Het principe van intertekstualiteit is dat betekenis tot stand komt door de relatie van teksten met eerdere teksten, door de relatie met dat wat al betekenis heeft. Een tekst schrijft zich ook in, in een of meerdere genres, en volgt al bestaande culturele modellen of conventies van representatie.
Intertekstualiteit in engere zin: waar een citaat uit of verwijzing naar een specifieke literaire tekst onmiddellijk duidelijk is, de eenvoudigste dus.
Het gaat erom te ontdekken welke extra betekenissen ermee naar de nieuwe tekst worden gebracht, niet om de afhankelijkheid vast te stellen, welke andere functies de intertekst krijgt, tot welke nieuwe betekenissen dit transformerend citeren leidt. Het productieve aspect van dit tekst-hergebruik staat centraal. Teksten herleven weer, maar slijten nimmer.
Riffaterre 1978 & Genette 1982 willen de term intertekstualiteit reserveren voor alleen deze engere zin. Anderen (Bakhtin, Barthes, Kristeva) vatten het veel ruimer op. Zij wijzen erop dat elke tekst ontstaat in de baaierd van het reeds geschrevene en de spreektaal. Teksten komen tot stand in een netwerk van literaire, culturele en maatschappelijke conventies. De lezers zijn in dat netwerk van conventies gesocialiseerd. Het genre levert het culturele model voor de auteur, de verteller en de lezer en schept de condities van begrijpelijkheid.
Kranten, moppen, zulke schijnbaar eenvoudig berichten zijn dus met duizend draden verbonden aan ontelbare andere teksten, culturele gewoontes en condities van verstaanbaarheid waarvan de oorsprongen niet meer te traceren zijn. Het is die verbondenheid van elke tekst met de discursieve ruimte van een cultuur, die het begrip intertekstualiteit in zijn ruime betekenis poogt aan te duiden.
Bakhtin 1981: Discourse in the novel. Hij noemt het het dialogische in taal. Drie vormen van dialogisme:
Bakhtin noemde al deze intersubjectiviteit, omdat elke taaluiting blijk geeft van de aanwezigheid van een subject. Kristeva noemde het intertekstualiteit. Bakhtin ziet de taaldiversiteit als een onuitputtelijk en vitaal reservoir, waaruit de schrijver put. Deze literaire representatie van de heterogene diversiteit aan taalvormen noemt hij heteroglossia.
Te onderscheiden zijn synchroon dialogeren (idiomen uit de ene context in de andere, verschillende manieren van taalgebruik) en diachroon dialogeren (het gebruik van de taal in lijn met het eerdere gebruik ervan, dis is intertekstualiteit). Maar in ieder geval: het probleem van intertekstualiteit in ruimere zin is de oneindigheid van de relaties. Barthes: een tekst is als generator oneindige betekenissen en deze ontstapt volledig aan de controle van de auteur, de lezer creëert de betekenis en staat dus niet buiten of boven de tekst, maar er voor.
Culler probeert de logische en pragmatische vooronderstellingen van een tekst te traceren. Elke tekst genereert zijn eigen intertekstuele universum, in de vorm van wat hij vooronderstelt.
Maaike Meijer: er is ook zonder het traceren van die vooronderstellingen in een tekstanalyse goed zichtbaar te maken hoe een tekst gerelateerd is aan eerdere teksten, aan bestaande taalvormen en schrijfconventies. Zowel intertekstualiteit in engere zin als in ruimere zin kan in beeld worden gebracht.
- Lezer kan op grond van eigen sociologische ervaring ‘ruiken’ uit welke sociale en ideologische sfeer een citaat afkomstig is.
- Veelheid aan betekenissen wordt ingeperkt door productieve aspect te citeren, transpositie (Kristeva) tekstelementen uit andere systemen naar dit ene systeem.
- Intertekstuele universum geen vaststaand en statisch geheel van teksten maar het is een steeds wisselend netwerk van tekstrelaties dat de lezer kan zien.
De intertekstuele leeswijze is een interpretatiekader ingezet door de lezer. Betekenisgeving hangt altijd samen met de gesitueerdheid en de gepositioneerde keuzes van de lezer.
Van Alphen gebruikt om die reden het begrip resonantie als metafoor voor intertekstualiteit ter onderscheiding van louter bronnenonderzoek: intertekstualiteit als leestheorie. Hierbinnen kijkt men naar de teksten die als kader meespelen op het moment van het lezen van de tekst, tegen de achtergrond kan de tekst reliëf krijgen. Zo kunnen er ook teksten zijn die de auteur niet heeft gekend.
Meijer: Cultuurtekst
- Een conglomeraat van geaccepteerde steeds weer terugkeerden motieven en wijzen van representatie rond een thema, dat zich steeds weer organiseert in nieuwe culturele teksten.
- Het in de intertekstuele ruimte aanwezige model, waarnaar de individuele culturele tekst tot stand komt. Dus niet alleen literaire intertekstualiteit. Intertekstualiteit is dus de betekenis die tot stand komt door relaties van de tekst met de elementen uit de hele culturele ruimte.
Een intertekstuele analyse is kijken naar de manier waarop een tekst de cultuurtekst reproduceert en interpreteert. (vertoog van Foucault is niet hetzelfde als een cultuurtekst, de eerste is zo ruim, omdat het al te heterogene fenomenen wil dekken: zowel de individuele tekst als de cultuurtekst waaraan deze deelneemt.
Intertekstualiteit is ook interpretatiekader dat je kunt verkiezen om in te zetten, intertekstualiteit ook inzet voor wijze van leren en interpreteren. Intertekstuele leeswijze leidt niet voor elke lezer tot dezelfde interpretatie.
Intertekstualiteit als:
- intertekstuele ruimte ligt niet vast, is niet oneindig en onbeschrijfbaar, intertekstuele ruimte bepaald en ingeperkt door resonanties die lezer hoort. Hierbij is de lezer beperkt door situatie, positie en belangen.
- Teksttheorie: intertekstuele ruimte wel oneindig.

1 reactie tot nu toe ↓
1 Tim // 17 okt 2011 at 21:15
Ik wil graag weten of deze tekst oorspronkelijk van een geschreven tekst komt, en deze geheel van Meijer is? Of is dit een samenvatting van Mevrouw Hagenbeek? Ik bedoel te zeggen, wat is de historie van deze tekst??
U zou me erg helpen door snel te reageren.
mvg,
Tim
Reageer