erkennen het belang van Nietzsche. Echter Heidegger neemt juist afstand van Kierkegaard en geeft meer aandacht aan Nietzsche. Alhoewel beiden hem als de laatste grote metafysicus van het Westen, komen ze tot verschillende conclusies over zijn werk. Zo blijft Jaspers erbij dat alle kennis interpretatie is. De procedure van het begrijpen van een tekst is gelijk aan al het begrijpen van het Zijn. Terwijl Heideggers filosofie van een poging het Zijn direct te begrijpen, meer en meer een poging is geworden om het Zijn te begrijpen door de interpretatie van geselecteerde teksten. Voor Jaspers is Heidegger daarmee meer een metafysicus dan een existentialist. Voor Heidegger is Jaspers niet sluitend over Nietzsche. Jaspers heeft als resultaat van zijn overdenking van Nietzsche, zijn Existenzphilosophie en Heidegger heeft als resultaat het voorbij de metafysica gaan.
Heidegger introduceert Nietzsche in de filosofie, in plaats van deze voornamelijk literair te beschouwen. Daarmee opent hij de discussies over onder andere de dood, wanhoop en angst. Dit zijn onderwerpen waar voor Heidegger geen academische discussies aan gewijd werden. De vraag is hoezeer Heidegger deze fenomenen zelf volledig behandelt. Hij beticht zowel aanhangers en critici ervan zijn Sein und Zeit verkeerd geïnterpreteerd te hebben. Hier heeft Kaufmann het over het post-script van What is Metaphysics?, welke hij bij deze tweede editie heeft toegevoegd aan het hoofdstuk van Heidegger. Ook heeft Heidegger dit aangeven in On Humanism.
Heidegger maakt meer analyses van de zelf dan een ander voorheen. Eveneens beschouwd Heidegger het noodzakelijk om alle filosofie vanaf het begin opnieuw te interpreteren. De meeste aanhangers is Heidegger dan ook kwijt geraakt bij deze latere werken. Er is dus een verdeling te maken in het werk van Heidegger, het eerdere en latere werk zijn beduidend verschillend. Heidegger claimt een nieuwe start te maken. Hij noemt zichzelf echter geen existentialist (wat Sartre wel doet). Heidegger is het niet eens met Sartre’s ‘spiritual personality’. Sartre gebruikt veel van de filosofie van Heidegger waar hij ook voor uitkomt. Echter hij geeft niet aan wat hij allemaal van Jaspers heeft geleerd, terwijl dit wel substantieel lijkt. Sartre wijst Jaspers zelfs onterecht als katholiek af.
Heidegger zet in zijn brief ‘On Humanism’ duidelijk uiteen waarom hij geen existentialist is. Heideggers grootste bezwaar tegen Sartres formule: existence precedes essence, is dat dit nog steeds een metafysische stelling is en daarmee komt het niet in de buurt van de waarheid van het Zijn. En zodoende kan Heidegger zich niet aansluiten bij het denken van Sartre die zichzelf existentialist noemt. Heidegger noemt zijn werk een fundamentele ontologie. En een ontologie is geen onderzoek naar de menselijke existentie, maar naar het zijn als Zijn. In Heideggers latere werk probeert hij iets nieuws te zeggen, iets dat Rilke noemt: unsäglich, het onzegbare. Heidegger zegt dus de grote ontdekking te doen, maar we kunnen het niet zien, het is een weg in het diepste van het zijn en elke weergave van die weg is een representatie en dus een stap terug. Daarmee behoort Heidegger wel bij de contemporaine draai tegen de representatie. Heidegger stelt voor om het representatieve denken te vervangen door das andenkende Denken, een denken dat herinnert of terugdenkt. We moeten proveren te herinneren en terug te halen, dat wat vergeten is: het Zijn, niet zijnden; niet de loutere objecten, maar dat waarvan we een deel zijn. Zijn methode is niet uitgaan van dat wat ons gezond verstand ons ingeeft, want die is vervreemd van de oorsprong van ons zijn, we moeten opnieuw geraken in de herinnering middels ongebruikelijk denken, zoals bijvoorbeeld de hymnen van Hölderlin. Heidegger claimt juist niet wetenschappelijk te zijn. Heidegger herinnert ons aan Nietzsche’s Zarathustra, beide gebruiken de literaire kwaliteiten om dichterbij het oorspronkelijke zijn te geraken.

Sartre
Hij wordt meer literair beschouwd dan de anderen die hier besproken zijn. Raar genoeg wordt over hem gesteld dat hij onacademisch is, terwijl dit juist niet iets is wat de existentialisten nastreven. Zijn werk kenmerkt zich door de eigen ervaring als basis te hebben en niet louter een effect van zijn denken te zijn. Zijn literaire werk is doorspekt met existentiële motieven, met een bewustzijn van het moraal, met de existentiële problemen van de periode en met veel psychologische observaties. Dit is niet vaak zo geëvenaard als sinds Notes from the Underground.
De filosofie van Sartres beginperiode zijn oefeningen in de fenomenologie van Husserl en hebben vaak de emoties als onderwerp. In de oorlog verkrijgt Sartre de ervaring die hij verwerkt in zijn magnus opus: Het Zijn en het Niet. Dat gaat over beslissingen, angst en dood in het leven. Vaak wordt hiervan gezegd dat het voornamelijk een overname van Heideggers denken is. En Heidegger behandelt ook dezelfde onderwerpen, maar vaker dan niet, worden deze onderwerpen bij Heidegger juist niet evident en passend in het denken van Husserls. We zijn ons bewust van de relaties tussen de woorden, maar het is veel minder duidelijk wat de connectie tussen de fenomenen die erdoor beschreven worden, is. Veel van Sartres abstracte denken over de thema’s van het existentialisme zijn meer realistisch, en dit ontbreekt juist in dezelfde analyses van Heidegger.
Sartre valt Freud aan om specifieke redenen. Zo is zijn houding tegenover de psychologie anders dan die van Jaspers en Heidegger. Die eerste beschouwd de psychologie van Freud als teveel eisend en Heidegger zegt niets met de psychologie te maken te hebben, zijn werk is volledig los ervan. Sartre zelf is niet bang voor de vermenging, sterker nog hij poneert zijn existentiële psychoanalyse als volwaardig opponent van Freuds psychoanalyse.
In meeste opzichten is Sartre dichter bij Nietzsche dan bij de Duitse existentialisten. Net als Nietzsche hanteert hij meerdere vormen van schrijven met allemaal één idee dat centraal staat, een nieuwe visie op leven en daaraan verbonden een nieuwe ervaring van het leven.
In zijn literaire werken is integriteit het hoogste goed van de mens en Sartre benadrukt dat dit onafhankelijk is van het sociale nut. Hiermee is weer een gelijkenis met Nietzsche die aangeeft dat de waarde van een mens niet ligt in zijn nuttigheid, want de waarde van een mens blijft ook bestaan als er niemand is waarvoor die mens nuttig kan zijn.
Opmerkelijk genoeg is de invloed van Heidegger op Sartre vaak benadrukt, terwijl de invloed van Nietzsche en Jaspers onvoldoende gewaardeerd is. Zelfs wanneer Sartre Heideggers denken gebruikt, voegt hij er ervaringskennis toe op dusdanige wijze dat het niet een simpel gebruiken meer is. Als voorbeeld: mauvaise foi, zelf-bedrog, de kwade trouw. Sartres interpretatie van Heidegger en Japsers is zelfs nuttig voor een daadwerkelijk begrip. Sartre geeft de praktijk weer, waar zij abstract over denken. Sartre bekleed zijn analyses met een bedrieglijke dialectiek: hij spreekt over het Niets zoals Heidegger doet en hij gebruikt ‘in-itself’ en ‘for-itself’ van Hegel.
Het is een van sartres grootste verdienste dat zijn stijl van denken niet is. Wat zelf-bedrog, de kwade trouw, mogelijk maakt is dat het pour-soi en het en-soi verschillen; een mens is niet een ober in de manier waarop hij 1,95 meter lang is. De crux is gesuggereerd door woorden als mogelijkheid, keuze en beslissing. Een ober zijn hangt af van een oneindig aantal nieuwe beslissingen. Men kan ervoor kiezen niet meer een ober te zijn, alsof het een hard feit is. Deze feitstelling is een afstand name van de eigen menselijkheid en verhuld dat dit eigenlijk een beslissing is. Dit heeft Sartre ook proberen weer te geven in Portrait of the Antisemite.
Na Sartres lezing Existentialism est un Humanism is het tegenwoordig is gemeengoed geworden dat existentialisme de doctrine existence precedes essence behelst. Ondanks dat Heidegger en Jaspers tegen deze definitie waren. Sartres definitie van het existentialisme roept een aantal goede kritiekpunten op, maar zelfs met deze kritiek blijft er nog genoeg over. De kritiek kan kort weergegeven worden in de volgende punten. Ten eerste schreef Sartre in een café en te veel over seks. Dit bezwaar is gemakkelijk te ontkrachten als men benadrukt dat Sartre kennis van de menselijke situatie nastreeft en niet van de academische. Ten tweede is een wijdverspreide aanname in de Verenigde Staten dat Sartre een gezworen atheïst is en daarmee geen filosoof. Deze visie op Sartre veranderd echter niet zijn punt. Sartre geeft aan dat we enkel het resultaat zijn van ons denken. Dit heeft een immense impact. Er is geen god die verantwoordelijk is voor de menselijke conditie. Er is geen enkel excuus, de mens is vrij en verantwoordelijk. De fundamentele wens van de mens is volgens Sartre om onze openheid en vrijheid te voegen met de ondoordringbaarheid van de dingen, om een staat van zijn te bereiken waarin het en-soi en het pour-soi een synthese zijn. Dit ideaal is God, aldus Sartre. De mens is een nutteloze passie. De menselijke situatie is absurd en tragisch. Welke keuze we ook maken, we kunnen niet ontsnappen aan de schuld. Seculier existentialisme is een tragische visie op de wereld, zonder pessimistisch te zijn. Zelfs in schuld en mislukken kan de mens nog zijn integriteit behouden en de wereld trotseren. Ten slotte kan als kritiek nog gevraagd worden aan niet alleen Sartre maar ook Heidegger en Jaspers: hebben zij zelf hun integriteit behouden met betrekking tot hun politieke gedrag? Alle hebben zij aangegeven dat existentialisme oprecht geleefd moet worden. Leven als een existentialist betekent bereid zijn om te betalen voor deze visie, niet alleen om de boeken neer te leggen. Heidegger was eerst een volgeling van de Nazi’s. Hij gaf aan het Nazisme snel ook weer de rug toe te hebben gekeerd, maar door de stilte die hij daarop liet volgen bleven vele niet overtuigd. Jaspers had een Joodse vrouw, en hield zich stil tijdens de oorlog om na de oorlog weer volop te spreken over schuld, angst en dood. Sartre vocht in het verzet tijdens de oorlog. Dat vergeet men vaak. Wat niet vergeten wordt is zijn beslissing om te vechten voor een gemeenschappelijke zaak met de Communistische Partij in Frankrijk. Sartres beslissing is echter verbazingwekkend, hij behaald er geen voordeel uit. Eruit volgt in ieder geval een bewijs dat filosofische uitmuntendheid niet altijd samengaat met een politieke overtuiging.

A Story With A Moral
De hier besproken filosofen zijn niet degene waarmee deze stroming volledig is. Zo is er nog Rilke, die een grote indruk achterliet bij Heidegger. En Kafka die juist spreekt over de absurditeit van de menselijke conditie. Het is mogelijk te beargumenteren dat Husserl ook aan deze stroming moet worden toegevoegd. Ook Camus is met zijn tragisch wereldbeeld passend in de stroming. Met de toevoeging van Rilke, Kafka en Camus kan de vraag gesteld worden of het existentialistische denk beter gedaan wordt in kunst en niet in filosofie. Of dit zo is of niet, het is in ieder geval een vraag die geen enkele student van het existentialisme kan ontwijken.
Ook zijn er nog meer religieuze existentialisten naast de al genoemde Kierkegaard. Om hun omissie hier te rechtvaardigen kunnen drie punten benoemd worden. Ten eerste is religie altijd een existentialisme geweest. Ten tweede heeft geen andere religieuze existentialist als Kierkegaard zo zijn stempel gezet. Ten derde in een antropologie kunnen zij wel aanwezig zijn. In een geschiedenis hebben zij geen onmisbaar belang gehad. Echter degene die het verhaal kennen zullen beter in staat zijn de religieuze existentialisten toe te laten.
Het moraal van de het verhaal van het existentialisme toont zich duidelijk. Het is een verhaal van protest en uitdaging. Allen van hen contrasteren een niet authentiek leven en authentiek leven. Een niet authentiek leven is oppervlakkig en triviaal. Één van de meest trieste elementen van onze eeuw is dat we tegenover een totale onnodige dichotomie staan, de academische rationele overtuiging van correct en rigide denken aan de ene kant en de existentialisten die over de interessante vragen nadenken aan de andere kant. Zich bewust van de fouten van de opponent gaan zij beide over tot extremen en de kloof wordt groter als gevolg. In hun midden laten ze als fout van de ander elk de traditionele filosofie achter. De existentialist en de analytische filosoof zijn beide de helft van een Socrates. Er zullen voor een toekomst van de filosofie als deze buiten de academische wereld ligt, filosofen moeten komen die hun benen in beide kampen durven te plaatsen.

Samenvattingen

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: