Deel 3: Narratives of Secularization
Hoofdstuk 11: Ninetheenth-Century Trajectories.
In dit hoofdstuk beschrijft Taylor het proces van super-nova en hoe de alternatieven mogelijk werden en zo aan de super-nova bijdroegen. Het verhaal gaat dat we van slechts één geloof (unchallenged Christianty) naar twee en uiteindelijk naar heel veel soorten religie gingen: de super-nova. Volgens dat perspectief zijn we belandt in de worsteling van het Christendom met die vele mogelijkheden. In de jaren zestig vond er een super-nova plaats, waardoor iedereen nu zijn eigen idee van transformatie ontwikkelt.
De notie van het sublieme komt op. Er blijken ook donkere kanten te zitten aan de menselijke condities. De elitaire kringen geven uitdrukking aan die notie. De rol van de kunst, die als het ware een nieuwe taal gaat vormen om uitdrukking te geven aan die ervaringen van de kosmos, dat sublieme, het gevoel dat wij soms geraakt worden door iets groters dan onszelf.
Taal kan ons ook raken. Het gaat verder van de betekenis die dat heeft in de negentiende eeuw, dat laat Taylor zien op het niveau van individuele levensverhalen. Ook toont hij de grotere maatschappelijke hoop en verwachting die er was en hoe die uiteindelijk kapot knalt op de eerste wereldoorlog. Wat volgt is een culturele schok daarvan is eigenlijk groter dan die van de tweede wereldoorlog. Het optimistisch beschavingsideaal was scherp gesteld en ging kapot.
Taylor leidt zijn voorbeeld van Engeland rond 1840 tot 1940 in. Vanuit de vorige hoofdstukken omschrijft hij kort de bestaande cross-pressure. Hiermee wil Taylor duidelijk maken dat al voor het Darwinisme sprake was van de afbreuk van het Christelijke geloof. Zijn voorbeeld van Engeland heeft een aantal key-figuren, te weten: Carlyle en Arnold. Beiden reageren zij op de gebreken van het Christendom tegenover de impersonal order. Men heeft nog behoefte aan het idee van vooruitgang. Bij Carlyle zien we zo duidelijk hoe men zowel voor als tegen het Christendom moet zijn. Het oude geloof is ongeloofwaardig, maar wat het biedt is essentieel. Arnold toont in zijn gedichten dat er een gebrek aan diepgang is in de moderne wereld en in het moderne zelf, heelheid. Beiden waren zij sterk geïnspireerd door Goethe. Arnold verwoord ook het besef dat men niet terug kan naar het leven met het oude geloof. De moderne mens geeft twee reacties op de leegte, de ene is de omarming van en het mijmeren in die leegte, de andere is een destructieve en immorele reactie die zelfbevestigend werkt. Arnold beschrijft deze opties en ook een derde. Dat is de optie van het zoeken naar een nieuwe tijd van geloof, een positieve vorm van geloof. Deze vorm van geloof zou ons gebracht kunnen worden door literatuur en onderricht – cultuur. Het gaat eigenlijk om het verder te laten zien hoe leefbaar een immanente orde is. Is die vol te houden? Die cross-pressures (p.388) tussen een impersonal order en persoonlijke richting in het leven plaatsen druk op de ‘transformatie’. De aspiraties lijken niet verder te gaan dan naar een order of mutual benefit. Het Christendom lijkt het niet te kunnen dragen en verliest haar morele en culturele overwicht. De zoektocht naar immanente alternatieven begint, in richting van het esthetische of daadwerkelijk bijna religieus alternatief.
Een ander belangrijk figuur in het voorbeeld van Engeland is Mrs. Humphry Ward, een nicht van Arnold. Zij schreef de novel Robert Elsmere. Dat personage verliest zijn geloof, maar wil het herontdekken, vrij van de mythes en als vehikel dat ons brengt naar een hoger moreel leven. Hierin is het denken van filosoof T.H. Green terug te vinden. Die reageert tegen Hume en het Utilisme, welke ontkennen dat de mens een oorspronkelijke potentie heeft voor het morele. We hebben God nodig als bindmiddel in onze society. Religie vertegenwoordigd het essentiële bolwerk van cultuur tegenover anarchie.
Het boek van Ward werd gretig ontvangen en speelt zich af in de midden jaren 1880 en reflecteert die tijd. Het illustreert de kracht van het historische framework. Ook hevige emoties speelden een rol. Het was niet zozeer dat de wetenschap dingen veranderden, het was een heersend conflict tussen twee manieren van ons epistemologische verwachtingen uitleggen. Hierbij zien we dat voornamelijk het idee van de kosmische kracht of de wereldziel heeft het meest onder vuur gelegen, meer nog dan het orthodoxe Christendom.
De zoektocht naar een ontmythologiseerd Christendom, zoals het boek van Ward gezien kan worden (p.380), laat zien dat de ethiek wel behouden moest blijven. Een ethisch Christendom zonder dat mythische werd gezocht. Talor duidt dit soort conflicten als niet tussen reden en geloof – zoals volgens de klassieke substraction theorie, maar als een background framework dat aan het verschuiven is (p.387).
Ook andere reageerden met een soort van compromis als oplossing, zoals Carlyle. Zo heeft Comte ook veel ruimte voor de instituties van het Christendom, maar zonder een dogma van de morele steun die het geloof biedt. Er zijn meerdere van dit soort compromissen te benoemen. Eigenlijk konden zij zich allen niet staande houden. Het Marxisme lijkt dat nog wel te doen, maar zoals Taylor aangeeft is dat waarschijnlijk niet definitief en alleen mogelijk omdat het Marxisme haar best doet om altijd te ontkennen dat zij iets van het Christendom wil overnemen. Dus dogmatische-metafysische compromissen tussen Christendom en materialisme gebaseerd op een modern besef van een impersonal immanente order, hebben geen lang leven.
Anders dan in de negentiende eeuw lijken in de twintigste eeuw echter wel de problemen met de leegte en de lelijkheid van het menselijk leven verdwenen. Een gebruikelijke uitleg hiervoor is dat de seculiere samenleving hiervan weggedraaid is. Men ziet zichzelf wel in een metafysische middelplaats, waar ze wel een impersonal kracht toelaten. Maar er is een belangrijke disconnect tussen het spirituele en het algemene leven van mensen.
Het idee van universele onmiskenbare mensenrechten was eerder nog door Taylor genoemd als het Providential Deism waarbij de gezindheid van de Creator ervoor had gezorgd dat de mens zo vrij behoorde te leven. Nog steeds is er sprake van een dergelijke social imaginary, maar God is irrelevant.
De reden dat Engeland het voorbeeld is, is omdat Engeland een verticale versie van de society had, die langzaam een geshift is naar de horizontale realiteit. Deze twee modellen bestaan in Engeland naast elkaar. Ze blijven de universele rechten verschillend uitleggen, hetzij als modern contract of als ontsprongen uit het verticale systeem. De hybride samenleving die in Engeland heerst wordt bij elkaar gehouden door een nationaal bewustzijn. De erosie van die identiteit kan negatieve consequenties hebben voor het geloof, maar deze zijn steeds pas in een terugblik te zien.
Over tijd is de balans wel verschoven naar dominant horizontale social imaginary. Er zijn vier elementen zijn verwerkt in de synthese: British, Protestant, decent en belangrijkste: het idee van civilization. Bij die laatste is zelfdiscipline belangrijk geworden. Civiele government en de orde van de wet zijn externe expressies van een bepaalde modus van zelfdiscipline.
Anders dan in de rest van de EU hebben de Britten een superioriteit in hun civilization. Deze superioriteit was voor de meeste omdat het een Christelijke civilization was, ze waren nog steeds gericht op vooruitgang. Dit heeft juist de opening gecreëerd voor meer zelfdiscipline. Het is altruïsme met aan de ene kant de verplichting tot goedheid en aan de andere kant het egoïsme dat vraagt om dergelijk gedrag.
Dit is wat de turn tot immanentie een herneming maakte in plaats van een continuering van de 18e eeuwse slide tot antropocentrisme. Egoïsme was een slecht iets waarin men kon vervallen. Deze morele psychologie maakte het nieuwe humanisme in het evangelische perspectief mogelijk. Het proces van verlichting en karaktervorming heeft belangrijke Duitse, maar ook romantische invloeden. Het sublieme natuurlijke helpt ons in staat te blijven met onze vitale gevoelens, naast het Duitse idee van Bildung. Er is sprake van een spanning tussen de overheersing van de wil op onze gevoelens en onze gevoelens.
De ontstane openheid voor de shift is niet gelijk de motivatie van de shift. Het Christendom kan gezien worden als inferieur aan het humanisme voor 2 redenen. Het Christendom geeft extrinsieke beloning in het leven na de dood, waar het humanisme goedheid tot zichzelf belonend maakt; en het Christendom kan heidenen uitsluiten, terwijl het humanisme universeel is.
Wel vond er rebellie plaats opgeroepen doordat deze ethiek van zelfdiscipline in alle varianten moraliserend was. Deze klacht komt terug in de laatste twee eeuwen en is een probleem van de moderne wereld. Dat was ook waarom vele de eerste wereldoorlog als mogelijkheid voor veranderingen zagen. Toen dat niet bleek te werken ging men de essentiële marginale vervulling zoeken in de kunst en de esthetiek.
Hetgeen wat aangesproken wordt daarin, wat het ook is, heeft de mogelijkheid ons te bewegen zonder dat we onze ontische ideeën hoeven te identificeren. Hetgeen dat gemist was als doel kan nu geïdentificeerd worden als de ervaring van het goede. Het doel kan ook ongespecificeerd blijven, zoals vaak gebeurt. De esthetiek als ethische categorie, dit idee van het natuurlijke, is onze blijvende kwetsbaarheid tegenover het economische. Dat heeft mede de moderne vorm gegeven aan onze cultuur.
De cultuurschok (p.407) bekijkt Taylor nauwkeuriger door te kijken naar het Franse model en Engelse zijn in algemeenheid. In Frankrijk is veel radicaler seculier geworden is dan Engeland. Het Christelijk denken is heel nuttig en zinvol, maar het is heel belangrijk dat de mensen die het naar voren brengen als maatschappelijke kracht.
De worsteling van het geloof (en ongeloof) met en tegen de idealen van de morele orde, heeft er voor gezorgd dat nieuwe ruimte ontstond voor ongeloof. De tegenbewegingen brachten een volledig gesubjectiveerde ethiek tot stand. Het goede wordt immanent. In Engeland legde die ethiek de nadruk op plicht en altruïsme. Het daar tegenover werd het materialisme geplaatst.
In de morele orde van Engeland onderscheid Taylor drie reacties. Zo erkende de meest gematigde reactie het tekort van de morele orde. Daarin wilde men de morele orde niet vervangen, maar aanvullen met een hogere culturele dimensie. Dit zou het gat vullen dat het verdwijnen van geloof had veroorzaakt. De tweede reactie die Taylor onderscheidt noemt hij het estheticisme van onder andere Walter Pater en Oscar Wild. Het heersende moraal is niet adequaat, de schoonheidsbeleving daarentegen verschaft wel het doel van verbondenheid met het universum. De laatste reactie die Taylor bespreekt is die van de Bloomsbury groep, een stel kunstenaars en intellectuelen. Zij waren in bepaalde opzichten radicaal. Zo wilde zij een wijziging maken in de heersende morele orde door nadruk te leggen op vriendschap en eerlijkheid. Niet zo radicaal waren zij in dat zij de ethiek van fatsoen en de wetten en vrijheden van een institutioneel kader wel als noodzakelijk beschouwden.
De eerste wereldoorlog was een grote schok voor de morele orde. Niet eerder had de mensheid zo’n vreselijk spiegelbeeld gezien van zinloos en gruwelijk geweld. Het idee van beschaving verbleekte en was volledig ongeloofwaardig. Met name jonge intellectuelen die de oorlog hadden meegemaakt gingen op zoek naar (radicale) alternatieven. Zo’n alternatief was het communisme en de manier waarop zij de gehele samenleving wilde herindelen. Door de gevolgen van de eerste wereldoorlog in het intellectuele landschap werd nog meer afstand genomen van het Christelijke geloof. Dat geloof was verbonden aan het idee van beschaving dat verloren had.
De verschuiving van een verticale maatschappelijke ordening naar een horizontale ordening is niet in alle westerse landen soepel verlopen. Met name in de Latijnse landen verliep het niet zo. Gebeurtenissen als oorlogen hebben een directe invloed op de balans tussen geloof en het verlies ervan. Hoe landen elk met hun eigen geschiedenis die balans voeren is goed te zien in Frankrijk tijdens de revolutie. Deze revolutie was zeer antichristelijk en probeerde het Christendom dan ook te vervangen met een Deïstische staatsgodsdienst. De katholieke kerk kon hierop haar verticale ordening niet goed staande houden door middel van metafysische argumenten. Ze kon enkel een beroep doen op de orde en het nut daarvan. Ook de monarchie probeerde tevergeefs die visie te doen gelden. Langzaam maar zeker komt de oude morele orde los te staan van haar Christelijke inslag met als gevolg dat er zelfs ongelovige varianten ontstaan. Taylor noemt dit de immanente tegen verlichting.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer