Frank Ankersmit:
De Spiegel van het Verleden: Exploraties I: Geschiedtheorie.
Kampen, 1996: pagina 59-95.
De Rationaliteit van Geschiedbeoefening – De zekerheden van een onzekere discipline
Geschiedenis is abstract, speelt door in het heden, maar is niet achterhaalbaar. Ook leeft de geschiedenis in de theorieën van wetenschap. Zo werd er vanaf Verlichting gekeken naar de toekomst vanuit het verleden, terwijl de Oude Grieken ervan uit gingen dat het beste al geweest was. Bij Walter Benjamin komt het verleden in de vorm van ongestructureerde beelden op ons af en het duwt ons de toekomst in. Deze beelden zijn vroegere interpretaties die je moet ontwijken. De vergeten geschiedenis moet gezocht worden. Je moet de beelden uit de geschiedenis samenvoegen tot een verhaal (narrativistisch). Ankersmit kijkt met dezelfde blik als Benjamin naar het verleden.
White presenteert een vernieuwende aanpak: de historicus heeft metaforische relatie met geschiedenis. De metafoor slaat hierbij op gehele verhaal, niet losse zinnen; geschiedenis is een subjectief verhaal. De interpretatie is afhankelijk van onze manier van vertellen. Geschiedenis wordt daarmee een soort realistische literatuur.
In dit artikel formuleert Ankersmit zijn kritiek op het denken van Hayden White. Deze laatste stelt dat geschiedenis geschreven wordt met dezelfde conventies als een verhaal. Die conventies bepalen daarbij het zicht dat we hebben op de geschiedenis. De kritiek van Ankersmit kan als volgt geformuleerd worden. Het is een te grove reductie die niet toepasbaar is voor de complexiteit van geschiedenis. De systematiek van White doet onvoldoende recht aan de beperkingen die de historische werkelijkheid oplegt aan de interpretatievrijheid van de historicus.
De geschiedkundige interpretatie is geen passieve afspiegeling van het verleden ( je registreert niet alleen) maar het is een ordening van of zingeving aan het verleden door de historicus.
Er zijn wel grenzen aan deze zingeving en er is een redelijk en zinvol debat mogelijk over de vraag welke interpretatie deze grenzen beter respecteert dan de andere interpretatie.
Het historische oordeel vindt zijn tekstuele belichaming in het historische verhaal. Historici voelen instinctief aan dat de waarde van hun teksten ligt in hun geheel en niet in de losse onderdelen. Het is in deze wetenschap niet eens erg als er in sommige onderdelen zwakke punten zitten, het gaat om het geheel (vóór White was de historische tekst niet in zin geheel maar in onderdelen studie van kritiek).
De historici breken de geschiedenis op in onderdelen, deze beschrijven zij zeer gedetailleerd en ze proberen vervolgens deze onderdelen terug te redeneren tot het grotere geheel. De historische tekst is dus met veel details op het detailniveau in onze beeldvorming van het verleden. Het meest elementaire niveau is dus de afzonderlijke uitspraak over het verleden.
De afzonderlijke uitspraken verbinden de interpretatie met de werkelijkheid van het verleden zelf. Dus alles moet met deze uitspraak te rijmen zijn, anders is het niet goed. Er zijn twee soorten uitspraken: de beschrijvende (de oorlog koste honderd mensen het leven) en de verklarende uitspraken (het kwam door de marsmannetjes).
De taak van de historicus is vooral het verklaren van het verleden en het doen van ware uitspraken over sociaal-politieke werk. Het probleem daarbij is dat verklarende uitspraken ook meteen een interpretatie van de historicus is. Maar als je alleen ware uitspraken achter elkaar zet mis je eenheid en samenhang en ontstaat er geen coherent beeld. Ankersmit noemt hier het contrast tussen twee begrippen: het geschiedvorsing en de geschiedschrijving. Vorsing is het verzamelen van feiten en het doen van ware uitspraken. De geschiedschrijving is het verbinden van de ware uitspraken door een verhaal, een narratieve tekst. Dit moet ons een beeld van het verleden geven en is dus een metafoor. Ook de periodeaanduiding is al een interpretatie, je kunt niet naar de oorzaak van die periode vragen. De tijdsbalk is dus ook een metafoor.
Van voorstellen kun je nooit zeggen of ze waar/onwaar zijn wel dat zij redelijkheid zijn en dan kan men dus een rationeel debat over de redelijkheid ervan voeren. De metafoor is meer dan alleen een uitspraak, want ze organiseert kennis in plaats van deze alleen te verworden. Metaoor creëert geen nieuw kennis maar nieuwe verbanden. Er is al een beeld aanwezig voorafgaand aan interpretatie. Een metafoor biedt een perspectief, dus het standpunt is belangrijk voor de mate waarin wij onze ervaringen kunnen organiseren.
Een uitspraak over de geschiedenis heeft dus een dubbele functie. Zij duidt een min of meer welomschreven historisch oordeel uit, een interpretatie. En zij verwijst naar het verleden zelf. We hebben nu dus te maken met een ‘taalding’.
Ankersmit legt dit uit aan de hand van het begrip Renaissance wat een interpretatie van een periode is. Wij hebben dit begrip pas kunnen gebruiken, nadat we bepaalde elementen hadden ontdekt die in een andere periode niet voorkomen. Je hebt daarbij verschillende interpretaties nodig om precisie te krijgen over een term, en bij een nieuwe versie die afwijkend en toch betrouwbaar is, verandert de term mee, maar glashelder in beeld komt de term niet. Een bepaalde overtuigingskracht komt er echter wel.
De metafoor klopt dan met het werk, maar het is nog geen objectieve waarneming. Het impliceert een bepaald perspectief en houdt tegelijkertijd de mogelijkheid tot andere interpretaties open. Nog een ander belangrijk punt is dat Ankersmit hier de contrastwerking van verschillende historische teksten naast elkaar weergeeft.
Met de vraag naar welke historische tekst beter is er al sprake van de contrastwerking. Walsh spreekt over colligerende concepten die eenheid geven aan een periode. Ankersmit geeft aan dat er radicale andere interpretaties ontwikkeld moeten worden om tot juiste beeld te komen van de geschiedenis in kwestie. Het is sentimenteel om te denken dat je de geschiedenis ‘echt’ kunt kennen. Originaliteit daarentegen lokt discussie uit. Een nieuwe interpretatie is dus een reactie op het vorige en heeft dat vorige bij zich. Te ideologische interpretaties leiden tot paranoia (een duidelijk voorbeeld hiervan vinden we bij de communistische geschiedenis) en te veel eenheid van interpretaties leidt tot paranoia. Ook zonder eenheid kunnen goede resultaten geboekt worden.
De vijf conclusies van Ankersmit zijn de volgende. Ten eerste is redelijkheid heeft als acceptatiecriterium niet de waarheid, maar het realiteitseffect naar de lezer toe. Eenheid is belangrijk maar niet doorslaggevend. De metafoor heeft andere criteria voor (on)waarheid. Dat brengt ons tot het tweede punt. De metafoor organiseert feitenkennis en geeft een interpretatie. Ook geeft zij eenheid doordat zij zoveel mogelijk relevante zaken combineert. Zij kan de relatie van de tekst en het verleden ophelderen. De metafoor voegt dus extra informatie toe door haar organisatie, anders zouden wij vervallen in een chaos van feitjes. De interpretatie is daarbij dus nodig. En deze is al vooraf aan het verzamelen van de feiten aanwezig. De metafoor komt eerst dan het onderzoek en de interpretatie. De wetenschap geeft haar interpretatie dus binnen een discours. De metafoor bepaalt het perspectief van de wetenschap en dus ook wat zij kan zien. Dit impliceert een objectieve positie; echter het perspectief van het discours bepaalt receptie van een nieuw geboden perspectief. Een metafoor kan dus ook in de weg staan van een duidelijk zicht. Ten derde is daarmee de perspectiefkeuze, iedere interpretatie moet een perspectief hebben. Dit is inherent aan de structuur van de metafoor. En aangezien er geen objectieve mogelijkheid om iets te bekijken, is deze perspectiefkeuze heel belangrijk voor wat je wilt weten. Hierbij is het vergelijken belangrijk. De metafoor impliceert dat het ook anders kan en is altijd ontkenning van iets anders. Je kunt pas waarheid vinden als je meerdere opties hebt om te kiezen. Dit is de remedie tegen paranoia. Ten vierde dus is iets wat wezenlijk essentieel is voor geschiedenis: het vergelijken met anderen. Een tekst is dan ingeschreven in andere teksten. Dit is ook wel beschreven als intertekstualiteit. Zo omschreef Barbara Johnsson het als difference within. Ten slotte is er het punt van de originaliteit. Men moet altijd de grenzen opzoeken (ook al is het een onwaarschijnlijkheid moet men het toch te verdedigen) en daardoor vernieuwing brengen. Door de gedeeltelijke onbepaaldheid blijft discussie altijd mogelijk. Met nieuwheid als criterium voor historisch inzicht door het niet gangbaar te zijn van een interpretatie, zoekt men de grenzen van het historisch inzicht zolang het wel verantwoordelijk is door de redelijkheid ervan. Originaliteit is daarom een misleidend begrip. Creativiteit is een beter begrip.
Ankersmit wordt beschouwd als een narrativist, omdat hij niet zo revolutionair was als Hayden White oftewel omdat hij de gulden middenweg volgde.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer