Sharon Hagenbeek is Watching You!

Overzicht van het denken van Plato

door

[dit is een samenvatting van de syllabus Griekse en Romeinse Filosofie, red. K.A. Algra, F.A.J. de Haas, J.M. van Ophuijsen en C.G. Steel, editie: augustus 2006]

Plato (428/27-348/7) was de leerling van Socrates. Socrates rechtvaardigen werd zijn eerste grote levensdoel en ten tweede om de sofisten te ontmaskeren. In 387 v.C. stichtte hij de Academie net buiten Athene (rond het heiligdom van de heros Academos). In 367 zou Aristoteles daar leerling van Plato worden.

Zijn werk is volledig bewaard gebleven. Het zijn dialogen en de zevende brief. Er is altijd de vraag of hij een ongeschreven leer zou hebben. Want het geschreven woord zag hij ‘als een gif: het kan geneeskrachtig zijn, maar heeft schadelijke beperkingen’. De chronologische volgorde van de dialogen is onzeker, maar de bekende volgorde is te danken aan Thrasyllus (een geleerde in Alexandrië rond 30 n.C.).

Indeling:

1. Vroege of socratische dialogen – ethische kwesties
2. Middenperiode – sterke samenhang tussen ethische, politieke en metafysische thema’s en de  ideeënleer
3. Late dialogen, meer technisch, statisch, Socrates wordt nauwelijks meer tegengesproken

Plato’s brengt in twee opzichten vernieuwingen aan in het gedachtegoed van Socrates:

1. Hij situeert hetgeen waar kennis en inzicht betrekking op hebben in een transcendente, intelligibele werkelijkheid (een die niets bevat dat met de zintuigen waarneembaar is). (met hulp van Heraclitus en Parmenides)
2. Ethische inzichten in omvattende leer van wat het ‘goede leven’ inhoud binnen een gemeenschap. (met hulp van Pythagorisme)

Morele kennis moet gefundeerd worden op basis van ware kennis. Wetenschappelijke kennis houdt zich bezig met het algemeen geldige en abstracte dat tot uiting komt in concrete dingen, maar zelf niet wordt waargenomen. Kennis is algemeen geld, stabiel en objectief. Plato richt zich tegen Pythagoras omdat in diens werkelijkheid niets objectiefs mogelijk is, en dus ook geen kennis. Relativisme is geworteld in het idee dat kennis neerkomt op waarneming.

Kennis is begrippen die Plato vorm of idee (idea, eidos) noemt. Het gaat bij de ideeën om intelligibele aspect van de wereld, daarom is het boventijd en ruimte verheven. Ze bestaan afzonderlijk (chôrista) waardoor ieder rationeel persoon ze kan begrijpen op dezelfde manier.

De concrete wereld is niet alleen maar een voortdurend stromen en vervloeien, oftewel flux. Er is ook verandering en een verwarrend samenvallen van tegendelen, maar hierin tekent zich een vast patroon af. Dat patroon is te danken aan de aanwezigheid van de ideeën. De ideeën zijn als wezensvorm van de dingen het beginsel van ordening binnen de zintuiglijke wereld. Elk concreet ding participeert (participatie is methexis) in een overkoepelend idee. Dit legt Plato uit met mimësis, de zintuiglijke dingen zijn afbeeldingen van ideeën. Op deze manier lost Plato het probleem van eenheid op. Al die veelheid is zo toch een eenheid. Er zijn ook betrekkingen tussen ideeën onderling, ze vooronderstellen elkaar en zo zijn ze onderling verweven. Hun gemeenschap (koinônia) herleidt Plato tot vijf grootste klassen (megista genê)/kenmerken: het zijnde, het identieke, het andere, stilstand en beweging. De idee van het goede is het hoogste idee, en blijft zo onkenbaar, maar speelt wel een centrale rol. De ideeën worden in late dialogen meer klasse (genos) waarin de leden van zo’n klasse niet per se meer gelijk zijn.

Alle kennis van ideeën is a priori kennis die we verkrijgen door anamnêsis (wederherinnering). Tijdens ons verblijf in de ideeënwereld voor onze geboorte verkrijgen we deze kennis. De wijze waarop we deze kennis expliciet maken is de dialectiek, de methode van dialoog. Een dialoog met anderen of onszelf, in onze geest, die ons dwingt om voor elke stap verantwoording af te leggen. De dialectiek is Plato’s methode; de dialecticus ordent eerst uiteenlopende ‘deelhebbende dingen’ onder één hoofdbegrip, gevat in een heldere definitie, de idee waaraan ze deel hebben. Het is een procedure van bijeen brengen (sunagôgê), tezamen zien en dan ontleedt hij dat begrip doormiddel van het uiteen nemen (diairesis) van zijn bestanddelen.

De Grot is onze dagelijkse leefwereld waarin een individu losbreekt (de filosoof). Hij klimt naar buiten, ontdekt de echte werkelijkheid en gaat terug om dat aan de anderen te vertellen. Zij willen echter hun zekerheden behouden en doden hem.

Plato neemt van het pythagorisme over dat de ziel beschouwd moet worden als beginsel van leven in de zin van zelf-beweging en van kennis. De ziel is onsterfelijk en dus is er bij Plato ook een cyclus van wedergeboorten. Met de Mythe van Er legt Plato het hiernamaals uit. De ziel lijkt op wat goddelijk en onsterfelijk is, ze is voorwerp van ons denken, eenvormig, niet vatbaar voor ontbinding, altijd hetzelfde en zichzelf gelijk. Ze is dus het tegenovergestelde van het lichaam. Ze is tevens de enige toegang tot de ideeën, het intellect (nous) kan niet bestaan zonder de ziel. Daardoor  is haar voornaamste functie de intellectuele vermogens. De ziel heeft drie delen (redelijke – logistikon, vurige – thumoeides en begeerte – epithumêtikon). Elk van deze delen heeft zijn eigen deugd (pronêsis – verstandigheid, andreia – dapperheid en sôphrosunê – matigheid). De harmonieuze vereniging van deze drie delen vindt plaats onder de rede met de overkoepelende deugd dikaiosunê – rechtvaardigheid. Deze laatste deugd vinden we eerst terug in de ziel en daarna in het morele handelen.

Begeerte – Eros wordt voorgesteld als de zoon van Rijkdom (Poros) die bij Armoede (Penia) verwekt werd tijdens een feest ter ere van de geboorte van Aphrodite. Deze streeft naar schoonheid, lichamelijke schoonheid. Schoonheid van de ziel is belangrijker en kan een mens bevrijden van Eros. Deze ontdekt men in zeden en gewoonten, vervolgens in kennis en wetenschap, tot men uiteindelijk zicht krijgt op dat ene schoonheid die eerder nog afwezig was: schoonheid zelf.

Het lichaam is het graf van de ziel. Daardoor is filosofie een oefening in het sterven. Ze oefent ons in onze intellectuele capaciteiten en in voortreffelijkheid. Het aanschouwen van de ideeën is de eigenlijke bestemming van de ziel die beschreven wordt als gevleugeld span paarden, vurigheid en begeerte, met als menner de rede die altijd gericht is naar boven en onvermijdelijk weer naar beneden stort. Daar boven is de bovenhemelse streek, de vlakte van de waarheid.

Het voortreffelijke inzicht is niet voor iedereen weggelegd. Plato onderscheidt daarom de burgerdeugd (politikê aretê), die het product is van uitwendige factoren zoals scholing en sociale druk. Deze sociale verworvenheid is wel een noodzakelijke voorwaarde voor een moraal. Zeus schenkt alle mensen tezamen recht (dikê) en wederzijds respect (aidôs) die de kern vormen van de sociale deugd. De echte deugd is weggelegd voor de filosoof en is uiting van een weloverwogen en doordachte levenskeuze. De morele opvoeding is de eerste taak van de politiek. Hij verinnerlijkt de moraal dus, maar de maatschappelijke orde is wel belangrijker dan de vrijheid van het individu.  De hoogste wachter (phulakes) van de staat moeten die opvoeding verzorgen. Binnen de klasse wachters wordt een onderscheid gemaakt tussen de bestuurders en hun helpers (epikouroi, leger en politie). De bestuurders vertegenwoordigen de deugd phronêsis, de helpers andreia en de handwerkers sôphrosunê. Het individu is dus een mikra polis. Plato gaat dus volledig uit van de maakbaarheid van sociale structuren.

Voor Plato is er een onderscheid tussen wat mooi lijkt en wat mooi is. Het goede kan worden benaderd (niet bereikt) door schoonheid, verhouding (summetria) en waarheid. Kunst is een technê die kopieert (eikastikê technê) of voorstelt (phantastikê technê). Deze laatste respecteert de verhoudingen niet. Kunst als afbeelding van een afbeelding is waardeloos en heeft een gevaarlijke invloed op de ziel. Met name de literatuur is een gevaar voor de zelfstandigheid en oprechtheid van een mens als moreel persoon. Voor Plato is er in zijn utopie dus geen ruimte voor vrijheid voor de kunsten.

Plato verwijt zijn voorgangers dat ze ter verklaring van de orde in de kosmos alleen materiële oorzaken hebben aangevoerd. De ware oorzaak missen ze: het plan en ontwerp met het oog op wat goed en passend is, dat de kosmos als geheel zijn harmonische samenhang verleent. De kosmos is het product van intelligente, doelgerichte planning en ordening van de goddelijke ambachtsman, de demiurg (dêmiourgos). Zelfs Plato’s uitleg is niet meer dan een waarschijnlijk verhaal, want de demiurg is niet te doorgronden door mensen. Hij is geen scheppende god: hij brengt orde in reeds bestaand materiaal. Zijn plan wordt belemmerd doordat de materie een eigen vorm van oorzakelijkheid in zich draagt. Deze aan materie inherente oorzaak noemt Plato noodzaak (anankê) of dwalende oorzaak (planômenê aitia). Deze noodzaak moet dus door verstand bestuurd worden, maar beperkt van haar kant de mogelijkheiden voor het verstand en legt het haar eigen voorwaarden op. De ordening van de materie geschiedt naar het model van de ideeën. Daarnaast is er nog een beginsel: de ruimte (chôra) waarbinnen de dingen tot stand komen en hun ontvangstoord (hupodochè). Het zijn allemaal producten van rationele berekening, vandaar dat ze een meetkundige vorm hebben. Alle geometrische lichamen zijn te herleiden tot driehoekige oppervlakken, de hele kosmos is opgebouwd uit elementaire driehoeken. Er is ook een wereldziel die volmaakt is. Ze heeft een inwendige harmonie en voltrekt volmaakte cirkelvormige bewegingen. Die bewegingen vinden we terug bij de hemellichamen die eveneens door goddelijke zielen worden bewogen. Op grond van deze beweging is de tijd geregeld.

Bij Plato zijn nog twee tendensen ten aanzien van de goden verenigd; de goden maken deel uit van de kosmologie en ze zijn de personificatie van de wereldorde zelf (als besturend verstand – nous). Deze twee delen worden verenigd door de alomvattende rol van het goede als moreel en als kosmische orde. De goden zijn de hoeders van wijsheid, het goede en de deugd, ze zijn niet verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld. Door Plato’s bevestiging van de goddelijke aard van het intelligibele wordt hij niet alleen door neo-platonici geprezen, ook christelijke auteurs als Augustinus waarderen hem erom.

Samenvattingen

 
 
 

2 reacties tot nu toe ↓

  • 1 Halbe Hibma // 21 okt 2010 at 17:49

    Als ik zo vrij mag zijn, wil ik je graag het volgende boek aanraden: “Plato’s philophers – the coherence of the dialogues” door “Catherine H. Zuckert”.
    Zij is een professor aan de universiteit van de Notre Dame en heeft jarenlang onderzoek gedaan naar plato’s dialogen. Het is engelstalig en ik betwijfel het of er een nederlandse vertaling van bestaat omdat het een vrij nieuw boek is (publicatiejaar is 2009). Ik vond het een zeer indrukwekkend boek en naar mijn idee is dit verplichte kost voor iedere beoefenaar danwel aanhanger van filosofie.

    Gr. Halbe

  • 2 Jim // 31 okt 2010 at 20:59

    He Sharon,

    Wat goed dat je dit gemaakt hebt en het op deze manier deelt! Dank.

    gr
    jim

Reageer

Comment: