Sharon Hagenbeek is Watching You!

Linguïstiek & Poëtica – Jakobson

door

Jakobson heeft zich bij tekst laten leiden door het principe van de Communicatietheorie: een tekst kan wel kunstmatig geïsoleerd worden voor een wetenschappelijk onderzoek, maar geïsoleerd is enkel kunstmatig in een communicatiesituatie, want een tekst functioneert in een communicatiesituatie. Elk vakgebied heeft eigen jargon. Wat mag een resultaat genoemd worden?

Relatie poëtica & linguïstiek
Poëtica heeft in de eerste plaats te maken met: wat maakt een bericht in woorden tot een kunstwerk? Hoofdonderwerp van de poëtica is de differentia specifica van de verbale kunst met betrekking tot andere kunstvormen en met betrekking tot andere soorten van verbaal gedrag.
Bij poëtica heeft dit te maken met verbale structuren, linguïstiek is een wetenschap die ook de verbale structuren bevat. Daarom poëtica onderdeel van linguïstiek.
1e bezwaar: poëtica bestudeert niet alleen verbale kunst & verbale kunst is niet alleen taaltekens bij elkaar. Veel poëtische kenmerken -> taalwetenschap en algemeen semiotiek probleem.
2e bezwaar: probleem relatie tussen woord en wereld is niet alleen bij verbale kunst, maar alle soorten communicatie. Wat en hoe woorden in/van deze wereld, in linguïstiek onderzoeken overschrijdt met de waarheidswaarden voor zover zij extralinguïstieke entiteiten zijn de grenzen van poëtica en linguïstiek in het algemeen.

Dat poëtica in tegenstelling tot linguïstiek tot een evaluatie moet komen is gebaseerd op de foute interpretatie van de structuur van poëzie (doelbewust en dus geregeld) en van andere typen van verbale structuur (ongeregelde, willekeurige). In feite is elk verbaal gedrag doelgericht, maar met verschillende doelen en conformiteit van de gebruikte middelen. Toch grote overeenkomst in de beweging in ruimte en tijd van de linguïstiek en de poëtica.

Een beoefenaar van de literatuurwetenschap is ertoe verleidt de beschrijving van de intrinsieke waarden van een literair werk te verwisselen met een subjectief, censurerend oordeel. Principe Laissez Faire: ‘iedere verbale vorm van cultuur brengt programmatische, planmatige, normatieve tendensen met zich mee’.
Waarom is er wel een scheiding tussen zuivere en toegepaste taalkunde maar niet tussen literatuurwetenschap en literaire kritiek?

Maar taal brengt voor alle wetenschap problemen als we niet de verschillende functies erkennen en bekijken. Dan pas kunnen we de poëtische functie onderscheiden en bekijken. Daarom in iedere verbale communicatie (het communicatiemodel):

Context = referent.
Code = gemeenschappelijk afgesproken taal.
Contact =fysiek kanaal en psychologische koppeling tussen zender en ontvanger, daar waar men in communicatie treedt. (Tussenhaakjes de talige functies van het model)

Ieder van deze 6 factoren heeft andere functie in taal. Hoewel er 6 basisaspecten van taal zijn te onderscheiden, kunnen we niet maar één functie aan een verbaal bericht toekennen. Verscheidenheid functies door hiërarchie, verbale structuur van bericht hangt af van de overheersende functie.

6 functies van dit model:

1. Poëtische functie (voor literatuur belangrijk; de gerichtheid op het bericht zelf, niet terug te leiden tot enkel de poëzie, dominante bepalende functie, terwijl zij in alle andere verbale activiteiten optreedt als een ondergeschikte, bijkomende constituent. Doordat deze functie de tastbaarheid van de tekens bevordert, versterkt zij de fundamentele dichotomie tussen teken en object, daarom kan de linguïstiek haar niet beperken tot het gebied van de poëzie; vb. slagzinnen, slogans, gebruik van klanken, de keuze)
2. Emotieve functie v boodschap (expressieve functie; niet aan iemand in het bijzonder gericht; waar of geveinsd, tot op zekere hoogte in alle verbale uitingen; een klankpatroon bijvoorbeeld, zijn wel conventioneel gecodeerd= linguïstiek kenmerk)
3. Conatieve functie (gericht op de ontvanger; ‘doe de deur dicht’, bij imperatieve zinnen het meest duidelijk)
4. Referentiële functie (voornaamste functie van verbale berichten, ook wel: denotatieve, cognitieve functie; gericht op context; ‘het boek … = uit …’)
5. Fatische functie (gericht op contact; ‘zuchten in de trein in de hoop op een reactie’ of gewoon een simpel ‘hallo’, een rijke uitwisseling van geritualiseerde formules, gelijk aan de communicatie van vogels; eerste verbale functie die verworven wordt door kinderen)
6. Metalinguale functie (niet begrepen betekenis; ‘gericht op code’: ‘snap je wat ik bedoel?’, ‘wat bedoel je?’)

De bijzonderheden van de verschillende poëtische genres impliceren een op verschillende wijze gerangschikte participatie van de andere verbale functies tezamen met de dominante poëtische functie.

Om te komen tot kenmerkende van poëtische teksten, de poëtische functie, moeten we twee fundamentele wijzen van verbaal gedrag rangschikken, te weten: selectie en combinatie. De selectie wordt verricht op grond van equivalentie, gelijkheid en ongelijkheid, synonymie en antonymie, terwijl de combinatie, de opbouw van de sequentie, gebaseerd is op de contiguïteit. De poëtische functie projecteert het principe van equivalentie van de as der selectie op de as der combinatie. Zodoende wordt de equivalentie verheven tot het constituerende principe bij de opbouw van de sequentie.

Samenvattingen

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: