In Grundlinien der Philosophie des Rechts beschrijft Hegel het idee van het recht. De bodem van het recht is de wil die vrij is. Dat is het begrip van de vrijheid en haar verwerkelijking. De uitkomst daarvan is de zichzelf bepalende algemeenheid, dat is de vrije wil die de vrije wil wil (Dasein des freie Willens).
Einleitung
Elk idee is voor Hegel het begrip en zijn verwerkelijking. Het begrip ontvouwt zich via drie momenten, het verwerkelijkt zich. Het eerste moment is het moment waarin het begrip zich ontvouwt is het onbepaald en daarmee algemeenheid. Maar juist door haar onbepaaldheid wordt het bepaald door die bepaling als onbepaald, dat is de niet-identiteit waardoor ze haar identiteit krijgt. Dit is de negatie die op haar beurt weer geneert kan worden in het volgende moment. Het tweede moment is de negatie van de negatie, het is de ontwikkeling van het begrip waarin het onbepaalde zich gaat verbijzonderen, het gaat zich zelf bepalen. In die verbijzondering wordt zij weer het algemene. Het derde moment is dan ook de enkelvoudigheid of de eenheid van het algemene en het bijzondere. De scheiding tussen het op zich en voor zich is opgeheven. Zo leidt het begrip ons dus vanuit zichzelf naar haar verschillende delen om ons in haar verwerkelijking te laten zien hoe deze tot het geheel van haar werkelijkheid behoren.
Het eerste moment van de vrije wil is de algemeenheid. Het is een zuivere onbepaaldheid. Dat kan door middel van de negatie: de radicale subjectiviteit. De mens kan alles abstraheren, kan zich losdenken van alles. In het tweede moment treedt het subject in het bestaan: ik wil iets, een uitwendige zaak. Dat is de negatie van de negatie. Het ik concretiseert zich. Eerst liet het subject zich leiden door natuurlijke behoeftes en begeertes. Het tweede moment is een poneren of stellen van zichzelf in het bestaan. Het derde moment is de wil die de eenheid is van de beide momenten, de zelfbepaling van het ik. Hetgeen dat ik wil is geen subjectief doel meer, het is in de objectiviteit gerealiseerd. Ik wil het niet alleen hebben, het wordt ook erkend als mijn eigendom. De inhoud van de wil is nu nog onmiddellijk, ze bestaat uit mijn behoeftes en begeertes. Het ik gaat zich steeds meer bevrijden van die onmiddellijke inhoud. De wil staat al wel boven die inhoud, maar bepaalt deze nog niet, de inhoud is de willekeur, de toevalligheid. De driften en neigingen storen elkaar wederkerig, zodoende moet er nu een berekenend verstand kiezen welke behoeftebevrediging meer oplevert. Met dat verstand is het algemene in de verschillende driften en behoeften te zien. Daarna zullen de behoeften gezuiverd moeten worden, ze moeten ontdaan worden van het subjectieve en toevallige, ze moeten teruggebracht worden op het substantiële wezen. De behoeften vormen zo een waarlijk systeem der wilsbepalingen. Vervolgens wordt deze begeertes gezien in het geheel van het leven – het levensgeluk wordt belangrijk. Hier geeft Hegel het prisoners dilemma weer: het algemene geluk vs. het individuele geluk. Zodoende wil je nu dus een inhoud van de wil die je redelijk acht en dat komt overeen met wat je als ware vrijheid ziet. De waarlijke inhoud is identiek met wat de waarlijke wil wil, de vrijheid van de wil. Dit is de op en voor zich zijnde wil. Het persoon-zijn is algemeen, het is de eerste abstracte oneindigheid. Hij wil dus zichzelf nu als vrij. ‘Wees een persoon’, je bent verantwoordelijk voor wat je doet. Je moet je eigen vrijheid willen en je dient achting te hebben voor jezelf als persoon. Zijn Gegenstand, het voorwerp, is niet iets anders dan het zelf. Erkenning is veel meer de verwerkelijking van de vrijheid dan de behoeftebevrediging. De Gegenstand is nu de Selbstbestimmung. Ik wil mijzelf en de ander als zelfbepaling. Ik erken zijn eigendom en daarmee erken ik dat hij een persoon is die zich heeft gerealiseerd in een wereld. Het feit dat ik iets als eigendom opvat, betekent dat ik al in die vrijheid zit. De wil is algemeen omdat de beperking is opgeheven, er is geen particuliere voorkeur. Dus de vrijheid moet objectief worden. Recht is het Dasein van de vrije wil. Recht is het bestaan van die wil, als begrip een als werkelijkheid. Recht is iets heiligs überhaupt, als zodanig, omdat het het bestaan van het absolute begrip van de zelfbewuste vrijheid is.
Het Abstracte Recht
De wil is onmiddellijk en in die hoedanigheid is zij het abstracte en formele recht. Het is de wil in haar uitwendige gedaante, het eigendom – eigendom van het lichaam en van de uitwendige zaak. Als eerst neemt de wil bezit van het lichaam, vervolgens een minimum aan uitwendige goederen – een ander mens niet want deze heeft een eigen wil, het is een Selbstzweck. In dat eigendom vinden we de eerste realisatie van de vrijheid van de persoon. Dat is ook het onderscheid tussen bezit en eigendom. Bezit als het in je macht hebben van dit uitwendige en daar tegenover het eigendom als de erkenning van de vrije wil in dat uitwendige. Eigendom ontwikkelt zich in drie verschillende stadia: inbezitneming, het gebruik en het afstand doen. Ik neem iets subjectief in bezit en dat het eigendom wordt komt door de algemene wil, het moet als uitwendige zaak door de ander als mijn eigendom worden erkend. In het afstand doen manifesteert de persoon zich als eigenaar. De verhouding tussen de persoon en de uitwendige zaak wordt für sich gepresenteerd in het verdrag. De wil kan uitwendig bestaan, precies zover het eigendom van een persoon erkend wordt. Daarom bestaat er altijd aal een betrekking op de andere persoon. Deze betrekking is negatief: de andere moet van mij afblijven en mijn eigendom respecteren. Dit is de basis van de verdragstructuur. Hegel keert zich hier bewust tegen het sociaal contract, omdat het sociale contract tot stand komt op basis van toeval en dat het verloopt via de uitwendige zaak – door de toevalligheid en de uiterlijkheid is het niet een verdrag dat een daadwerkelijk vrij persoon kan afsluiten. Het verdrag is zelf een gedeelte van de ontwikkeling van het begrip van het recht en daarmee van de vrijheid van de persoon. Het verdrag ontwikkelt zich doordat: ik eigenaar ben, het blijf en het word. Dat is de beweging van het eigendom binnen het verdrag. Hegel onderscheidt drie verschillende verdragen: het formele verdrag (ik lever wat in en krijg er iets voor terug), het schenkingsverdrag en het reële verdrag. Dit laatste verdrag betreft veeleer de wederzijdse beweging van zowel afstand doen, als overdragen en ontvangen. De volgende stap is dat de toevallige is dat de toevallige wil zich keert tegen de algemeenheid (die we gevonden hadden in de betrekking van de ene persoon op de ander) in het verdrag. Dus eerst was je toevallig coöperatief en niet wezenlijk betrokken op de ander – het ging tenslotte om het eigendom, niet om de ander. Vervolgens gaat het verdrag – als de beweging van goederen rond toevallige willekeurige personen – over in het onrecht. Er kan immers bedrog plaatsvinden, enz. Hegel beschrijft hoe het de wil via het verdrag leidt tot drie vormen van onrecht: het onbevangen onrecht, het bedrog en de dwang en misdaad. Het onbevangen recht zijn toevallige onrechten die aanbod komen, door (rechts)botsingen. Deze botsingen zijn echter ook noodzakelijk, want zij dwingen het recht ook scherper te worden zodat duidelijker wordt wat nu eigenlijk recht is. Met het bedrog is het recht nog schijnend. In het onbevangen onrecht was het schijn: zo schijnt het te zijn, maar nu wordt het recht als schijn gesteld, het is werkelijk. Het is werkelijk in het bedrog, de persoon doet alsof hij in het recht staat, maar weet dat dit niet zo is. Tenslotte bereidt Hegel met de dwang en misdaad de overgang naar de moraliteit voor. Met dwang en misdaad wordt het recht als zodanig genegeerd, omdat de vrijheid zich dan niet kan realiseren. Het eigendom en dus de grenzen van de persoon worden niet meer erkend in de uitwendige wereld. Het Dasein van de vrijheid wordt genegeerd en daarmee dus ook de oneindigheid. Aangezien de wil zich realiseert in de uitwendige zaak, kan haar op deze manier kan de wil geweld aangedaan worden. Zo wordt de wil gedwongen om iets te ondergaan wat zij niet wil. Maar de vrije wil kan niet gedwongen worden vanwege het eerste vrije moment van de wil, zij kan alles abstraheren. Dwang zou alleen mogelijk zijn als het ik niet het eerste moment zou hebben doorgaan. Op dat moment van onbepaaldheid is er dus geen sprake van de vrije wil. Iemand die gedwongen wordt, wil dus gedwongen worden. De uiting van de wil die de uiting van de wil opheft. Zo vernietigd dwang of geweld zichzelf doordat de wil zich zo niet respecteert als persoon. Dwang en misdaad zijn de ontkenning van de algemene wil. De uiting van dwingende of misdadige wil is zo dat die het bestaan van de wil ontkent, immers het bestaan van die bijzondere wil is het bestaan van de algemene wil. Het negeert daarmee ook de werkelijkheid van de vrijheid van de wil. Daarom is het ook niet rechtsgeldig abstract genomen en het kan daarom ook nooit de algemene wil zijn. Voor de misdadiger is de straf dat waar hij recht op heeft, met de straf wordt hij weer tot persoon gemaakt. Eerder had hij dat waardoor hij zelf vrij is (de wil), genegeerd. Door vergelding maakt de vrije wil zich weer meester van die onterechte daad. Het recht moet hersteld worden, omdat anders de onrechtmatige werkelijkheid als schijnvrijheid blijft bestaan. Dit is de overgang naar de moraliteit: de straf neemt nu eerst de vergelding als gerechtigheid. De misdadiger wordt herbevestigd als persoon en het recht wordt hersteld. Nu zou je een vendettastructuur krijgen als deze vergelding gelijk wordt gesteld aan wraak, maar het gaat er juist om dat door de gerechtigheid te ontkoppen van die subjectieve interesses de balans wordt teruggevonden. De tweede dwang is voor Hegel wraak, dus er is meer nodig dan loutere vergelding, het recht moet hernomen worden.
De Moraliteit
De vorm van deze gerechtigheid (de vergelding) is dus zodanig dat erin iemand op en voor zich, dus belangeloos, recht spreekt – de rechter. Zo wil de bijzondere wil het recht en het ziet zichzelf ook als de werkelijkheid daarvan. Dus als het bijzondere bepaalt het in zichzelf wat het recht is, vanuit zichzelf. Dat is hetgeen wat hij wil ten opzichte van de situatie waarin het algemene juist is losgekomen van het bijzondere – wat het geval is in de misdaad. Het bijzondere dat zich onderscheidde in de misdaad wordt teruggebracht naar dit algemene en daarmee in de straf. Het onderscheid wordt opgeheven en in het algemeen gerealiseerd. Nu verkeren we niet meer onmiddellijk in het recht, want het recht is nu bemiddeld door een bijzonderheid (de rechter) en een bijzonderheid (de misdadiger) die wordt opgeheven in het algemene. Hier is weer de negatie van de negatie, de beweging van het begrip. De inhoud van de moraliteit is het standpunt van de wil die niet alleen op zich oneindig is en daar niet voor zichzelf mee bezig is, maar die ook für sich oneindig. De inhoud van het bijzondere is nu recht en dat is het morele bewustzijn, dit claimt dat het recht heeft op iets. Het is hier de algemene wil die recht wil, die wil bestaat in de wil van anderen en is daarmee positief betrokken op anderen. Het wil niet meer van anderen hun eigendom, als in het verdrag, maar het wil dat ze zeggen dat het in zijn recht staat. Het wil dus zijn subjectiviteit objectiveren. Het morele subject is niet zozeer uit op eigendom als wel op erkenning. Het wil erkenning voor de bijzondere inhoud van zijn wil als objectiviteit, als recht. Een mens dat zich objectiveert, niet bij zijn doel, maar in zijn handeling. Ik jaag mijn geluk na als recht – dat wordt het principe van vrijheid. Hier eis ik iets van de ander, de Vorderung. Ik eis dat de ander mijn opvatting deelt. Het gaat hier om het voornemen dat je waaraan je gehoor geeft met je handeling, de intentie, de plicht om te weten wat je recht is. De handeling iets waar het subject recht op heeft. Dat betekent ook dat zijn willeen en weten daar in moet liggen. Dan verhoud je je tot de uitwendige werkelijkheid, als het niet in je willen en weten lag, omstandigheden en hoe de situatie daadwerkelijk verloopt, dan kan je slechts dat worden aangerekend wat in je willen en weten lag. Vervolgens is in Die Absicht und das Wohl (opzet en welzijn) het vermogen om de keten van inhouden onder een algemeen opzicht te vatten, dat deze keten van gebeurtenissen door jou van een algemeen predicaat wordt voorzien. Als tweede moment heb je bovendien nog een recht om in die handeling bevrediging te vinden, dat is jouw recht op welzijn. Het motief wordt niet geaccepteerd maar verdisconteerd. Hierbij moet je ruimte geven aan de ander z’n motief – het komt misschien niet overeen met jouw ideeën – tot het moment dat je zelf met het recht in conflict komt. De wil heeft ook zelf een kwaliteit in de zin van dat het de aard van de handeling in algemene zin opvat. Dan zie je dat die betekenis voor mij ook motiverend is in mijn relatie tot mijn welzijn. De wil wordt tot op zekere hoogte verdisconteerd als een recht. Zo komt het onderscheid tot stand tussen algemeen recht en het bijzondere motief. En dat in bepaalde gevallen het bijzondere motief dat algemeen recht teniet kan doen, denk hierbij aan: nood breekt wet. Het leven van het bijzondere is de grondslag van het recht, daarom kan een deelbelang als eigendom niet het geheel van iemands welzijn overtreffen en breekt nood wet. Zo kunnen beide elkaar in wezen relativeren. Enerzijds het abstract recht, eigendom, lichamelijke integriteit, anderzijds het welzijn, dat inmiddels als recht het algemeen welzijn is, dus ook het welzijn voor anderen. Dus die wijzen dan in hun relativiteit, in hun voorwaardelijkheid, naar het onvoorwaardelijke, naar wat goed is in een situatie. En dat goede is dus het unbedingten, het onvoorwaardelijke, de inhoud van de subjectieve bijzonderheid, die zich op zichzelf betrekt. Dat is de volgende stap: Das Gute und das Gewissen, waarin je ziet dat de inhoud het algemene weer wordt en zowel het abstracte recht als het algemeen welzijn gaat omvatten – het is onvoorwaardelijk, unbedingt algemeine, en dat is het goede. Het goede doen is dan een plicht en dat is het hoogste idee: de plicht omwille van de plicht, maar daarmee is ze nog niet ingevuld. Alleen de formaliteit van de plicht is ontoereikend. De inhoud ervan komt van het geweten. Het geweten ontwikkelt zich en subjectiveert steeds verder door haar bepaling van het goede in de volgende stappen. Allereerst wordt de innerlijke zekerheid van dat wat ik tot het goede acht door Hegel uitgewerkt in de spanning naar buiten toe – namelijk dat ik voorgeeft het goede te doen omdat er handelingen zijn die een positief kenmerk hebben terwijl in ondertussen voor mezelf weet dat wat ik doe niet goed is, het Böse of kwade geweten, waarbij ik voor een ander pretendeer dat wat ik doe iets goed is; het is dus de huichelarij. Daarna komt de stap van de onwaarheid van het kwade als het goede naar voren brengen. Deze wordt gevolgd door de huichelarij voor zichzelf. De vorm van de subjectiviteit gaat steeds verder heersen over de inhoud. De subjectiviteit is nu de instantie. De volgende stap is dat je zegt: ‘Ja, ik wil gewoon het goede doen’, maar omdat dat abstract goede niet bepaald is, blijft het eigenlijk aan jou om dat goede dan invulling te geven. Hier ga je het goede dus zelf bepalen, waarbij het tot een handeling wordt gereduceerd. De handeling wordt gerechtvaardigd, maar dat betekent nog niet dat het ook goed was. Hierna is de volgende stap meer een afglijden in de subjectviering: er is geen objectief goed meer om na te streven, het gaat erom dat jij het goed vond om het te doen. Dat betekent dat de objectieve inhoud ondergeschikt is geraakt aan mijn overtuiging. Op deze manier is er ook geen objectieve misdaad meer. De laatste stap in de ontwikkeling van het geweten is de ironie. Er is dan niets meer echt goed. Dat is de laatste ervaring van de subjectviering waarin de overtuigingen tegenover elkaar komen te staan en dat mond dan uit in de positie waarin je ook niets meer als goed aanneemt dan alleen nog de beweging van het ik die een bepaalde inhoud als objectief goed wordt gepresenteerd, gaat vernietigen. Er is überhaupt geen inhoud die je nog serieus kunt nemen, alles is ironisch, alles is een pose. Het subject is hier de macht om over alles te oordelen en de ijdelheid laat van alles aan het licht brengen. De ijdelheid van alle zedelijke inhoud van rechten, wetten, plichten, het kwaad, maar ze weet zichzelf ook als de ijdelheid van al deze inhoud. Het ik blijft als een soort abstract en algemeen iets daarin werkzaam. Maar in de laatste stap van de ironie heeft het subject zichzelf opgeheven, het heeft zijn bijzonderheid en onderscheidenheid opgeheven. Hier zal dan de overgang naar de Sittlichkeit plaatsvinden.
[deze tekst is tot stand gekomen op basis van de colleges van dr. Verbrugge en de daarbij behorende protocollen.]

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer