Sharon Hagenbeek is Watching You!

Norman Bryson – Art in Context

door

Bryson onderzoekt in deze tekst de problemen van het idee van de Context. ‘Context is just that, a double operation of advance and containment.’ Daarvoor beschrijft hij een aantal verschuivingen (slides)in de retoriek van de contextualisatie. Allereerst geeft hij nog een aantal assumpties binnen het woord context weer. Er wordt een oppositie verondersteld tussen context & kunst, context & visuele tekst. De tekst wordt daarmee verklaard door context. Dan wacht de tekst tot de context onzekerheden brengt. De context is wachtend op de tekst en context zal reageren door middel van het geven van eigen zekerheden en determinations: Text-context pairing. De context en tekst lijken daarbij gescheiden met een hiërarchie. ‘Context will controll text’.

Slide 1: context is that which will pass its qualities to the text, in a transfer that is also a substitution: text is only that which still awaits its conversion into context.
Context wordt als natuurlijk en niet gemaakt gezien. Context is actief en tekst is passief. Context is de vraag van transferring op de tekst de eigenschappen van de context, van determinerende form, gegevenheid en grond. De tekst is hier een kunstwerk en heeft een bepaalde hiërarchie in zich, terwijl de context een blank veld (non-tekst) is, de context zit niet vast aan een bepaalde structuur.

Slide 2: denial of complexity on one side, in ‘context’, appears as containment of complexity on the onter side, in ‘text’.
We kunnen wel ‘lagere’ teksten proberen te positioneren t.o.v. context, maar zelfs dan hebben zij dezelfde complexiteit. Culler: ‘context is just more text’. Context wordt bepaald door gebeurtenissen, maar wat er toe behoord wordt bepaald door interpretatieve strategieën. Culler stelt voor om de term frame te gebruiken, wat ons eraan herinnert dat we framen, een proces van maken, waarbij geen sprake is van gegevenheid. Context is dus nooit gegeven, maar wordt geproduceerd.

Slide 3: the unity of the ‘determined’ object stands in for the missing unity of the causal account.
Het context-idea nodigt on suit om een stap terug te doen van de onzekerheden van de tekst en om de context als fundering te zien. Maar waarom zouden we niet nog zo’n stap zetten? Context houdt vanaf het eerste moment een regressie zonder remmen in.

Michael Baxandall stelde een schema op van alle factoren bij (let wel bij een specifiek geval) waarmee een context geconstrueerd wordt. Het wordt een model van wat er gaande is wanneer een causale narratieven geassembleerd worden. Hij vermeldt later nog meer factoren, conclusie daarbij: eenmaal begonnen zijn de contextuele determinanten oneindig te noemen. En de procedure waarin we ze verzamelen, valt ook niet te achterhalen.

Al zou iemand een ‘ideal causal narrative’ maken dan zou diegene in staat zijn een utopische verklaring te geven, welke in alle belangrijke domeinen van de context gecombineerd zijn. Causale verklaringen leiden tot een adaptatie van conventies die leiden tot het feit dat alleen een lijst van Baxandall nodig is. Binnen deze lijst verschijnen factoren die niets met elkaar gemeen hebben, behalve dan dat ze tot een uitkomst leiden.

Een poging tot het maken ideale causale narratief leidt tot de aankondiging in de beperking in de opengaande beweging, aggregation.

Slide 4: synecdoche: context is necessarily conceived as totality; it is everything in the World that could possibly count as context – everything, that is, except the visual text.
Nietzsche omschrijft een metalepsis als een chronologische omdraaiing van oorzaak en gevolg. De oorzaak hoort logisch te zijn en tijdelijk belangrijker dan het effect. Micheal Holly geeft aan dat men gefixeerd is op het optisch frame, waar niks van uitgesloten wordt. Echter de ordening wordt bepaald door een gemengde foute blik. De functie en het resultaat van die blik is iets toe te voegen aan het overzicht van die eenheid (unity) die weggelaten wordt op het level van het historisch object. Deze level, ook wel waarde, blijkt een continuïteit te zijn van een optreden dat begon in de periode waar het toe berekend wordt. De kunsthistoricus werkt vanuit het product naar de geschiedenis van deze sites/milieu, om de historische specificatie en bepaling te ontdekken. De sites die in de vorm van context zijn, bepalen het kunstwerk in plaats van oorzaak en effect die retorisch gepresenteerd wordt als geheel. Een kunstwerk staat daarbij weer voor een deel van de context.

Slide 5: a spiral is at work here – elements of visual text migrate from text to context and back; but recognition of such circulation is prevented by the primary cut of text-stroke-context.
De kunstwerken worden zelf weer een rechtvaardiging voor de context zoals deze gezien wordt. Bij analyste is een belangrijke actie de veronderstelling van een interval tussen de tekst en de context. Dat is een moment van bewijst wat de twee voorheen gescheiden nu samen laat gaan. Deze gemaakte scheiding is niet meer zichtbaar. Derrida: ‘the sans of the pure cut’ deze cut heeft 2 werkingen: de esthetische waarde wordt neergezet al seen speciale orde van discourse (parergon, lijst van schilderij) & het creëert de discourse van kunstgeschiedenis en fungeert als een verklaring.

Slide 6: from metonymy to synecdoche, from the drugery of clue-finding and of causal chains down below to the great simultaneous vista from on high, the Total prospect: the Renaissance, mid-Victiorian Britain, Edo Japan, and so forth.
Na deze 3 retorische fases: metalepische vervanging, presentatie deel voor geheel en dubbelleven van de scheiding tekst-context, komen we nu in de laatste fase. In de verschuiving van context naar tekst, zit het commentaar in het plaatje zelf. De context kopieert eigenlijk het visuele van het plaatje en het plaatje verbeeld de context. De waarde van de context wordt in relatie tot contiguïteit weergegeven in context als deel van het geheel. Ze staan in een mimetische relatie tot elkaar, in plaats van een analytische relatie.

Slide 7: from analysis to ekphrasis[1].
In de concluderende fases kijkt men bij de analyse naar het plaatje als bewijs van de waarheid. Op het eind is de gedetailleerde historische waarde pas verbeeld als icoon/plaatje. Een issue bij de constructie van context is receptie, en dan wel specifiek in de periode van het kunstwerk zelf. Het roept al de vraag op van een ‘tijdloze’ reactie. We zouden ervan uit kunnen gaan dat bepaalde sociologische groepen bepaalde codes ‘bezitten’. Dit kan niet zo maar aangenomen worden, men moet bepaalde kennis van codes hebben die meer individueel is in de manier van leren van en toegang hebben tot de codes. Als men dit niet erkend probeert men een ideaal hoog te houden. Hier gebruikt men ook een retorische truc: de expert is een synecdoche, en staat voor de groep inclusief diens nitwits en ‘vroeger’: diens vrouwen. Dus hoeveel van de originele receptie blijft daadwerkelijk bekend? En wat zou het toe kunnen voegen?

Eén point of view: het zou kunnen betekenen dat het canon vroeger uitgesloten teksten zou moeten toelaten. De nu toegelaten codes worden ge-debased. Er zou dan ook geen verzet meer mogelijk zijn, het zou begrepen worden. We moeten de polythetische visie (verborgen codes) naast de monothetische visie (synecdoche) houden. Men kan niet van tevoren weten wat in stilte komt te leven. Dat de ruimte gemaakt wordt, telt net zo goed als dat wat in die ruimte bestaat. Dat ontdekken, betekent het toch nog laten bestaan binnen de grenzen van de monothetische visie. Het voordeel is de negatie, leegheid en duisternis.

Receptie is nu eenmaal het primitieve idee van wetgevende context. Een tekst kan nu eenmaal niet bestaan buiten de omstandigheden waarin de lezer hem leest. De enige echte en ware context is dat waar een kunstwerk het eerst getoond wordt, de latere lezingen zijn een subdomein van de discours van de kunsthistoricus die zich al heeft gewijd aan een causale narratieve lezing passend bij de tijd en discours. De keuze van deze lezing is zo vrij, omdat het altijd beperkt is aan de monothetische sluiting.

Vanaf het moment van de eerste beschouwing betreedt het kunstwerk al het netwerk van semiotische transformaties. Niets kan de beweging van de signifier tot de signifier in een visuele tekst stoppen terwijl het bekeken wordt. Dit betekent niet dat de kunsthistoricus vrij is om te doen wat hij wil. Er zijn tenminste 2 principes aan het werk. De contextuele determinatie van de betekenis en de oneindige uitbreiding van de context. Derrida: ‘This is my starting Point: no meaning can be determined out of context, but no context permits saturation[2]‘.

Het is zo nauwkeurig beschreven dat het geen open plekken meer heeft, je mist niets. Je kan wel een context toekennen aan een tekst, maar geen context is volledig genoeg voor een nauwgezette beschrijving. Dit wil nog niet zeggen dat je geen betekenis uit de context kan hallen, wel betekent het dat de betekenis die je eruit kan afleiden niet volledig is.

De twee principes hebben geen interactie en passen niet goed samen. Wat deze twee principes (en Derrida) niet laten zien is dat de oneindige uitgebreidheid van de context maakt dat contextuele determinatie niet meer mogelijk is. De 2 principes geven de vorm van context weer: de context heeft conceptuele ruimte voor het problematiseren van context als wetgevende macht en het geeft aan dat context niet natuurlijk gegeven is, maar iets dat we maken.

Tenslotte: het meest onproductieve gebruik van het context-idea, wanneer context genoemd wordt als een imperatief dat contextualiteit aanwijst in een schoon moment in het verleden. Context is dan niet meer zichtbaar als contextualiteit van het heden. Hierdoor hoeft de kunsthistoricus niet meer de hand in eigen boezem te steken.


[1] Een ekphrasis (ook wel ‘ecphrasis’), meervoud ‘ekphraseis’ (Grieks: ε̉κφρασις; Latijn: descriptio) is een kunstige beschrijving van een voorwerp, meestal van een kunstvoorwerp en in het bijzonder van een schilderij.

[2] Verzadiging. Derrida: ‘No meaning can be determined out of context, but no context permits saturation. What I am referring to here is not richness of substance, semantic fertility, but rather structure, the structure of the remnant or of iteration’ (Bloom et al, p.81). Each sign, each text has a context that determines the meaning. However, this context can never be completely isolated. Post-structuralism in general argues that context is in fact unable to arrest the fundamental mobility of signs for the reason that it harbors exactly the same principle of interminability within itself, the impossibility of its closure. Context can always be extended or augmented. Certainly there will be a cut-off point, which, for example, can be determined by the conventions followed by the community of interpreters, but this is always arbitrary. http://www.cobussen.com/proefschrift/200_deconstruction/260_context/context.html

Samenvattingen

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: