Inleiding Expose van de vraag naar de zin van zijn
Hoofdstuk 2 De tweeledige taak in de uitwerking van de zijnsvraag. Methode en opzet van onderzoek
In dit hoofdstuk geeft Heidegger zijn geplande indeling van zijn boek weer. Daarnaast zal hij alvast het een en ander toelichten, zodat zijn geplande uiteenzetting een logische volgorde heeft.
Paragraaf 5 De ontologische analytica van het erzijn als het openleggen van de horizon voor een interpretatie van de zin van het zijn zonder meer
Het erzijn is ons ontisch het meest nabij, maar ontologisch het verst weg. Het behoort tot erzijns eigen zijn hiervan besef te hebben en zich telkens op te houden binnen een bepaalde voorontologische uitleg van zijn zijn. Omdat die uitleg voorontologisch is, kunnen we haar niet zomaar gebruiken voor onze ontologie. In deze paragraaf kondigd Heidegger twee belangrijke onderzoeksobjecten aan die hij in Sein und Zeit gaat onderzoeken. Allereerst de doorsnee-alle-daagsheid, want daarin verstaat het erzijn het zijn al voorontologisch; dit betreft dus de voortdurende en primaire verhouding van het zijn van het erzijn tot de wereld, want binnen deze verhouding vindt dit plaats. Ten tweede het tijdsbegrip. Heidegger had in zijn inleiding reeds geduid op zijn doel, namelijk de tijd als horizon van ons zijnsverstaan. In deel 1, afdeling 2 zal Heidegger het alledaagse bestaan herinterpreteren op basis van de tijdelijkheid. Hij wijst er nu al op dat die tijdelijkheid de zin van erzijns zijn is (p.37). We zullen dan ook te lezen krijgen over de schaarse momenten waarin we geconfronteerd worden door onze eigen sterfelijkheid en dat we dan een kans hebben om authentieke keuzes te maken. Belangrijk is dat Heidegger nu al aangeeft dat we wat zijn is alleen kunnen begrijpen in termen van temporaliteit.
Paragraaf 6 De taak van een destructie van de geschiedenis van de ontologie
Hoewel Heidegger uiteindelijk deel 2 nooit heeft afgemaakt, had hij al wel voor ogen wat er in dat deel moest komen. Heidegger wilde daarin namelijk de traditionele ontologie destructie. In paragraaf 6 neemt Heidegger alvast een voorschot hierop en daarmee situeert hij ook zijn eigen ontologie ten aanzien van die van zijn voorgangers. Die ontmanteling is nodig, omdat het erzijn een zijnsverstaan en zijn eigen geschiedenis is. Het zijnsverstaan en de traditie sijpelen ons denken binnen. Meestal wordt de invloed van onze voorgangers miskend (p.42), terwijl het onmogelijk is voor ons om te ontsnappen aan onze geschiedenis. Zonder die geschiedenis zijn we vogelvrije dieren zonder cultuur, taal en normen. Deze aan ons overgeleverde geschiedenis is actief aanwezig in het heden en maakt het mogelijk om als een erzijn te zijn. Heidegger wil juist de door ons verloochende geschiedenis incorporeren binnen de vraag naar de zin van het zijn, aangezien zij daar wezenlijk toe behoort. De cruciale mijlpalen die Heidegger ziet binnen de filosofische traditie die vraagt naar de zin van het zijn, zijn Kant, Descartes en de Grieken. Die drie zijn zijn voorgangers, maar hebben allemaal een belangrijke bepaling voor een antwoord op de zijnsvraag gemist: de tijd.
Paragraaf 7 De fenomenologische methode van het onderzoek
In deze paragraaf bespreekt Heidegger de methode die hij van plan is om te hanteren: de fenomenologie. Daartoe geeft hij een etymologische onderbouwing van de fenomenologie.
Hij onderscheidt zodoende de twee delen van het woord fenomenologie: het begrip ‘fenomeen’ en het begrip ‘logos’. Het eerste begrip behelst bij de Grieken dat wat zich-op-zichzelf-toont, wat zij identificeerde met het zijnde. Voor Heidegger is het niet enkel iets dat verschijnt, maar het echt zich-tonen van een ding (p.52). Fenomenen zijn dan ook nooit verschijnselen, maar het is wel zo dat ieder verschijnsel is aangewezen op de fenomenen (die dus zich-tonen). Heidegger komt tot de conclusie dat een fenomeen is dat wat zich-op-zichzelf-toont. Het tweede begrip herleidt Heidegger eveneens tot de Grieken. Logos heeft bij hen veel gebruik gekend, maar geen grondbetekenis gehad. Zodoende kijkt Heidegger naar de betekenis van het Griekse woord. Hij komt tot de formulering van logos als iets dat zich laat zien. Heidegger laat de betrokkenheid zien van het zijnde dat laat vernemen, dat zijn betrekking heeft op het iets dat het als iets laat zien. Door die betrokkenheid spreekt Heidegger over logos dat zijn betekenis krijgt van betrekking en verhouding.
Vervolgens bespreekt Heidegger het voorbegrip van de fenomenologie. Door de combinatie van de twee eerdere begrippen, komt Heidegger uit op dat fenomenologie wil zeggen: dat wat zich toont, zoals het zich vanuit zichzelf toont, vanuit dit zijnde zelf laten zien. Deze definitie is eigenlijk niets anders dan een verwijzing naar de zaken zelf. Fenomenologie is dus een dusdanig vatten van haar objecten dat alles wat erover ter berde wordt gebracht direct wordt gedemonstreerd en direct blijkt. Het is dus een descriptieve bezighei. De fenomenologie moet laten zien iets dat zich eerst niet toont, het verborgene, hetgeen dat door eigen inhoud erom vraagt om fenomeen te worden. De fenomenologie is de toegangsweg tot en de demonstratieve bepalingswijze van wat thema van de ontologie moet worden. De ontologie is alleen als fenomenologie mogelijk.
Verder bespreekt Heidegger in deze paragraaf zijn idee van de filosofie. De filosofie is volgens hem eerst hermeneutisch transcendentaal. Het is hermeneutisch, want het is een praktijk van het uitleggen en hermeneutisch in de zin van de uitwerking van de mogelijkheidsvoorwaarden van al het ontologische onderzoek. Het is transcendentaal, want de fenomologische waarheid (de ontslotenheid van het zijn) is vertitas transcendentaal. Het zijn is transcendent zonder meer. Het zijn van het erzijn is speciaal voorzover daarin de mogelijkheid en de noodzaak van de meest radicale individuatie ligt besloten. De filosofie houdt dus in een fenomenologische, hernemeutische en transcendentale ontologie. Nu wijst Heidegger op nog een cruciale mijlpaal voor de filosofie: Husserl vanwege zijn werk aan de fenomenologie. Belangrijk is tenslotte nog dat de inhoud van de fenomenologie, van de filosofie dus, dus de werkelijkheid of waarheid als mogelijkheid wordt begrepen.
Paragraaf 8 Beknopt overzicht van de verhandeling
Paragraaf 8 behelst een inhoudsopgave van het werk dat Heidegger tracht te ondernemen in Sein und Zeit.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer