Sharon Hagenbeek is Watching You!

Magie en Emotie – Sartre

door

J.-P. Sartre, Magie en emotie. Amsterdam, Boom, 1987. Het hele boek, inclusief het inleidend commentaar.

In zijn inleidend commentaar verdedigd L.M. Tas de psychologie tegen Sartre. Sartre’s systeem, zijn zijn, dat een oorspronkelijke breuk heeft tussen het en-soi en het pour-soi verniet. Met het vernieten komt het niet-zijn in de wereld met de wereld als de achtergrondorganisatie hiervan. In Magie en Emotie toont hij niet alleen aan hoe hij de emotie binnen ons bewustzijn plaatst, maar ook hoe deze een essentiële tweezijdige werking heeft tussen mij en mijn wereld. Hij beschouwd de emotie als een transformatie van de wereld tot het magische, bewerkstelligd door het bewustzijn. Vernieuwend hiervan is hoezeer de emoties ruimte krijgen in zijn theorie. Dit laatste wordt goed benadrukt door de inleidende commentaren van de psycholoog.

Tas die de inleidende commentaren bij Magie en Emotie levert laat duidelijk niet het element van Sartres fenomenologische ontologie toelaat, terwijl hij deze commentaren wel na het verschijnen van Sartres Het Zijn en het Niet heeft geschreven. Het is dan ook moeilijk geweest veel waarde te hechten aan zijn woorden, wat versterkt wordt door zijn bestempeling van Sartres werk als plagiaat, met als vermoed motief het feit dat Sartre zijn vader vroeg verloren is.

Geenszins wil ik hiermee beweren dat Sartre de psychologie recht doet of deze daadwerkelijk kan incorporeren binnen zijn ontologie en mensbeeld. In de tijd dat hij dit werk en zijn latere werk Het Zijn en het Niet schreef heeft hij zijn ontologie en mensbeeld in ieder geval voor flink wat jaren veiliggesteld van omverwerping door de psychologie. Zo is Frijda, een gerenommeerde psycholoog, sterk beïnvloed door Sartre, zo vertelt ook de commentator Tas. Vorig jaar nog werd Frijda geëerd door de psychologische gemeenschap vanwege zijn 75ste jubileum.

Schets van een theorie van de Gemoedsbewegingen

In zijn Schets van een theorie van de Gemoedsbewegingen onderzoekt Sartre de mogelijkheid van een fenomenologische psychologie. Wat volgt is een experiment met fenomenologische psychologie. Hij begeeft zich daarvoor op het terrein van de betekenis en behandelt de emotie als verschijnsel.

Daartoe roept hij emotionerende situaties in het leven en daarbij probeert hij de factoren van deze complexe toestand aan te geven. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen de lichamelijke reacties, de gedraging en de eigenlijke bewustzijnstoestand. Sartre gaat op zoek in het emotieproces zelf, en neemt daarmee afstand van de emoties zelf. Sartre geeft aan zich in deze tekst niet te willen wagen aan een fenomenologische studie van de emotie. Ontwierp men een dergelijke studie, dan zou zij moeten gaan over de affectiviteit als existentiële modus van de menselijke werkelijkheid.

De hedendaagse psychologie zegt positief te zijn, dat betekent dat zij uitsluitend gebruik wil maken van wat in de ervaring gegeven is. De psycholoog wil slecht twee typen van ervaring gebruiken: die welke wij opdoen door tijd-ruimtelijke waarneming van geordende lichamen en de intuïtieve kennis van onszelf die wij reflexieve ervaring noemen. In ieder geval zijn de psychologen het er over eens dat al hun onderzoek bovenal moet uitgaan van de feiten. Men moet er in de loop van een onderzoek op stuiten en het doet zich altijd voor als een onverwachte verrijking en als een nieuwsgierigheid ten opzichte van de eerdere feiten. De psychologie herkent en begrensd haar object van onderzoek niet apriori. Maar de psycholoog weet niet of het begrip mens niet willekeurig is. Vraagt men de psycholoog waarom, dan zal hij aangeven dat hij enkel constateert en hij er al helemaal geen betekenis aan toekent. De menselijke werkelijkheid doet zich voor aan de psycholoog als een verzameling uiteenlopende feiten, omdat de psycholoog zich zo opstelt dat deze werkelijkheid zich wel zo aan hem moet voordoen. Maar dat wil nog niet per se zeggen dat de menselijke werkelijkheid iets anders is dan een verzameling. Zij kan zich aan de psycholoog niet anders voordoen.

In elk geval waakt de psycholoog er nauwkeurig voor de mensen om zich heen als zijn gelijken te beschouwen. Evenals het ‘objectieve’ experiment levert de introspectie in zijn geval niets anders op dan feiten. Als er dan later een definitie van het begrip mens dient te komen, dan wordt er doorverwezen naar het oneindige. Hieruit volgt dat het idee mens, als het ooit een positieve betekenis krijgt, niet meer is dan een tentatief begrip, beoogd om uiteenlopend materiaal te verenigen en slechts aannemelijk voor zover ermee te werken valt. Het resultaat van deze voorzichtigheid is dat de psychologie slechts een totaal van uiteenlopende feiten biedt.

De wanorde van de verzameling van feiten is geen toeval, maar vloeit juist voort uit de principes van de psychologische wetenschap. Afgaan op het feit houdt per definitie in: afgaan op het begrensde, uit positivisme de voorkeur geven aan het bijkomstige boven het essentiële. Het betekent in wezen het essentiële naar de toekomst verwijzen. Het antwoord hierop van de natuurwetenschappen is zich niet ten doel stellen de wereld te kennen, maar de voorwaarden waaronder bepaalde algemene verschijnselen mogelijk zijn. Dat begrip wereld is problematisch, daar het een verwachting maakt van een synthetisch geheel. De mens is nu juist een wezen van hetzelfde type als de wereld. Het is, zoals Heidegger meent, zelfs mogelijk dat de begrippen wereld ‘menselijke werkelijkheid’ (Dasein) niet te scheiden zijn. Juist om die reden moet de psychologie erin berusten dat zij de menselijke werkelijkheid mis loopt, menselijke werkelijkheid al bestaat. De psycholoog neemt aan dat de mens emoties heeft, de ervaring leert het hem immers. Onderzoeken onder welke voorwaarden een emotie mogelijk is, dat wil zeggen: de vraag stellen of het niet juist de structuur van de menselijke werkelijkheid is die emoties mogelijk maakt, en hoe mogelijk maakt, dat komt de psycholoog nutteloos en absurd voor. Waar de psycholoog weigert gaat Sartre verder.

Als reactie op het ontoereikende van psychologie en psychologisme ontstond er ongeveer dertig jaar geleden een nieuwe discipline: de fenomenologie. Volgens Husserl zijn essenties en feiten onderling niet te meten, en wie zijn onderzoek bij de feiten begint, slaagt er nimmer in bij de essenties terecht te komen. Husserl weet gebruik te maken van het absolute, aan zichzelf nabije bewustzijn, waarvan de psycholoog niet heeft willen profiteren. Elk bewustzijn bestaat precies in die mate waarin het bewustzijn van het bestaan is. Wat hij probeert te beschrijven en in begrippen te vangen, zijn nu juist de essenties die beheersen hoe de zaken zich in het transcendentale veld afspelen.

Van de volstrekte nabijheid van onderzoeker en onderzocht object gaat ook een andere fenomenoloog uit: Heidegger. Er is iets waarin het onderzoek naar de mens altijd verschilt, en wel de uitzonderlijke omstandigheid dat wij de menselijke werkelijkheid zijn: “Het existerende dat wij moeten analyseren zijn wij zelf”, aldus Heidegger. Er verantwoordelijk voor zijn in plaats van het van buiten af toegekend te krijgen, zoals een steen dat krijgt. “En aangezien de ‘menselijke werkelijkheid’ in wezen zijn eigen mogelijkheid is, kan dit existerende zichzelf in zijn wezen ‘kiezen’, zich winnen, het kan zich verliezen’. Dit in de menselijke werkelijkheid kenmerkende ‘aanvaarden’ van zichzelf ligt een begrijpen van de menselijke werkelijkheid door zichzelf besloten, hoe onverstaanbaar dat begrijpen ook mag zijn.

Sartre wil het begrip ‘ervaring’ niet laten varen, immers de grondslag van de fenomenologie is ‘tot de dingen zelf gaan’. Maar hij geeft aan dat we het hanteerbaar moeten maken en een plaats moeten inruimen voor de ervaring van essenties en waarden. Wij moeten zelfs inzien dat we feiten pas met behulp van de essenties kunnen classificeren en onderzoeken. Het begrip mens is voor de fenomenologie al evenmin een empirisch begrip, het product van historische generalisaties, kan zijn en dat wij in tegendeel genoodzaakt zijn stilzwijgend gebruik te maken van de aprioi-essentie mens-zijn om de generalisaties van de psycholoog een min of meer degelijke grond te verschaffen. Bovendien begint de psychologie nooit bij de primaire feiten, want die komen wij niet tegen. De feiten zijn naar hun essentiële structuur reacties van de mens op de wereld; ze veronderstellen de mens en de wereld dus en kunnen daarna pas hun ware betekenis krijgen.

De bron van de mens, van de wereld en van het psychische: het transcendentale en constituerende bewustzijn, bereiken we door de ‘fenomenologische reductie’ of het ‘tussen haken zetten van de wereld’. Dan komt er dus een fenomenologie van de emotie, die na ‘de wereld tussen haken te hebben gezet’ de emotie bestudeert als een zuiver transcendentaal verschijnsel, en dat niet door zich te richten op de emoties afzonderlijk, maar door te pogen de transcendentale essentie van de emotie als geordend bewustzijnstype te plaatsen en te verduidelijken.

