Sharon Hagenbeek is Watching You!

Heidegger Sein und Zeit – vert. Inleiding Hfst 1

7 januari 2009 door Sharon Hagenbeek

Inleiding:
Hoofdstuk 1: Noodzaak, structuur en voorzang van de zijnsvraag
Paragraaf 1: De noodzaak van een nadrukkelijke herhaling van de vraag naar het zijn
Men neemt aan dat het zijn het meest algemene en lege begrip is, daarbij blijft iets verborgen. Het verborgene dreef de filosofie in de oudheid al tot onrust. En nu nog steeds wordt het gezien als een methodologische dwaling om er überhaupt naar te vragen. Waarom is herhaling van de vraag naar de zin van het zijn dan toch noodzakelijk?

Ten eerste omdat onze ontologie vanaf Aristoteles niet meer gevraagd heeft naar de zijnsvraag en in plaats daarvan is het eenheidsdenken van Aristoteles overgenomen. Bij hem was er sprake van een zijn dat het algemene als genus overkoepelde. Deze transcendentale eenheid werd overgenomen en vinden we terug in de middeleeuwen bij Thomas van Aquino. Bij die laatste bleef dit niet, de ontologie van Aristoteles is nog steeds het grondbegrip van ons denken. Zo vinden we bij Hegel het zijn als het bepaald onmiddellijke, maar ook zijn zijn blijft binnen het bestek van de ontologie van de oudheid. Ten tweede is het huidige zijnsbegrip ondefinieerbaar en levert zij geen antwoord op de zijnsvraag. Het zijn kan niet als zijnde begrepen worden of erdoor bepaald worden. Dat wel zo zien wordt gedaan door de logica en die is op haar beurt weer uit de ontologie van de oudheid. Tenslotte veronderstellen wij in al ons kennen en spreken, in elk zijnde (in verhouding tot het zijn) het zijn al te verstaan. En dat is slechts een demonstratie van de onverstaanbaarheid. We leven altijd in een zijnsverstaan en de zin van het zijn is tegelijk in duisternis gehuld. Niet alleen het antwoord op de vraag ontbreekt, maar ook de vraag zelf is al duister en ongericht. Dus voor het herhalen van de zijnsvraag moeten we eerst de vraagstelling uitwerken.

Paragraaf 2: De formele structuur van de vraag naar het zijn
Uitwerking van de zijnsvraag wil zeggen: doorzichtig maken van een zijnde – de vragende – in z’n zijn. De vraagstelling vereist doorzichtigheid, dus eerst moeten we vaststellen wat tot de zijnsvraag behoort, om deze uitzonderlijke vraag zichtbaar te kunnen maken.

Bij de theoretische vraag van een onderzoek moet het gevraagde bepaald worden en in begrippen gevat worden. In het gevraagde ligt dan het eigenlijk geïntendeerde afgevraagde (Erfragte), datgene waar de vraag naar toe wil. Vragen is een gedraging van een zijnde, de vrager, en heeft zijn eigen zijnskarakter. Het kan een terloops vragen of een expliciete vraagstelling zijn. Voor dit laatste is kenmerkend dat het vragen voor zichzelf eerst wat betreft alle genoemde constitutieve kenmerken van de vraag zelf doorzichtig wordt. De zin van het zijn moet ons dus al op enigerlei wijze beschikbaar zijn. We bewegen ons altijd in een zijnsverstaan en daaraan ontspruit de nadrukkelijke vraag naar de zin van het zijn en de tendens om tot een begrip te komen. We weten niet wat zijn is, maar vragen ‘wat is zijn?’. Dan houden we ons al op in een verstaan van het ‘is’, zonder dat we in begrippen kunnen vastleggen wat het ‘is’ betekent. We kennen niet eens de horizon van waaruit we de zin zouden begrijpen en vastleggen. De onbepaaldheid van het telkens op de grens van puur verbale kennis beschikbare zijnsverstaan is zelf een positief fenomeen: zij vraagt om opheldering. Die opheldering verkrijgen wij niet meteen aan begin van het onderzoek naar de zin van het zijn. De eerste filosofische stap in het verstaan van het zijnsprobleem is te vinden bij Plato. Zijn ‘geen verhaaltje vertellen’ behelst het niet herleiden tot een ander zijnde. Doorsnee-zijnsverstaan bestaat uit overgeleverde theorieën en meningen onder het oppervlak verborgen blijven in het heersende verstaan. Interpretatie van het doorsnee-zijnsverstaan krijgt haar noodzakelijke leidraad pas met de vorming van het zijnsbegrip. Vanuit de helderheid van begrip en manier om expliciet te verstaan zullen we moeten opmaken wat het verduisterde betekent en in welke vormen van verduistering of belemmering van een expliciete verheldering de zijnszin mogelijk en noodzakelijk zijn. Ons normale zijnsverstaan belemmerd ons en is hetgeen waarmee we te werken hebben om de zin te ontdekken. Het verduisterde is het nog niet verhelderde zijnsverstaan. Waar we naar zoeken in het vragen naar het zijn is niet volslagen onbekend, wel in eerste instantie volstrekt ondoorgrondelijk. Het gevraagde is datgene wat een zijnde als zijnde bepaalt en datgene met het oog waarop een zijnde altijd al is verstaan. Het afgevraagde is zin van het zijn. Het bevraagde is het zijnde. Het wordt op z’n zijn ondervraagd. Zijnde moet van zijn kant eerst zo toegankelijk zijn geworden als het op zichzelf genomen is. De zijnsvraag vergt het verkrijgen en bij voorbaat zekerstellen van de juiste toegang tot het zijnde. Maar zijnd’ noemen we van alles en in velerlei zin. Zijn ligt besloten in het dat- en zo-zijn in realiteit, voorhandendheid, bestendigheid, geldigheid, bestaan, in het er-is. Dus de vraag is hier: welk zijnde? Is er een willekeurig of bepaald zijnde dat voorrang? Welk zijnde is exemplarisch en in welke zin verkrijgt het voorrang? Dus we moeten een explicatie geven van de wijze waarop we het zijn zien, de zin van het zijn verstaan, begrippen vatten, de mogelijkheid tot de juiste keuze van het exemplarische zijnde scheppen en de toegang tot dat zijnde blootleggen. Hierdoor wordt het zijnde van de vragende en daarmee het zijn van de vraag inzichtelijk. Dit zijn constitutieve gedragingen van het vragen en zo zelf zijnsmodi van een bepaald zijnde, zijnde van de vragenden die we zelf telkens zijn. Dasein is dit zijnde dat we zelf telkens zijn en dat onder andere de zijnsmogelijkheid heeft van het vragen. We moeten zodoende eerst Dasein ten aanzien van zijn zijn adequaat ontvouwen, voor de vraag naar de zin van zijn. Hier lijkt sprake te zijn van een cirkelredenering, maar dit is niet het geval. In de vraagstelling naar de zin van het zijn kan helemaal geen cirkelredenering besloten liggen, omdat het in de beantwoording van de vraag niet gaat om een deductieve fundering, maar om het demonstratief blootleggen van een grond. Wel is er sprake van een merkwaardige ‘betrokkenheid over en weer’ van het gevraagde op het vragen als zijnsmodus van een zijnde. Is hiermee ook exemplarisch zijnde gegeven? Nee, de voorrang voor erzijn niet aangetoond, ook geen mogelijke of noodzakelijke functie ervan als primair te bevragen zijnde beslist. Wel is er mogelijk zoiets als voorrang erzijn aangediend.

Paragraaf 3: De ontologische voorrang van de zijnsvraag
Tot nu toe is aangetoond dat de zijnsvraag gekarakteriseerd kan worden als een bijzondere vraag en dat de uiwerking of oplossing een reeks fundamentele beschouwingen vergt, maar bovenal dat we het uitzonderlijke van de zijnsvraag pas zien als zij met betrekking tot haar functie, oogmerk en haar motieven voldoende is afgebouwd. Tot dusverre is de noodzaak van de herhaling van de zijnsvraag bovenal vanwege het ontbreken van een antwoord en een genoegzame vraagstelling. Maar waartoe moet de vraag dienen? Of is ze de meest principiële en tegelijk meest concrete vraag?

Al van het zijnde is waarbinnen de kennisgebieden kunnen worden ontgonnen en afgebakend. Wetenschappelijk onderzoek verricht de uitlichting en eerste naïeve en grove vastlegging van de kennisgebieden. Uitwerking van de grondstructuren is al volbracht door de voorwetenschappelijke ervaring en uitleg van het zijnsdomein waarbinnen het kennisgebied zelf wordt afgebakend. Zo verkrijgen wij ook de grondbegrippen als leidraad. De vooruitgang is in het door groeiende kennis van zaken (in bijvoorbeeld handboeken) veelal reactief uitgelokte vragennaar de grondgesteldheid van het desbetreffende gebied. Het niveau van de wetenschap wordt bepaald door de mate waarin zij in staat is tot een immanente crisis van haar grondbegrippen. De stromingen van de crisis worden weer begrepen en (hernieuwd) opgen0men . Veelal vindt de beweging van de wetenschap in de voor hen zelf niet doorzichtige herziening van de grondbegrippen en is zij te ondoordacht. De grondbegrippen zijn bepalingen waarin het tot een eerste, al het positieve onderzoek leidend verstaan komt van het kennisgebied dat aan alle thematische objecten van een wetenschap ten grondslag ligt. Echt gestaafd en gefundeerd worden die begrippen dan ook pas in een dienovereenkomstig voorafgaande doorgronding van het kennisgebied zelf. Dasein is ook een dergelijk kennisgebied. Dus de uitleg van het zijnde met het oog op de grondgesteldheid van z’n zijn, als onderzoek, moet vooruit lopen op de positieve wetenschap. Het werk van Plato en Aristoteles bewijst dit. Daarbij is de logica de nahinkende methodeanalyse. Zo is ook het filosofische primaire de interpretatie van het eigenlijk geschiedmatige zijnde met het oog op zijn geschiedmatigheid . De ontologische vragen zijn oorspronkelijker, maar ook naïef en ondoorzichtig als het niet ingaat op de zin van het zijn. De zijnsvraag mikt dus op apriorische mogelijkheidsvoorwaarde van de vóór de ontische wetenschappen gelegen en deze funderende ontologieën zelf. Iedere ontologie blijft blind voor het oereigen oogmerk, als ze niet eerst de zin van het zijn opheldert, dat wil zeggen als zij niet die zin van het zijn als fundamentele opdracht begrijpt. Mits echt gebezigd is het ontologische onderzoek zelf dat wat de zijnsvraag haar ontologische voorrang geeft.

Paragraaf 4: De ontische voorrang van de zijnsvraag
Maar die inhoudelijke wetenschappelijke voorrang is niet de enige. De wetenschap is erzijn in de wijze waarop zij als gedragingen van de mens de zijnsaard van dit zijnde hebben. Wetenschappelijk onderzoek is dus de zijnswijze van het erzijn. Erzijn is daarmee ten opzichte van andere zijnden uitzonderlijk en het is zaak doormiddel van demonstratieve analyses deze uitzonderlijkheid zichtbaar te maken.

Erzijn is veeleer ontisch uitzonderlijk doordat het dit zijnde in z’n zijn om dit zijn zelf gaat. Het behoort tot de zijnsgesteldheid van erzijn dat het in z’n zijn een zijnsverhouding heeft tot dit zijn. Het erzijn verstaat zichzelf op een of andere wijze en meer of minder nadrukkelijk in z’n zijn. Het is eigen aan dit zijnde dat het met en door z’n zijn voor zichzelf is ontsloten. Het zijnsverstaan is zelf een zijnsbepaaldheid van het erzijn. Het ontisch uitzonderlijke van het erzijn is erin gelegen dat het ontologisch is. Dat ontologische is voorontologisch: zijnd op de wijze van een verstaan van zijn. Het zijn waartoe het erzijn zich zus of zo kan verhouden en zich altijd op enigerlei wijze verhoudt noemen we existentie. Erzijn verstaat zichzelf steeds vanuit zijn existentie, vanuit een in dit zijnde zelf gelegen mogelijkheid het zelf of niet zelf te zijn. Die mogelijkheden zijn zelfgekozen, is het in verzeild geraakt of is het van meet af aan in opgegroeid. Het erzijn beslist over de mogelijkheden van de existentie. De vraag van existentie is een ontische aangelegenheid van het erzijn en valt uitsluitend door het existeren zelf in het reine te brengen. Het zelfbegrip dat hierbij richtinggevend is, is het existentiële. Voor die ontische aangelegenheid hoeft de ontologische structuur van de existentie theoretisch niet doorzichtig te zijn. Het ontische betreft dus het zijn voor het erzijn voordat het in de zijnsmodus van het vragen stelt aangaande de ontologie. In die laatste reflecterende zijnsmodus die de existentie is, vinden wij de samenhang met de ontologische structuur die de existentialiteit is. De vraag naar constituerende van existentie is de vraag naar de samenhang van de ontologische structuren, naar de existentialiteit. Existentialiteit is de zijnsgesteldheid van het zijnde dat existeert. In het idee van de zijnsgesteldheid ligt al het idee van het zijn besloten. En daarin ook besloten ligt de mogelijke verwezenlijking van de analytica van het erzijn met de voorafgaande uitwerking van de vraag naar de zin van het zijn. De analytica hiervan heeft het karakter van een existentiaal verstaan. De taak van een existentiale analytica van het erzijn tekent zich qua mogelijkheid en noodzakelijkheid al af in de ontische gesteldheid van het erzijn. Voor zover het erzijn door existentie wordt bepaald vergt de ontologische analytica van dit zijnde altijd al een voorafgaande blik op existentialiteit. Aard van het erzijn is zijn in een wereld. Het zijnsverstaan van het erzijn is zowel het verstaan van zoiets als ‘wereld’, als het verstaan van het zijn van het zijnde dat binnen de wereld toegankelijk wordt. Ontologieën van en met zijnden van andere zijnsaard hebben nog hun fundament en motief in ontische structuur van het erzijn die de bepaaldheid van een voorontologisch zijnsverstaan omvat. De fundamentele ontologie in de existentiale analytica van het erzijn bevindt zich in ieder geval in de ontologische analytica. Het erzijn heeft ontische voorrang omdat dit zijnde is in z’n zijn door existentie is bepaald en het heeft ontologische voorrang omdat het is op grond van zijn existentiële bepaaldheid op zichzelf genomen ‘ontologisch’. Het zijnsverstaan van het erzjjn is niet alleen een verstaan van de eigen zijnsaard, maar ook van zijn van andere zijnden. Daarom heeft het ten derde voorrang als ontisch-ontologische mogelijkheidsvoorwaarde van alle ontologieën. De ontisch-ontologische voorrang vonden wij ook al bij Parmenides via Aristoteles en Thomas van Aquino. Daarbij is dit uitzonderlijke zijnde de anima en het ens. Wat zij tevoorschijn halen als voorrang voor het erzijn heeft duidelijk niets gemeen met een oppervlakkige subjectivering van het al van het zijnde. Existentiale analytica is existentieel (ontisch) verworteld. De vraag naar het existerend zijn waarbij dat zijn existentieel (zelfbegrijpend) is aangegrepen, leidt tot de ontsluiting van existentialiteit (zijnsgesteldheid van het zijnde dat existeert) van de existentie (zijn waar het zijnde zichzelf toe te verhouden heeft) en dat leidt weer tot de mogelijkheid een begin van de uitwerking van een voldoende gefundeerde ontologische problematiek. Inmiddels is evenwel gebleken dat de ontologische analytica van het erzijn hoe dan ook de fundamentele ontologie uitmaakt. De zijnsvraag is dan niets anders dan de radicalisering van een tot het erzijn zelf behorende wezenlijke zijnstendens, van het voorontologische zijnsverstaan.

Voor het volgend hoofdstuk klik hier.

Share Share

Samenvattingen

2 reacties tot nu toe ↓

  • 1 berthe // 18 Feb 2009 at 01:36

    vet! :D

  • 2 hiphoi // 17 Mei 2009 at 23:50

    bedankt Sharon!

Reageer