Men kiest zijn leven, ook wat men daarin is. Dit probeert Sartre weer te geven in zijn Portrait of the Antisemite. Gebruikelijk wordt gesteld dat een antisemiet iemand is die een antisemitische mening heeft. Deze mening wordt vervolgens vaak gelijk gesteld met alle andere meningen. Als men zich beroept op een mening moet de keuze ook goed onthouden worden. Misschien dat een bepaalde ervaring ertoe heeft geleidt dat men een antisemitische mening heeft. Maar Sartre weigert een mening een doctrine te noemen als deze zich richt op specifieke personen en als deze het recht van deze personen probeert te onderdrukken. Antisemitisme is niet een categorie van denken die beschermd is door het recht van meningsvrijheid. Het is meer dan een idee, het is een passie. De mening van een antisemiet is de toepassing van een door deze passie bepaalde logica. De statements die gedaan worden lijken op zich logisch, maar ze tasten het grotere geheel aan. Zo kan men zeggen dat ze fysieke reactie ervaren bij het zien van Joden, maar indien men niet het Jood-zijn zou weten, zou men de Joden niet kunnen onderscheiden. Dit idee wordt het lichaam door de geest ingegeven. Vaak is de antisemiet iemand die zijn mislukkingen in het leven de Joden de schuld van zijn mislukken weet te geven. Om dit te kunnen doen is de antisemiet iemand die zijn leven apriori leidt op basis van emotionele redenatie. Antisemitische passie is niet zoals haat of woede uitgelokt door een ervaring, maar gaat vaker nog vooraf aan de ervaring. Het voedt zich op de ervaringen die zich daarvoor lenen.
Het is niet ongebruikelijk om te leven op emotionele wijze, in plaats van op rationele wijze. Meer gebruikelijk is daarbij dat men de objecten van de passie lief heeft. De antisemiet daarentegen heeft ervoor gekozen te haten. Dat is de emotionele staat waar hij van houdt. Hij heeft ook ervoor gekozen om beangstigend te zijn. Niemand kent zijn zielroersels, ze worden ook niet van buitenaf beïnvloed, zijn passie wordt geleidt door iets van binnen. Hij is niet bang voor zichzelf; hij ziet een beeld in de ogen van anderen en terwijl hij een antisemitische mening verkondigd ziet hij dat beeld bevestigd.
De kwaliteiten van een Jood zet hij tussen aanhalingstekens. Er is geen voorbeeld van een antisemiet die zichzelf kwalitatief beter dan een Jood beschouwd; de antisemiet beschouwd zichzelf als middelmatig. Er is een gepassioneerde trots in het middelmatig zijn en antisemitisme is een poging de middelmatigheid tot een deugd te maken. Hij heeft geen uitmuntende kwaliteiten zoals de Jood nodig. De basis van zijn deugdelijkheid is het verkrijgen van bezit. Dat bezit is een abstractie, het geld en dergelijke zijn redenen om zichzelf tegenover de kwaliteiten van een Jood te zetten. Het is een staat van welzijn die hem niet kan worden afgenomen, het is zijn stigma.
Voor de antisemiet heeft de Jood vrijheid. De Jood is vrij om kwaad te doen, niet om goed te doen. Dat is een rare vrijheid welke hem in plaats van het scheppen van zijn essentie, hem gelijk zijn essentie en de mogelijkheden daartoe ontneemt. Al het kwaad in de wereld komt bij de Joden vandaan. In zijn Manicheïstische wereldbeeld is de verdeling van goed en kwaad al geschiet. Hij legt de nadruk op vernietiging. Het kwaad moet vernietigd worden. Het is een naïef dualisme; het kwaad hoeft alleen maar vernietigd te worden en het vooronderstelde goed is al aangenomen.
De sadistische aantrekking tot de Joden maakt het niet uitzonderlijk voor een antisemiet om één of twee goede Joodse vrienden te hebben, zij zijn de uitzonderingen voor hem. Zo houdt hij een levend beeld van dat wat hij veracht dichtbij zich.
Hij verlangt naar en bereidt zich voor op de dood van de Joden. Het is een symbolische moord. Hij heeft een zuiver geweten: hij is een crimineel met een waardig motief. Elke woede-uitbarsting tegen een Jood is alleen maar het vellen van een doodvonnis.
Het portret is af. Het is een obsessie met één enkel idee, hij wil een solide identiteit zijn. Het is niet zo dat een antisemiet een antisemiet is in de zijnswijze zoals een bepaalde lengte zijn is. De antisemiet kiest ervoor om antisemiet te zijn, volgens Sartre, omdat hij bang is voor vrijheid, openheid, verandering en omdat hij een solide ding wil zijn. Hij wil een identiteit, hij wil iets zijn in een manier waarop een tafel iets is. In eerste instantie is het een spel, maar wanneer het een tweede natuur is geworden, is de antisemiet zijn vrijheid ontvlucht, hij heeft afstand genomen van zijn menselijkheid.

2 reacties tot nu toe ↓
1 f.lem // 4 feb 2009 at 17:29
Hoe kan ik het boek: Portret van een antisemiet, van Jean PaulSartre in mijn bezit krijgen?
Gaarne wat suggesties
2 Sharon Hagenbeek // 5 feb 2009 at 15:21
Existentialism from Dostoevsky to Sartre
Reageer