De emotie betekent op haar manier het geheel van het bewustzijn of, als wij ons op het existentiële niveau plaatsen, van de menselijke werkelijkheid. Van een bepaalde kant geeft zij uitdrukking aan de menselijke synthetische totaliteit in haar volledigheid. En daar moeten wij vooral niet onder verstaan dat zij het gevolg is van de menselijke werkelijkheid. Zij is die menselijke werkelijkheid zelf, bezig zich in de gedaante van de emotie te verwerkelijken. Het is dan niet langer mogelijk de emotie te zien als een psychologische stoornis. Zij kent essentie, eigen structuren, regels waaronder zij voorkomt, betekenis. Zij kan nooit van buiten af in de menselijke werkelijkheid komen.

Voor de fenomenoloog heeft elk menselijk feit uiteraard betekenis. Ontneem je er de betekenis aan, dan ontneem je het zijn aard van menselijk feit. Het is dus de taak van de fenomenologie de betekenis van de emotie te bestuderen. Betekenis geven is naar iets anders verwijzen; en er zo naar verwijzen dat je door de betekenis te ontvouwen precies het betekende vindt. Wil de fenomenologie van een emotie een echt bewustzijnsverschijnsel maken, dan moeten wij haar echter voor alles zien als iets dat betekent. Dat wil zeggen, stellen dat zij is precies in de mate waarin zij iets betekent.

Wij moeten veeleer proberen de betekenis van gedragingen en van het geëmotioneerde bewustzijn uit te werken.

Sartre bespreekt de klassieke psychologische theorieën om vervolgens uit te komen op de psychoanalyse. Hij toont de gebreken van de psychoanalyse.

Belangrijk voor ons begrip van de betekenis van de emotie, is de doelgerichtheid van de emotie. Dit doelgerichte veronderstelt een synthetische organisatie van gedragingen, die niets anders kan zijn dan het onbewuste van de psychoanalytici of het bewustzijn. De psychoanalytische theorie van de emotie kunnen we formuleren als finaliteit. Essentieel kenmerkend voor de emotie daarbij is dat zij wordt ondergaan. Het is een symbolische verwerkelijking van het onderbewustzijn. Het control center heeft geen zeggenschap hierover. Al het bewuste gedrag betekent niet dat gedrag, het betekende is geheel afgesneden van het betekenende. Het bewuste feit verhoudt zich tot het betekende zoals een ding, gevolg van een bepaalde gebeurtenis, zich tot die gebeurtenis verhoudt.

Een bewust feit is dan causaal gevolg en passief en tegelijkertijd staat het op zichzelf. Het onmiddellijk gevolg van een dergelijke interpretatie is dat men meteen het bewustzijn met betrekking tot wat het betekent tot ding maakt, dat men aanvaardt dat het bewustzijn als betekenis optreedt zonder zich bewust te zijn van de betekenis die het vormt. Maar in dat geval moet men het cartesiaanse cogito geheel en al laten varen en van het bewustzijn een ondergeschikt en passief verschijnsel maken. Als het dus een betekenis heeft, moet het die als bewustzijnsstructuur in zich bergen. Dat wil geenszins zeggen dat die betekenis volkomen expliciet moet zijn.

Het bewuste feit symboliseert het complex dat het uitdrukt. En dit symboolkarakter staat in de ogen van de psychoanalyticus kennelijk niet buiten het bewuste feit zelf: het ligt eraan ten grondslag. Dit is het geval. Maar voegen we daaraan toe dat het bewustzijn symboliseert onder de causale druk van een transcendent feit, en wel de verdrongen wens, dan komen we weer terecht hij de eerder vermelde theorie, die de relatie tussen het betekende en het betekenende tot een causale relatie maakt. Het is een diepgaande tegenstrijdigheid in de gehele psychoanalyse, dat zij tegelijkertijd een causaliteitsrelatie en een begripsrelatie legt tussen de verschijnselen die zij bestudeert. Die twee soorten relatie zijn onverenigbaar. Wij moeten elke waarde en elke begrijpelijkheid ontzeggen aan

theorie van de psychische causaliteit die eraan ten grondslag ligt. Een theorie van de emotie die stelt dat emotieve feiten betekenend van aard zijn moet deze betekenis in het bewustzijn zelf zoeken. Anders gezegd: ter wille van een innerlijke betekenis maakt het bewustzijn zich zelf tot geëmotioneerd bewustzijn. En wij moeten erkennen dat hun theorie heel goed rekenschap geeft van deze kloof tussen betekenis en bewustzijn, wat ons niet hoeft te verwonderen, want daarvoor juist was zij opgesteld. In de meeste gevallen vechten wij in onze bewuste spontaniteit tegen het aan de dag leggen van emoties: wij proberen onze vrees meester te worden, onze woede te kalmeren, onze tranen in te houden. Wij zijn ons dus niet alleen niet bewust dat de emotie ergens toe dient, we weren de emotie uit alle macht af, zij overvalt ons ondanks onszelf.

Het merendeel van de psychologen vat het gebeuren hij een emotie op alsof het bewustzijn van de emotie in de eerste plaats een reflexief bewustzijn is, dat wil zeggen alsof de emotie in haar hoedanigheid van bewustzijnsfeit zich in eerste aanleg aan ons voordoet als een wijziging in ons psychisch bestaan, of, om het in gewone taal te zeggen: in de eerste plaats zou worden opgevat als een toestand van het bewustzijn.

Het emotionele bewustzijn is primair irreflexief en kan op dat niveau slechts op de niet stellende modus bewustzijn van zichzelf zijn. Het emotionele bewustzijn is voor alles bewustzijn van de wereld. Het is immers duidelijk dat wie bang is, bang is voor iets. Een waarneming, een signaal-voorstelling wordt losgemaakt. Maar blijkbaar verwijdert de emotie zich daarna in hun ogen van haar object en gaat zij in. Alsof het ontvluchte object met voortdurend in de vlucht zelfaanwezig blijft, als het thema, de bestaansgrond ervan, als datgene waarvoor men vlucht. Het geëmotioneerde subject en het emotionerende object worden in een onverbreekbare synthese verenigd. De emotie is een bepaalde manier om de wereld te begrijpen. En het is niet noodzakelijk dat het subject tussen de handeling die mislukt en de woede tot zichzelf inkeert, een reflexief bewustzijn inlast. Er is een voortdurende overgang mogelijk van het irreflexieve bewustzijn ‘be-handelde wereld’ (handeling) naar het irreflexieve bewustzijn ‘rotwereld’ (woede). De laatste is een gedaantewisseling van de eerste. Om beter de zin te begrijpen van wat nu volgt, is het noodzakelijk de essentie van irreflexief gedrag goed voor de geest te halen. We kunnen wel reflecteren op ons handelen, maar een op de wereld gerichte handeling verloopt meestal zonder dat het subject het irreflexieve niveau verlaat, er zijn namelijk wezenlijke verschillen. Zo vormt het handelen in een waarschijnlijke wereld een laag van objecten die zeker zijn. Het zijn mijn bezigheden die ze zo vormt: ze verschijnen als mogelijkheden die verwerkelijkt moeten worden. Niet: verwerkelijkt door mij. Het ik laat zich hier helemaal niet zien. Ik voel gewoon hoe ze aan mij trekken. Ik voel hun dwang voel ik objectief. Als ik schrijf ben ik het instrument van de woorden. Ik ben mij bewust van mijn hand, waardoor de woorden verwerkelijkt worden. Hier aangekomen aarzel ik: zal ik ‘dus’ schrijven of ’bij gevolg’? Dat impliceert allerminst een terug naar mijzelf. Het is gewoon zo dat de mogelijkheden ‘dus’ en ‘bijgevolg’ zich — als mogelijkheden — voordoen en in conflict raken. Hier is van belang hoe de handeling als spontaan, irreflexief bewustzijn zoiets als een existentiële laag in de wereld vormt en dat men om te handelen zich niet van zichzelf als handelend bewust hoeft te zijn. Integendeel irreflexief gedrag is niet een onbewust gedrag, maar een gedrag dat zich van zichzelf bewust is zonder zich tot object te nemen, en zijn manier om zich thetisch van zichzelf bewust te zijn is zich te transcenderen en zich aan de wereld te beleven als een eigenschap van de dingen. De opvatting van het middel als de enig mogelijke weg om een doel te bereiken kunnen wijde pragmatische intuïtie van het determinisme van de wereld. Een moeilijke wereld is niet een reflexieve optie, die een relatie met mij impliceert. Het is er, tekent de wereld, het is een hoedanigheid van de wereld die zich in de waarneming aanmeldt, het is het noëmatische correlaat van de activiteit die wij begonnen of nog slechts van plan zijn.

Wij kunnen ons nu een idee vormen van wat een emotie is. Het is een transformatie van de wereld. Wanneer de gebaande wegen te moeilijk worden of wanneer wij geen weg meer zien, kunnen wij niet langer in een zo dwingende en moeilijke wereld blijven. Alle wegen zijn versperd, en toch moet er handelend worden opgetreden. Dus proberen wij de wereld te veranderen, dat wil zeggen haar te beleven alsof de relatie tussen de dingen en hun mogelijkheid niet beheerst wordt door deterministische processen, maar door magie. Dit is geen spel: wij worden ertoe gedwongen en wij storten ons in dit nieuwe gedrag met alle kracht die we kunnen opbreng. Deze poging is als zodanig niet bewust, want dan was zij het object van een reflexie. Omdat de greep op een bepaald object onmogelijk wordt of een ondraaglijke spanning teweeg brengt, be-grijpt het bewustzijn het op een andere manier, probeert het dat althans te doen; dat wil zeggen: het bewustzijn transformeert zich ten einde het object te transformeren. Van dergelijke transformaties vinden we talloze voorbeelden in het handelen en in de waarneming. Via die bewegingen richt zich een intentie, die ze transcendeert. Zo begrijpen wij via een verandering van intentie, zoals bij een verandering in het gedrag, een nieuw object of een oud object op een nieuwe manier. Het is niet nodig dat wij eerst op reflexief niveau komen. Maar het emotieve gedrag ligt niet op hetzelfde niveau als ons overige gedrag, het beoogt geen effect. Het heeft niet tot doel door het inschakelen van bijzondere middelen echt op het object als zodanig in te werken. Het probeert op eigen kracht en zonder het object in zijn werkelijke structuur te wijzigen een andere hoedanigheid aan het object te geven, een minder bestaan of een minder aanwezig zijn. Als de emotie een spel is, dan toch een spel waaraan wij geloven. Die dwingende eigenschap wordt al spoedig ondraaglijk, want de mogelijkheid kan niet verwerkelijkt worden. De komedie is maar voor een deel oprecht. Maar als de situatie dwingender is, en het bezwerend gedrag in ernst voltrokken wordt, zijn we bij de emotie. Het flauwvallen is bijvoorbeeld vaak een toevlucht bij machteloze vrees. Het irreflexieve niveau wordt niet verlaten; maar omdat men het gevaar langs de gebruikelijke weg en volgens deterministische logica niet kon ontlopen, heb ik het ontkend. Ik heb het teniet willen doen. Het dwingende van het gevaar heeft tot een vernietigende intentie gemotiveerd, die een magisch gedrag heeft opgeroepen. En door dit te doen heb ik het gevaar zoveel als in mijn vermogen lag teniet gedaan.

Hier ligt de grens van mijn magisch handelen jegens de wereld: ik kan het object als object van het bewustzijn opheffen, maar ik kan dat alleen als ik het bewustzijn zelf ophef. Men moet beslist niet denken dat het fysiologisch gedrag van machteloze vrees louter chaotisch is. Het betekent een schoksgewijs verloop van de lichamelijke processen die gewoonlijk hij de overgang van waken naar slapen optreden. Vluchten in geagiteerde vrees wordt ten onrechte voor een redelijk gedrag gehouden. Men heeft een verkeerd begrip van dit gedrag, als men vindt dat het eigenlijk voorzichtigheid is. Wij vluchten niet om ons in veiligheid te brengen: wij vluchten omdat het ons niet mogelijk is ons in het flauwvallen teniet te doen. Vluchten is een gespeeld flauwvallen, een magisch gedrag, en wel het loochenen van het gevaarlijke object met heel ons lichaam, waarbij wij de structuur van de ruimte waarin wij leven omkeren door onverhoeds een potentiële richting te scheppen, en weide andere kant uit. Het is een manier om het te vergeten, om het te loochenen.

Het is zelden zo dat men zijn verdriet echt koestert. Één van de gewone bestaansvoorwaarden voor ons handelen is verdwenen en nu verlangt de wereld van ons dat wij in de wereld en met de wereld handelen zonder die voorwaarde. Neerslachtigheid wordt aangewend om onder de verplichting uit te komen naar nieuwe wegen te zoeken, om de structuur van de wereld te veranderen, door de wereld zoals zij zich nu presenteert te vervangen door een totaal ongedifferentieerde structuur. Omdat wij wat we van plan waren niet kunnen en willen uitvoeren, doen we net of de wereld niets meer van ons vergt. Tegelijk echter nemen wij vanzelf een ineengedoken houding aan, wij ‘krimpen ineen’. Het noëmatisch correlaat van deze houding is Toevlucht. De hele wereld is naargeestig, maar juist omdat wij ons tegen de angstwekkende en grenzeloze eentonigheid ervan willen beschermen, maken wij de ene of andere plek tot ‘hoekje’. Dat is dan de enige differentiatie in de volledige monotonie van de wereld: een stukje muur, een beetje duister om de eindeloze naargeestigheid ervan aan ons oog te onttrekken. Het is een magisch overdrijven van de moeilijkheden van de wereld.

Maar wat te zeggen van de vreugde? Allereerst moet een onderscheid gemaakt tussen het gevoel vreugde, dat op een evenwicht duidt, een aangepaste toestand, en de emotie vreugde. Deze laatste kenmerkt zich welbeschouwd door een zeker ongeduld.

Een zekere tijdsduur scheidt hem van het object. En zelfs als het er al is, zelfs als de vriend naar wie je zo heeft uitgekeken het perron op stapt, is het nog een object dat zich slechts stukje bij beetje uitlevert, weldra zal het genoegen van het weerzien wegebben: het zal ons nooit gelukken het daar, voor ons, vast te houden als ons absoluut eigendom en het ineens als een totaliteit te vatten. Vreugde is een magisch gedrag dat tracht bezwerenderwijs het bezit van het begeerde object als ogenblikkelijke totaliteit te verwezenlijken. Dit gedrag gaat gepaard met de zekerheid dat dit bezit vroeg of laat werkelijkheid zal zijn, maar het wil op dit bezit vooruitlopen. De verschillende uitingen van vreugde, zoals een verhoogde spiertonus, een lichte vaatverwijding, worden bezield en getranscendeerd door een intentie die via dit alles op de wereld gericht is. Elk gebaar versterkt deze euforie. Dansen, zingen van vreugde zijn gedragingen die er symbolisch nabij komen, zijn bezweringen. Zij zijn het middel waarmee het object ineens en symbolisch wordt bezeten.

Deze voorbeelden van droefheid en vreugde zijn slechts enkele, maar stelt ons in staat om de functionele rol van de emotie te waarderen, maar over haar aard weten wij nog niet veel. Om er de betekenis en de doelgerichtheid van te vatten zouden wij elke situatie op zichzelf moeten kennen en analyseren. In het algemeen zijn er niet vier hoofdtypen van emoties. Er zijn er veel meer, zo is woede bijvoorbeeld de overtroffen vrees. Zij houdt de vrees die eerder was vast en neemt deze op in haar eigen structuur. Pas als men overtuigd is van de functionele structuur van de emotie, is men in staat de oneindige verscheidenheid aan emotieve bewustzijnen te begrijpen. Ook moet nadrukkelijk op een belangrijk feit gewezen worden: de zuivere en enkele gedragingen zijn niet de emotie, net zomin als het zuivere en enkele bewustzijn van de gedragingen. Als dat zo was, zou het finalistische karakter van de emotie inderdaad heel wat duidelijker in het oog springen en zou anderzijds het bewustzijn er zich gemakkelijk van kunnen bevrijden. Er zijn trouwens pseudo-emoties, de slechts gedragingen zijn, zoals de onechte blijdschap wanneer we een lelijk cadeau krijgen. Hierbij moeten we er ons bewust van zijn dat de onechtheid niet een logisch kenmerk van bepaalde proposities is, maar een existentiële hoedanigheid. Deze onechte staten onderscheiden zich van die van de toneelspeler. De toneelspeler bootst vreugde na, maar hij is niet vrolijk, want zijn gedragingen beantwoorden aan een fictieve wereld. Door middel van deze gedragingen kennen wij dan ook op magische wijze bepaalde hoedanigheden toe aan echte objecten. Hoedanigheden die onecht zijn. Hun onechtheid komt voort uit een essentiële zwakheid, die zich voordoet als heftigheid. De echte emotie is heel anders: die gaat gepaard met overtuiging. De aan de voorwerpen toegeschreven hoedanigheden worden als echt begrepen.

Om dat werkelijk te vatten, moeten wij het niet slechts nabootsen, we moeten betoverd, overstelpt zijn door onze eigen emotie, het formele gedragskader moet opgevuld worden door iets ondoorschijnends en zwaars dat als haar materie kan dienen. Hier zien wij de rol van de zuiver fysiologische verschijnselen: ze vormen het bewijs dat het ernst is met de emotie, het zijn waarborgen van echtheid. Natuurlijk moeten wij ze niet gescheiden zien van het gedrag.

Het is onmogelijk om precies aan te geven wat de grens is tussen stoornissen en gedrag: zij gaan tenslotte met het gedrag op in één synthetische totaalvorm en zouden niet afzonderlijk bestudeerd kunnen worden: de grote vergissing van de perifere theorie is juist dat zij ze geïsoleerd beschouwd heeft. Wij moeten dus in aanmerking nemen dat de emotie ni zomaar gespeeld wordt, niet louter gedrag is; het is het gedrag van een lichaam dat in een bepaalde staat verkeert: een staat die alleen het gedrag niet te voorschijn zou roepen, liet gedrag zonder die toestand is komedie. Nee, de emotie verschijnt als het lichaam, dat van streek is, een bepaald gedrag vertoont. Anderzijds zou het gedrag zonder van streek te zijn louter betekenis zijn, het schema van een affect. Wij hebben hier wel degelijk een synthetische vorm voor ons: om te geloven in de magische gedragingen moet men van streek zijn. Om een duidelijk beeld te krijgen van het emotie- proces vanuit liet bewustzijn, moeten wij ons dat dubbele karakter van het lichaam herinneren, dat enerzijds een object in de wereld is en anderzijds liet onmiddellijk beleefde van het bewustzijn. Dan kunnen wij er de essentie van begrijpen: de emotie is een verschijnsel dat overtuigd. Als alle wegen versperd zijn en het bewustzijn zich in de magische wereld van de emotie stort, het zich er geheel en al in stort en zich zo degradeert; het is een nieuw bewustzijn tegenover een nieuwe wereld, en het schept die wereld met het innigste dat het heeft, met dat afstandsloos aan zichzelf aanwezig zijn van zijn uitzicht op de wereld. Vandaar dat de fysiologische uitingen eigenlijk maar heel alledaagse stoornissen zijn: zij lijken op uitingen van koorts en dergelijke. Zij betekenen slechts het totale en gewone in de war zijn van het lichaam als zodanig. Op zichzelf genomen is het niets, het betekent niets meer dan een verduistering van het zicht van het bewustzijn op de dingen, voor zover het bewustzijn deze verduistering realiseert en spontaan beleeft. Zo dan is de oorsprong van de emotie een spontane en beleefde degradatie van het bewustzijn tegenover de wereld. En het van streek zijn van het lichaam is niets anders dan wat het bewustzijn beleeft als overtuiging, maar dan van buitenaf bekeken. Maar wij moeten wel opmerken dat het bewustzijn geen thetisch bewustzijn heeft van zichzelf als zich degraderend om aan de druk van de wereld te ontkomen: het heeft slechts emotioneel besef van de degradatie van de wereld, die naar het magische niveau overgaat. Blijft over dat het een niet-thetisch bewustzijn van zichzelf is. In dit opzicht en alleen in dit opzicht kan men van een emotie zeggen dat zij niet oprecht is. Het hoeft dus niet te verwonderen dat het doel van de emotie niet door een bewustzijns-act binnen de emotie zelf wordt gesteld. Deze doelgerichtheid is daarmee nog niet onbewust: zij put zich uit in de opbouw van het object. Ook is het belangrijk om op te merken dat het bewustzijn in zijn eigen val loopt. En wel omdat het het nieuwe aanzien van de wereld beleeft door erin te geloven, het raakt in zijn eigen geloof verstrikt, precies als in de droom en de hysterie. Het bewustzijn van de emotie is een gevangen bewustzijn. Zo komt het dus dat het bewustzijn, aangezien het de magische wereld beleeft waarin het geworpen is, ertoe neigt deze wereld te laten voortduren, het houdt zich er aan vast: de emotie neigt tot voortduren. In deze zin kan men het ‘onderhevig’ noemen: het bewustzijn raakt over zijn emotie aangedaan, het overtreft zich.

Toch zou, op zichzelf de emotie niet zo absorberend zijn, als zij in het object slechts het exacte tegendeel zag van wat zij zelf noëtisch is. Wat er pas een emotie p maakt is dat zij in het object iets vat dat oneindig veel verder gaat. Er is wel degelijk een wereld van de emotie, zoals men spreekt van een wereld van de droom of van de werelden van de waanzin. Een wereld, dat wil zeggen: afzonderlijke syntheses die onderling verband houden en kwaliteiten bezitten. Een kwaliteit wordt echter slechts aan een object verleend via een overgang naar het oneindige. Op een dergelijke manier gaat het toe, als de emotie aan het object en aan de wereld kwaliteiten toekent, zij kent ze hun dan ad aeternum toe. ‘Het afschrikwekkende’ is nu juist dat het afschrikwekkende een substantiële kwaliteit is, dat er afschrikking in de wereld bestaat. Op slag wordt de emotie aan zichzelf ontrukt, zij overstijgt zich zelf, zij is niet een gewoon voorval uit ons dagelijks leven, zij is een intuïtie van het absolute.

Wij hebben gezien dat in de emotie het bewustzijn zich verlaagt en de gedetermineerde wereld waarin wij leven plotseling- in een magische wereld verandert. Maar er is ook iets wederkerigs: die wereld zelf openbaart zich soms aan het bewustzijn als magisch, daar waar men verwachtte dat zij deterministisch zou zijn. Er is een existentiële structuur van de wereld die magisch is. Wij willen hier niet uitweiden over dit onderwerp, dat we ons voornemen elders te behandelen. Niettemin kunnen wij er nu al wel op wijzen dat de ‘magische’ categorie de inter-psychische betrekkingen van de mensen in een samenleving beheerst, en meer in het bijzonder onze waarneming van de ander. Het magische is, zoals Alain zegt, een irrationele synthese van spontaniteit en passiviteit. Het is een lijdelijke activiteit, een passiefgemaakt bewustzijn.

Het bewustzijn kan alleen maar transcendent object zijn, wanneer het de modificatie tot passiviteit ondergaat. Zo is de betekenis van een gezicht in de eerste plaats bewustzijn, maar wel een veranderd, gedegradeerd bewustzijn, dat nu juist passiviteit is. Zo is dan de mens altijd een tovenaar voor de mens en is de sociale wereld in de eerste plaats magisch. Wanneer de door de rede zo moeizaam opgebouwde superstructuren ineenstorten en de mens zich onverhoeds weer in de oorspronkelijke magie ondergedompeld, vat het bewustzijn het magische als magisch, beleeft het te heviger als zodanig.

Alleen komen de primaire magie en de betekenis van de emotie van de wereld, en niet van onszelf. Natuurlijk is de magie, als werkelijke eigenschap van de wereld, niet strikt tot het menselijke beperkt. Er is geen strikt absoluut onderscheid tussen de hoofdtypen van de emoties, vaak lopen zij door elkaar heen. Het is mogelijk dat, wanneer de wereld zich op de een of andere manier als magisch aandient, het bewustzijn de aard van deze magie verduidelijkt en bezegelt, haar overal over uitbreidt of haar integendeel in hand neemt en op een enkel object richt. In elk geval dient men te beseffen dat de emotie niet een toevallige wijziging is. Wil een object echt schrikwekkend aandoen, dan moet het zich als een onmiddellijke en magische aanwezigheid aan het bewustzijn manifesteren.

Het verschrikkelijke kan slechts verschijnen tegen de achtergrond van een wereld die zo is dat alles wat erin bestaat magisch van aard is en dat de middelen die men tegen het bestaande te hulp kan roepen magisch zijn. Het bewustzijn kan op twee verschillende manieren ‘in de wereld zijn’. De wereld kan zich eraan voordoen als een geordend complex van werktuigen, die zo zijn dat men bepaalde elementen van het complex moet beïnvloeden, wil men een bepaald effect bereiken. In dit geval verwijst elk werktuig naar andere werktuigen en naar het geheel van werktuigen, er bestaat geen absolute handeling noch een radicale verandering die men onmiddellijk in deze wereld teweeg kan brengen. Men moet een bepaald werktuig veranderen en dat door middel van een ander werktuig, dat op zijn beurt naar weer andere werktuigen verwijst en zo tot in het oneindige door.

Maar de wereld kan zich ook aan het bewustzijn voordoen als een niet werktuiglijke totaliteit, dat wil zeggen als iets dat zonder tussenkomst en massaal te wijzigen is. In dit geval zullen de categorieën van de wereld het bewustzijn onmiddellijk beïnvloeden, zij zijn voor het bewustzijn zonder afstand aanwezig. En omgekeerd probeert het bewustzijn afstandsloos en werktuigloos die gevaren te bestrijden of die objecten te wijzigen door absolute en massieve wijziging van de wereld. Dit aspect van de wereld is geheel en al coherent, het is de magische wereld.

De emotie is de terugkeer van het bewustzijn tot de magische instelling, een van de belangrijke instellingen die essentieel zijn voor het bewustzijn, gepaard met het verschijnen van de daarbij behorende wereld, de magische wereld. De emotie is niet toeval, zij is één wijze van bestaan van het bewustzijn, een van de manieren waarop het bewustzijn zijn ‘in de wereld zijn’ begrijpt (in de heideggeriaanse betekenis van ‘verstehen’). De emotie is ons ‘verstehen’ van ons in-de-wereld-zijn.

Er kan zich op de emotie altijd nog een reflexief bewustzijn richten. In dit geval laat de emotie zich zien als structuur van het bewustzijn. Zij heeft betekenis, zij betekent iets voor het leven van mijn ziel.

Wat de psychologie interesseert is de mens in een situatie. Op die manier is zij, zoals we gezien hebben, aan de fenomenologie ondergeschikt, want een echt positieve studie van de mens in een situatie had vooraf de noties mens, wereld, in-de-wereld-zijn, situatie moeten verhelderen. Moet de psychologie wachten tot de fenomenologie tot volle wijsdom is gekomen? Sartre denkt van niet. Voor het ogenblik moet zij niet zozeer proberen de feiten te verzamelen, maar meer nog de verschijnselen te ondervragen, dat wil zeggen: het psychische gebeuren voor zover dat betekent, met bijvoorbeeld inzien dat de emotie als fysiek verschijnsel niet bestaat, omdat een lichaam niet geëmotioneerd kan zijn zolang het geen zin kan verlenen aan zijn eigen uitingen. Doordat de menselijke werkelijkheid ‘aanvaard’ is, moet zij het bewustzijn zelf ondervragen, want vreugde is slechts vreugde voor zover zij zo aan zichzelf verschijnt.

En juist omdat zij niet naar feiten maar naar betekenissen zoekt, moet zij de methode van inductieve introspectie of van externe empirische waarneming loslaten en alleen proberen vat te krijgen op de essentie van de verschijnselen. Ook zij moet zich dus aandienen als een eidetische wetenschap. Slechts één ding moet haar interesseren, het verschijnsel in zijn betekenende hoedanigheid. Een dergelijke wetenschap is zeer wel mogelijk, al bestaat zij nog niet.

Een fenomenologische psychologie die zeker van zichzelf is en die vooraf schoon schip heeft gemaakt, zou meteen beginnen met de essentie van het psychologische feit dat zij onderzoekt in een eidetische reflexie vast te leggen. Het psychische feit als de emotie, die gewoonlijk als een willekeurige stoornis wordt gezien, een eigen betekenis heeft en niet op zichzelf begrepen kan worden, zonder begrip van die betekenis. Een emotie verwijst naar wat zij betekent. En wat zij betekent, dat nu is inderdaad het geheel van de betrekkingen van de menselijke werkelijkheid tot de wereld. De overgang naar de emotie is een totale verandering van ‘het in de wereld zijn’ volgens de zeer bijzondere wetten van de magie. De psychologische theorie van de emotie veronderstelt dat vooraf de affectiviteit is beschreven, voor zover deze het wezen van de menselijke werkelijkheid constitueert.

De fenomenologische psychologie is regressief, de zuivere fenomenologie daarentegen is progressief. En al kan de fenomenologie bewijzen dat de emotie een essentiële verwerkelijking is van de menselijke werkelijkheid voor zover zij gemoedsaandoening is, zij zal onmogelijk kunnen aantonen dat de menselijke werkelijkheid zich onvermijdelijk in zulke emoties moet manifesteren. Dat deze en gene emotie bestaan en deze alleen, getuigt zonder enige twijfel van de facticiteit van de menselijke existentie. En het is naar alle waarschijnlijkheid ook deze facticiteit die de psychologische regressie en de fenomenologische progressie van elkaar vandaan zal houden.

Samenvattingen

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: