Sharon Hagenbeek is Watching You!

Heidegger Sein und Zeit – Inleiding Hfst 1

door

Heidegger’s Sein und Zeit

Heidegger poogt in zijn magnus opus de vraag naar de zin van het zijn opnieuw te stellen. Hij stelt zichzelf als doel om tot een interpretatie van de tijd, als mogelijke horizon van het zijnsverstaan, te komen.

Inleiding Expose van de vraag naar de zin van zijn

Hoofdstuk 1 Noodzaak, structuur en voorrang van de zijnsvraag

Paragraaf 1 De noodzaak van een nadrukkelijke herhaling van de vraag naar het zijn

De aanname dat ‘zijn’ meest algemene en lege begrip is, laat iets verborgen. Het wordt al sinds oudsher gezien als een methodologische dwaling om überhaupt te vragen naar het verborgene. Herhaling van de zijnsvraag is noodzakelijk, want:

  1. we hebben nog steeds een zijnsbegrip dat binnen het bestek van de ontologie van de oudheid blijft;
  2. het huidige zijnsbegrip is ondefinieerbaar en levert geen antwoord op de zijnsvraag. Het zijn kan niet als zijnde begrepen worden of erdoor bepaald worden;
  3. we leven altijd al in een zijnsverstaan.

Niet alleen het antwoord op de vraag ontbreekt, ook de vraag zelf is al duister en ongericht. Dus moet eerst de vraagstelling worden uitgewerkt, alvorens de zijnsvraag herhaald kan worden.

Paragraaf 2 De formele structuur van de vraag naar het zijn

In deze paragraaf bekijkt Heidegger de formele structuur van het vragen, waarna hij hint naar de te bereiken conclusie dat het erzijn het zijnde is dat ontologische voorrang verdiend.

Vragen is een gedraging van een zijnde en heeft zijn eigen zijnskarakter. Voor een expliciete vraagstelling is het kenmerkend dat het vragen voor zelf in haar constitutieve kenmerken (gevraagde, bevraagde, afgevraagde, vrager, het daadwerkelijke gesteld worden – alle structuurmomenten) doorzichtig wordt. Vragen is het herkennend zoeken. Voorafgaand is leidraad vanuit het gezochte nodig, daaruit volgt dat de zin van het zijn dus al op enigerlei wijze beschikbaar is.

We bewegen ons altijd in een zijnsverstaan. Daaruit ontspruit de vraag naar de zin van het zijn. Wat is het zijn? Die ‘is’ verstaan we al zonder dat we het in begrippen kunnen vastleggen. We kennen niet eens de horizon van de zin. Het is puur verbale kennis van het zijnsverstaan. Interpretatie van het doorsnee-zijnsverstaan krijgt pas haar noodzakelijke leidraad met de vorming van het zijnsbegrip. Het normale zijnsverstaan is een belemmering, het zijn theorieën en meningen. Waar we naar zoeken is niet volslagen onbekend, wel is het in eerste instantie volstrekt ondoorgrondelijk. Het zijnde moet van zijn kant eerst zo toegankelijk zijn geworden als het op zichzelf genomen is. Dus de zijnsvraag vergt het verkrijgen en bij voorbaat zekerstellen van de juiste toegang tot het zijnde. Zijn ligt besloten in dat- en zo-zijn, in realiteit voorhandenheid, bestendigheid en geldigheid, bestaan, in het ‘er is’. De vraag is dus welk zijnde krijgt voorrang?

We moeten dus een explicatie geven van de wijze waarop we het zijn zien, de zin van het zijn verstaan, de begrippen vatten, de mogelijkheid tot de juiste keuze van het exemplarische zijnde scheppen en de toegang tot dat zijnde blootleggen.

De constitutieve gedragingen van het vragen zijn zijnsmodi van een bepaald zijnde, een zijnde van de vragende die we zelf telkens zijn. Het erzijn is dit zijnde dat we zelf telkens zijn en dat onder andere de zijnsmogelijkheid van het vragen heeft (p.26). We moeten dus eerst het erzijn ten aanzien van zijn zijn adequaat ontvouwen. Het is aan het einde van deze paragraaf dus nog niet zeker dat het erzijn de voorrang geniet.

Paragraaf 3 De ontologische voorrang van de zijnsvraag

Nu Heidegger in kaart probeert te krijgen waar we naar vragen met de zijnsvraag, laat hij zien welke consequenties dat heeft voor de wetenschap – de wetenschap kan deze vraag niet beantwoorden, want zijn gaat ontologisch vooraf aan elke wetenschap. De zijnsvraag vraagt naar de fundamenten voor de wetenschappen, het zijn waarvan zij elk voor zich een deelgebied bestuderen. Het is de meest principiële en tegelijk meest concrete vraag, want zij vraagt naar de uitwerking van de grondstructuren door de voorwetenschappelijke ervaring en het zijnsdomein waarbinnen alle wetenschapsgebieden worden afgebakend. Zo verkrijgen we ook grondbegrippen als leidraad. Het niveau van de wetenschap wordt bepaald door mate waarin zij in staat is tot een immanente crisis van haar grondbegrippen. Stromingen in een crisis worden begrepen en (hernieuwd) opgenomen. De beweging van de wetenschap is veelal ondoordacht. Grondbegrippen worden pas echt gestaafd en gefundeerd in een voorafgaande doorgronding van het kennisgebied zelf. Erzijn is ook een dergelijk kennisgebied. Dus de uitleg van het zijnde met het oog op de grondgesteldheid van zijn zijn, als onderzoek, moet vooruitlopen op de positieve wetenschap. De ontologische vragen zijn oorspronkelijker, maar ook naïef en ondoorzichtig als het niet ingaat op de zin van het zijn. De zijnsvraag mikt dus op apriorische mogelijkheidsvoorwaarde van de voor de ontische wetenschap gelegen en deze funderende ontologieën zelf. Iedere ontologie blijft blind voor het oereigen oogmerk, als ze niet eerst de zin van het zijn opheldert, dat wil zeggen als zij niet die zin van het zijn als fundamentele opdracht begrijpt. De zijnsvraag gaat dus zelfs vooraf aan iedere mogelijke ontologie, die weer vooraf gaat aan iedere mogelijke wetenschap.

Paragraaf 4 De ontische voorrang van de zijnsvraag

In deze belangrijke paragraaf vertelt Heidegger zijn lezer dat de vraag naar de zin van het zijn resoneert vanuit onszelf, vanuit ons eigen bestaan. Heidegger introduceert hiervoor een aantal belangrijke technische begrippen:

-          Ontologie: de filosofische studie van het zijn, dit is voor Heidegger ook al het denken over het zijn, de formulering van die filosofische studie.
-          Ontisch: hetgeen dat over zijnden gaat of over zijnswijzes van die zijnden.
-          Existentie: dat is voor het erzijn een speciale manier van zijn, daarin heeft het het erzijn zijn zijn zelf te zijn. Het is het uitstaan, erzijn dat zich in de wereld bevindt en zijn eigen zijn heeft te zijn.
-          Existeren: dat is het uitstijgen, vanuit ons erzijn, naar onze toekomstige mogelijkheden, naar ons verleden en naar de hedendaagse wereld. Waar de existentie geen beweging bevat, is dit juist de beweging.
-          Existentiaal: dat gaat over de zijnswijze van de existentie van het erzijn in het algemeen, dit is dus van toepassing tot alle zijnde met het zijnskarakter van het erzijn.
-          Existentialiteit: daaronder verstaan we de zijnsgesteldheid van het zijnde dat existeert. Deze zijnsgesteldheid ligt al in de idee van het zijn besloten.
-          Existentieel: dit is het zelfbegrip van een specifiek individueel erzijn. Hier zijn we ons maar zelden van bewust van en het wordt dan ook nog meer sporadisch omgezet in existentiale kennis, het is zodoende ontisch en voorontologisch (we hebben het al vóórdat we een ontologie gaan maken).

Heidegger heeft nog steeds niet uitgesloten dat er geen andere zijnden zijn die een ontologie kunnen vormen, maar het erzijn heeft een voordeel ten aanzien van andere zijnden. Tot het erzijn behoort een in-de-wereld-zijn, zodoende behoort tot haar zijnsverstaan ook het verstaan van de wereld en het verstaan van het zijnde dat binnen die wereld toegankelijk wordt. Andere zijnden hoeven het niet eens door te hebben dat het erzijn via haar wetenschappelijke zijnswijze zich tot hen verhoudt. De ontologieen die zijnden van een andere zijnsaard dan het erzijn tot onderwerp hebben, vinden hun fundament en motief dus in de ontische structuur van het erzijn zelf, die de bepaaldheid van een voorontologisch zijnsverstaan omvat.

Erzijn heeft voorrang, zowel ontisch als ontologisch, want:
-          Dit zijnde is in zijn zijn door de existentie bepaald (ontisch)
-          Het erzijn is op grond van zijn existentiële bepaaldheid op zichzelf genomen ontologisch (ontologisch)
-          Het heeft een verstaan van het zijn van al het zijnde dat niet van de aard van het erzijn is. Het is zodoende de ontisch-ontologische mogelijkheidsvoorwaarde van alle ontologieen.

De voorrang van het erzijn heeft niets gemeen met oppervlakkige subjectivering van het zijnde.

Het erzijn als ontologische structuur vatten, werd eerder nog niet gezien door Parmenides, Aristoteles en Thomas van Aquino die wel de ontisch-ontologische voorrang van het erzijn zagen. De laatste twee wezen daarvoor naar de ziel.

Eerst moeten we kijken naar de vraag naar de zin van het zijn, daarna pas naar de analytica van het erzijn (de existentiale analytica). De fundamentele ontologie moeten we zoeken in de existentiale analytica van het erzijn. De existentiale analytica is existentieel, dat wil zeggen ontisch geworteld.

Inmiddels is wel gebleken dat de ontologische analytica van het erzijn dan ook de fundamentele ontologie uitmaakt, dus: erzijn moet eerst bevraagd worden. Het erzijn verhoudt zich telkens tot waar we in de vraag naar vragen. Daarom is de zijnsvraag niets anders dan de radicalisering van een tot het erzijn zelf behorende wezenlijke zijnstendens, van het voor ontologische zijnsverstaan.

Samenvattingen

 
 
 

4 reacties tot nu toe ↓

  • 1 berthe // 18 feb 2009 at 01:36

    vet! :D

  • 2 hiphoi // 17 mei 2009 at 23:50

    bedankt Sharon!

  • 3 Jeroen // 2 mrt 2012 at 15:24

    Vergeet het motto niet!

  • 4 Sharon Hagenbeek // 4 mrt 2012 at 07:31

    Je bedoelt het citaat v Plato of de opdracht?

Reageer

Comment: