G.W.F. Hegel, 1821
Samenvatting aan de hand van colleges van dr. Verbrugge en de daarbij behorende protocollen.
In de Einleitung zet Hegel het begrip van het idee van het recht uiteen. Dat is het begrip van de vrijheid en haar verwerkelijking. De uitkomst daarvan is de zichzelf bepalende algemeenheid, dat is de vrije wil die de vrije wil wil (Dasein des freie Willens).
Dit is een samenvatting van een bepaald punt van de subjectieve geest, de verwerkelijking van de subjectieve geest: de overgang van het theoretische naar het praktische deel.
§ 5 – 7 De vrije wil op zich.
De algemene structuur: het begrip van de vrije wil. Werkelijk wordt die wil pas vrij als ze op en voor zich vrij is, dus ook voor zichzelf: de wil die zichzelf als inhoud en als doel heeft, als Gegenstand.
§ 8 – 27 Overeenkomst op- en voor zich vrije wil
Wat dan de inhoudsbepaling is van de vrije wil.
§ 29 – 32 Opbouw van het boek
§ 33 Wat concreet gemaakt is in de Einleitung
§ 1.
De twee elementen van het idee (het begrip en zijn verwerkelijking) worden los van elkaar gedacht maar tegelijkertijd ook in hun samenhang. De filosofie heeft dus niet alleen te maken met loutere begrippen, maar ook met hun verwerkelijking. Het begrip is het enige dat werkelijkheid heeft en wel zo dat het zich deze werkelijkheid geeft. De ziel van het geheel is wel degelijk de vrijheid van de persoon.
§ 2.
Toe te zien en nadrukkelijk niet te construeren hoe dit begrip zich ontwikkelt, zich ontvouwt, zich verwezenlijkt, is wat Hegel zal doen. Hij neemt zich tevens voor om niets te vooronderstellen en wel omdat de filosofie een cirkel of kring vormt. Waar de filosofie mee aanvangt of begint is daardoor onmiddellijk relatief. De filosofie rondt zichzelf. Het begrip van het recht valt daardoor (wat het zijn betreft) buiten de wetenschap van het recht. Hegel verwijst terug op zijn eerdere werk waarin hij de afleiding van dit begrip al heeft aangetoond, want dit wordt hier wel verondersteld. Het begrip van het recht is hier dus gegeven (en dat zal de vrijheid blijken te zijn). De vrijheid is voorondersteld in het moderne recht.
De filosofie moet dus iets in zijn noodzaak begrijpen en niet als Tatsache opnemen. Hier wordt dus inderdaad gevoel, subjectiviteit, toevalligheid en willekeur van het weten tot principe verheven.
§ 3.
Het recht is überhaupt positief
- door vorm
- door inhoud
- Door bijzondere nationale karakter van een volk met bepaalde zeden die in het recht zijn neergeslagen, in de fases van zijn historische ontwikkeling. En al het natuurnoodzakelijke toebehoren; de elementen die ik zal moeten accepteren.
- De toepassing van het algemene begrip op het bijzondere geval
- Letzten Bestimmungen, de laatste feiten waar je van uit moet gaan, ook in de filosofie, want de filosofie moet het begrip volgen.
§ 4.
De grondslag van het recht is überhaupt het geestelijke. Het rechtssysteem wordt opgevat als de verwerkelijking van het begrip van de vrijheid… geestelijke dus… De nadere positie van het geestelijke is de wil die vrij is zodat de vrijheid dus de substantie en bepaling van dat recht uitmaakt. En het rechttssysteem is het rijk van de verwerkelijkte vrijheid, de wereld die de geest uit zichzelf heeft voortgebracht en als een tweede natuur is.
Hegel accepteert geen onderscheid tussen denken en willen. Willen is een bijzondere manier van denken. Het denken dat zich übersetzend ins Dasein, het denken dat zich realiseert, dat zich in het bestaan tot bestaan maakt. Wanneer ik een voorwerp bekijk en ik denk het, dan maak ik het algemeen. Ik vat het op, een opvatting. Ik maak het ding tot een gedachte. Ik maak het tot het mijne. De wil is de omgekeerde beweging. Ik heb een begrip dat ik als doel stel en realiseer. En ook op die manieer krijg ik dat voor me wat ik in gedachten heb, dat is eigenlijk. Willen en denken hangen dus in die zin ten nauwste samen.
§ 5.
De bodem van het recht is de wil die vrij is: de vrijheid en de wil horen bij elkaar.
Het eerste moment van de vrije wil is de algemeenheid. De wil bevat dus:
A) Het element van de zuivere onbepaaldheid oftewel de zuivere reflectie van het ik in zich; d.w.z. het ik kan alle inhoud negeren. Je hebt het vermogen om je los te denken van iedere gegeven bepaaldheid, om dus in de lege ruimte van de innerlijkheid te verblijven. Ik ben qua ik volstrekt algemeen. De radicale subjectiviteit, het denken kan die beweging maken. Unbestimmtheit, zuivere onbepaaldheid, los. Dat is wat in de wil bevat ligt; de wil die ook het vermogen is. Oneindigheid, de oneindigheid van de abstractie van het lostlaten of de algemeenheid, das reine denken seiner selbst. Ik kan van alles abstraheren. De mens is de enige die alles kan laten vallen, ook zijn leven. Hij kan zelfs zelfmoord plegen. De mens kan alles wat gegeven is negeren zelfs das Sie gar nichts von der Natur des Willens wissen.
De moderne subjectieve vrijheid van het individu wordt gezien als ‘nergens aan vast zitten’. Volgens Hegel is dit een negatieve vrijheid, de vrijheid van het verstand, de vrijheid van de leegte. Wanneer deze abstracte vrijheid zich tot de werkelijkheid went zowel in de politieke als in de religieuze sfeer, dan wordt het het fanatisme van de vernietiging. Deze vrijheid – het nergens erkennen van een grens, alle inhoud als een beperking zien: het algemene (de vrijheid) – betekent dat iedere bepaling waarin je geplaatst bent, iedere orde die deze vrijheid in de wegstaat, moet worden vernietigd. Men meent weliswaar een of andere positieve toestand te willen, maar men wil niet de positieve werkelijkheid ervan, men wil dan de vernietiging. Het zelfbewustzijn krijgt men zo door die vernietiging. Zo kan datgene wat zij meent te willen en de verwerkelijking daarvan slechts de furie van het vernietigen zijn, te denken aan de puber die zijn identiteit krijgt. Alleen maar jezelf, je bestaan kunnen realiseren als negatie, alleen maar in het verzet tegen de orde. Daar zie je al het dialectische: dat de betrekking van het ik op zichzelf al negatie is, het zet zich als identiteit en onderscheidt zich van een anders zijn. De orde is dus nodig om de wanorde te kunnen affirmeren. Dat betekent dat het in zichzelf dus een betrekking heeft op de Bestimmtheit. Het is de negatie van de bepaaldheid.
§ 6.
B) Ik wil iets. Ik treedt in het bestaan. Denk aan die negatie, die vernietiging in de leegte, de abstractie, de verdwijning. Hier is het het ik dat zich bestaan gaat geven, het concretiseert zich, het verbijzondert zich tegenover het onbepaalde ik dat verdwijnt in de negatie. De nee-zegger wordt onbepaald die verdwijnt in de negatie van het ik is ik. Daarvoor in de plaats komt het ik dat zichzelf gaat bepalen. Deze verbijzondering is het opheffen van de abstracte negatie. Door de bepaling van zichzelf (van het ik) als iets bepalends stapt het ik in het Dasein in zijn algemeenheid, het absolute moment van de verbijzondering van het ik. Hier gaat het om het stellen van de inhoud, hier gaat het juist om het zich bepaaldheid te geven – sich bestimmen. Ik wil dit.
Het tweede moment ligt dus al bevat in het eerste, ze is slechts het stellen van datgene wat het eerste op zich is, een poneren van het eerste moment. Het eerste moment was betrokken op dat wat het negeerde en daarmee niet oneindig. Het was een negatieve bepaaldheid, omdat het de abstractie is van alle bepaaldheid, is het niet zonder die bepaaldheid. Het heeft dus die bepaaldheid nodig en dat is zijn bepaaldheid dat het bepaaldheid negeert.
Alles wat is, is er voor het bewustzijn, dat kwamen we al tegen bij Descartes. Het ik is dan het overkoepelende algemene. Het zet in sich een nicht ich. Kortom, de tafel als dat wat voor mij te onderscheiden is. Als te onderscheidene is het slechts voor en binnen het ik. Dat betekent dat het ich een nicht ich schept om zich vervolgens daartoe te bepalen. Er is dus een oorspronkelijke eenheid die ik als een empirisch ik waarin ik sta en als een subject mij verhoudt tot dat ik, eigenlijk bijeenbrengt. Dat is het zuivere ich. Daar wordt het anders-zijn achter gezet.
Om het algemene en identieke op te vatten als de immanente negativiteit – zoals in het ik – , is de stap die de speculatieve filosofie diende te maken met Hegel: dit algemene als ik is ik is in zich al een negatie, een negativiteit, als zelfbetrekking is het tegelijkertijd al een negatie. Het werkelijk algemene is in het bijzondere en daarin betrekt het zich op zichzelf. Dat is de enkelvoudigheid. Het algemene realiseert zich in het bijzondere en betrekt zich daarin op zichzelf. En het is dus niet zo dat het algemene als een abstracte identiteit op zichzelf mag worden geplaatst. De gedachte van de op zich op zichzelf betrekkende negativiteit is de identiteit van identiteit en niet-identiteit.
Dus het tweede moment is niet alleen ik wil, maar ik wil iets. Dat betekent dat er een beperking komt, dat is de wil die iets wil, dus de eindigheid. Zodra je iets gaat willen lijk je dus in de sfeer van de eindigheid terecht te komen. Vandaar dat sommigen zeggen ik wil niets, dan ben ik vrij, zoals de asceet. Dan zegt Hegel: ja, maar dat is een abstracte vrijheid waarin je eigenlijk niets bent. Er is dus een dialectiek van abstracte oneindigheid en eindigheid.
§ 7.
De wil is de eenheid van beide momenten (§ 5. & § 6.), de in zich gereflecteerde en daardoor tot algemeenheid teruggeleide bijzonderheid. De enkelvoudigheid, de zelfbepaling van het ik. In een iets, zich als het negatie van zichzelf – namelijk als bepaald – als beperkt te poneren, te stellen. En bij zich, d.w.z. in zijn identiteit, met zich en de algemeenheid te blijven. Ich bestimmt sich, in zoverre het de betrekking van de negativiteit op zichzelf is. Als deze betrekking op zichzelf, is het evenzo onverschillig tegen deze bepaaldheid. Als louter een mogelijkheid waardoor het niet gebonden is, maar waarin het slechts is, omdat het zich daarin poneert, daarin stelt. Dat is de vrijheid van de wil, welke zijn begrip of substantialiteit zo uitmaakt als de zwaarte, de substantialiteit van het lichaam. Het algemene blijft hier in het bijzondere aanwezig. Ik heb het voor zover ik het wil en ik kan er ook weer afstand van doen. Kortom: in de beperking blijft de bepaaldheid altijd terug verwijzen naar dit negatieve vermogen dat zich zo realiseert.
Het eerste moment van de wil is een voor-zich onwaar verstandsmoment, want ik kan alles abstraheren. Dat is als bijzonders – dat is het tweede moment – met een bepaald voorwerp: inhoud – doel: ik wil dit, ik wil dat. We kennen allebei de momenten: het streven, verlangen enerzijds, en het vermogen om het los te laten anderzijds. Die beide momenten zijn slechts abstracties. Het concrete en ware is de algemeenheid die tot tegenstelling het bijzondere heeft, maar dat door die reflectie in zich in evenwicht is gebracht met het algemene. Deze eenheid van de algemeenheid en bijzonderheid is de enkelvoudigheid. Enkelvoudigheid moet begrepen worden als die beweging van de algemeenheid (unbestimmtheit) richting de bijzonderheid in de enkelvoudigheid. De werkelijke vrijheid is dus de eenheid van algemeenheid en bijzonderheid.
Eenheid is dus de enkelvoudigheid, maar niet in haar onmiddellijkheid als Eins, maar volgens het begrip, want het begrip was dus de eenheid van algemeenheid, bijzonderheid en enkelvoudigheid. Einzelheit is niets anders dan de eenheid van algemeenheid en bijzonderheid.
Bepalend en in de bepaaldheid toch vrij zijn, en daarmee brengt de wil dus iedere bepaaldheid in de oneindigheid. Dat is de ware Unendlichkeit, waarvan de bepaling, de bepaaldheid een onderdeel wordt. Het is dus oneindigheid, waarin de eindigheid een wezenlijk onderdeel is van de werkelijkheid van de oneindigheid.
Het derde moment, het ware en speculatieve; al het ware voor zover het begrepen wordt, kan slechts speculatief worden gedacht. De speculatieve methode is de methode van de waarheid voor Hegel, je moet het zien, speculare. Daarin weigert het verstand te gaan. Het verstand dat nu juist het Begrip het onbegrijpelijke noemt.
Dat wat we eigenlijk willen noemen, houdt deze beide momenten in zich, algemeenheid en bijzonderheid. Het ik is als zodanig eerst zuivere activiteit, als het algemene dat bij zich zelf is, maar dit algemene bepaalt zich. En in zoverre is het niet meer bij zich, maar poneert zichzelf als iets anders. Door de begeerte ben je niet meer dat zuivere ik, dat alles omvat en alles opheft. Nu ben je in het eindige, niet meer algemeen. Het derde is nu dat ze in de beperking in dit andere, bij zichzelf is. Er is sprake van zelfbeperking, waardoor het in de eenheid van het zelf, kortom in de algemeenheid is teruggenomen. Al in dat nicht ich, in die beperking betrek ik mij op mijzelf. In de bepaaldheid moet de mens zichzelf niet bepaald voelen, maar indien men de ander als andere beschouwt heeft men daarin pas zijn zelfgevoel. Vrijheid ligt dus noch in de bepaaldheid, noch in de onbepaaldheid, maar het is beide. Het ich ist wir en wir ist ich, en ik moet dat oook willen, want als ik het niet wil dan negeer ik het, maar dan negeer ik datgene wat mij vrij maakt.
§ 8.
Vervolgens probeert Hegel in kaart te brengen om wat voor soort verbijzondering het gaat. De verbijzondering maakt de verschillende vormen van de wil uit, dat bepaalt het onderscheid
A) in zoverre de Bestimmtheit de formele tegenstelling tussen subjectief en objectief als uiterlijke onmiddellijke existentie is. Zo is dit de formele wil als zelfbewustzijn die een buitenwereld aantreft. En als de in de bepaaldheid terugkerende enkelvoudigheid het proces is, dan is het subjectieve doel door de bemiddeling van de activiteit een middel in de objectiviteit zu übersetzen. Kortom, het is niet meer een subjectief doel, maar het is in de objectiviteit en zo wordt het ook erkend als mijn eigendom. Hier is dus sprake van het formeel gestelde onderscheid subjectief – objectief. Hier betreft de enkelvoudigheid het proces om het subjectieve doel door de bemiddeling van die activiteit te objectiveren.
§ 9.
Tweede bepaling: B) Het bewuste maakt de wil tot wil. Reflectie is de terugkeer naar jezelf. In zich gereflecteerd: als mezelf verhoud ik me tot mezelf voor mezelf – het zijn in zich gereflecteerde bijzondering. Het bewuste maakte de wil tot wil, het sich bestimmen, eerder is er geen wil, je kunt niet onbewust willen, onbewuste gevoelens, woede, enz. zijn begeertes of verlangens en dat is iets anders dan de wil. Die reflectie is jouw inhoud, jouw doel, jouw wil.
§ 10.
Het ware was de idee, het begrip in z’n verwerkelijking. De wil is werkelijk wanneer ze die werkelijkheid wil. Pas wanneer de wil haar eigen vrijheid wil is ze werkelijk, anders is ze op zich vrij; en nog niet voor zich en dus nog niet werkelijk vrij. Op het moment dat hij dat echt wil krijg je de revolutie. Denk aan het kind, de op zich wil is de natuurlijke wil, die van het kind, nog niet in de vorm van de redelijkheid. De vrije wil moet zich dus ontwikkelingen. Op zich is hij zelfbestemming, zelfbepaling, Einzelheit. Dat moet hij ook voor zich worden. Dat is de beweging; wanneer er nog een scheiding is tussen op zich en voor zich, dan bewegen we ons nog in het eindige. Dat is nog de verschijning van de wil, niet de verwezenlijking.
§ 11.
De wil is van nature bepaald. Onze natuurlijkheid is op zich redelijk: honger, driften, neigingen, die zijn op zich redelijk. Alleen dient het wel een redelijke vorm te krijgen; het gaat om de vorming van die natuurlijkheid. Dat betekent dat ze uit haar onmiddellijkheid moet worden gehaald, dat ze bemiddeld moet worden door de wil. Dat is die reflectie: het is van mij, het is mijn wil. Dat mij is alleen een vormbepaling, die aangeeft dat het allemaal terugwijst naar het ik. Dat mijne zit nog niet in de begeerte. Dat het het mijne is, is het ich. Het ik dat ziet dat zijn inhoud betrekking heeft op het ik: reflectie dus. De wil is zo in zich eindige wil, en zo kan die zichzelf ook ervaren. Want de vorm en de inhoud lopen nog uiteen. De inhoud is een gegeven, overkomt hem, is niet gewild. Tegelijkertijd is het het mijne: hij kan ja/nee zeggen, Unbestimmtheit. De drift is in de natuur, maar dat ik deze stel hangt af van mijn wil. De wil kan zich dus wat de drift betreft niet meer beroepen op de natuur.
§ 12.
Het systeem van die inhoud is menigvuldigheid van driften die allemaal de mijne zijn. Tegelijkertijd zijn ze algemeen, het is onbepaald. Allerlei inhouden die ik heb, die ook vaag zijn en die op velerlei manieren bevredigd kunnen worden. Dat betekent dat er als het ware beroep gedaan moet worden op de Bestimmung. Die Bestimmung is ons niet vanzelf gegeven, maar we moeten gaan nadenken. We gaan ons vanuit de Unbestimmtheit bepalen. Dit is inderdaad een wil die doorbreekt. De Unbestimmtheit, die in onze natuur zit, verwijst eigenlijk al naar een besluitend vermogen, iets wat zich ergens boven stelt. We zijn eigenlijk door onze natuurlijke Unbestimmtheit gedwongen daartoe. Die onbepaaldheid geeft de ruimte aan het ik dat sich bestimmt, alsof de wil zich ontsluit als de oerkiem van het Dasein. Alsof die onbepaaldheid in zich de bepalingen en doelen bevat. Het ik komt dus als beslissende te staan boven die inhouud, die dan ook de mijne is. Hij is het algemene die boven de bepaaldheid staat. Door dat besluit wordt het een bepaald individu dat zich daarmee onderscheidt van andere individuen.
§ 13.
Er is nu sprake van een besluit tot een bepaalde inhoud, maar die inhoud zelf is nog niet vormgegeven al is het al wel de mijne. Dit is de formele wil vanwege het onderscheid: de onmiddellijke wil heeft een onmiddellijke inhoud. Nu is het de honger die hij gaat bevredigen. Het wordt niet genegeerd, maar het krijgt een hogere vorm. De onredelijke inhoud wordt redelijk gemaakt in die vorm, die tegelijkertijd de typisch menselijke vorm is. Het ik gaat zich nu steeds meer bevrijden van die onmiddellijkheid en daarmee gaat het ik die onmiddellijkheid vormgeven. De wil gaat zich een denkende intelligente vorm geven. Daarmee wordt het tot een objectief oneindige wil, want een inhoud is ook iets wat het zelf heeft bepaald en niet iets wat het zomaar aantreft. (Dit proces wordt stapsgewijs in § 14, 15 en 16 weergegeven).
§ 14.
De eindige wil is eindig, omdat hij niet die inhoud heeft bepaald. Slechts naar de vorm is die in zich reflecterend. Het is mijn inhoud, mijn honger. Dat hij die honger heeft, wordt niet door hem bepaald. Hij staat wel boven de inhoud, in de zin van hoe het zich verhoudt tot verschillende inhouden, en boven de manier waarop hij die inhoud gaat bevredigen, en het is dus niet gebonden aan die inhoud. Dat betekent dat iedere inhoud slechts een mogelijke inhoud is.
§ 15.
De vrijheid van de wil naar deze bepaling – dus dat het boven iedere inhoud staat – is de willekeur. De wil is dan het vermogen om te keuren, te kiezen. In de willekeur zit zowel toeval als de vrijheid van iedere bepaaldheid. De willekeur is de toevalligheid, hoe zij als wil is. Het is niet een noodzakelijke inhoud, maar de inhoud van wat je willekeurig kiest is toevallig en daarmee eindig. De willekeur is wat we gewoonlijk onder vrijheid verstaan, maar dat is nog lang niet wat het ware begrip van de vrijheid is. Het is alleen maar het formele idee van Selbsttätigkeit, maar nog niet de inhoud zelf is bepaald. Je bent dus ook afhankelijk van die inhoud en dat is de tegenspraak die in de willekeur is. Het Vernünftige is niet de willekeur, maar de Sittlichkeit, de algemeenheid.
§ 16.
Dat wat gekozen wordt, dat kan de wil ook weer opgeven (vgl. § 5.). Zoals je erachter kunt komen dat wanneer je iets kiest, je jouw vrijheid beperkt. Dat is de dialectiek waarin je tot niets meer komt. Iedere inhoud is onderscheiden van de vorm, dus kiest de wil voor een bepaalde behoefte , laat haar weer los en kiest weer voor iets anders om zich zo als onbepaalde zeker te stellen. Dit is de dialectiek van de bepaaldheid en onbepaaldheid (heen en weer).
§ 17.
De willekeur is een tegenspraak, omdat wanneer ik boven de inhoud sta, je de inhoud kiest, dat een negatie is van die oneindigheid, je gaat dan namelijk over naar een particuliere bepaaldheid die gegeven is, waar je dus niet boven staat. Dat zien we in het moment van Unbestimmtheit-Bestimmtheit die negativiteit is voor het één en dus niet voor het ander, daarin storen de driften en neigingen elkaar dus wederkerig. De bevrediging van de één betekent de opoffering (ondergeschiktheid) van het ander. Hier zien we het beredenerend verstand – er zal gewogen en gekozen moeten worden welke drift meer bevrediging oplevert.
§ 18.
De volgende stap: als je een berekenend verstand hebt zul je een bepaald criterium gaan hanteren, dat niet in de driften zelf aanwezig is. Er komt iets van algemeenheid naar voren, waarin die verschillende driften naast elkaar worden geplaatst. Ten aanzien van de beoordeling van de driften, heeft de dialectiek de verschijning, dat als immanent, daarmee positief, de bepalingen van de wil goed zijn. De mens heet zo van nature goed. Dus ze zijn immanent, positief, in de zin van gegeven. Alles mag meedoen. Voor zover het natuurbepalingen zijn, kortom niet het resultaat van een zelfbepaling, maar onmiddellijk gegeven zijn, zijn zij dus het negatieve dat wat de zelfbepaling van de wil negeert. Kortom er is al wel een onderscheid te maken tussen het één en het ander, het mijne ziet het, plaatst verschillende dingen naast elkaar, staat daarboven, is in die zin Unbestimmt en dan kiest het omdat het verwacht meer bevrediging te krijgen. Het is qua inhoud nu de ontkenning van zijn vrijheid. Het is das Negative als zodanig. Wat is dan goed en kwaad? Het kan van nature goed zijn en kwaad. Het ligt er maar net in welke positie je inneemt. Zo kun je de natuur als iets kwaadaardig zien in de mens (zoals in het Christendom, alleen dan heeft iedereen een erfzonde bij geboorte en in de jeugd).
§ 19.
Het gaat erom dat de driften gereinigd, gezuiverd worden. Dat was al aangekondigd. De driften worden ontdaan van hun onmiddellijke natuurbepaaldheid en daarmee dus ook van het subjectieve en toevallige. Dat is dan ook de inhoud van die wil. Ze worden dus teruggevoerd op zijn substantiële wezen. De driften als het waarlijk systeem van wilsbepalingen. De inhoud van de wetenschap van het recht is om de driften vanuit het begrip te vatten en verwijst naar recht, eigendom, familie, staat en moraliteit. De mens kan van nature een drift tot deze begrippen hebben. Hegel noemt het een soort empirische psychologie.
§ 20.
De willekeur die keuzes maakt, die boven iedere inhoud staat en daaruit kiest, gaat zich tot verschillende inhouden verhouden. Het geluk van het lieven wordt hiermee het criterium waarmee wij de driften gaan beoordelen; met het oog dus op het leven in zijn geheel, een soort levensgeheel. Hier komt dus het denken op: je wordt op het punt van het denken gebracht waardoor je de algemeenheid gaat denken, en dat is vorming (Bildung). Je bent niet meer met het ogenblik tevreden. Hegel onderkent in het ideaal van geluk twee momenten: het algemene met het algemene genot (bijv. Utilitarisme) en het bijzondere, want ook in het algemene moet je toch uitgaan van de gegevenheid van een bepaalde drift van het individu. Ondanks dat je alles betrekt op een levensgeheel blijft het toevallig.
§ 21.
Wanneer de wil die algemeenheid – zichzelf als de oneindige vorm – tot zijn inhoud, voorwerp en doel heeft is hij niets slechts de op zich maar evenzo de voor zich vrije wil: de waarlijke idee. Die reflecterende wil heeft dus enerzijds iets algemeens, in de zin van: hij beoordeelt het en pakt het in het gehele leven. Er ontstaat dan een centrum van waaruit er verschillende inhouden worden beoordeeld. Er is iets aan het bepalen wat al die onderdelen (inhouden) in relatie tot elkaar brengt, om ze met elkaar het algemene te laten vormen – een eenheid (het totaalplaatje: auto, huis, enz). Het algemene is dat het bij elkaar wordt geplaatst en verenigd in mijn leven. Er is iets waardoor ze niet op zich zijn, maar algemeen zijn, namelijk terugwijzend naar de ik die zo zijn leven vult. Die algemene vorm kan alleen gedacht worden. Dat betekent dat die inhoud wordt afgewogen, betekenis krijgt, buiten de natuurlijkheid. Dat is een ik die aan het waarderen is in relatie tot het levensgeheel. Het ik maakt zelf de keuzes. Het is de algemeenheid die zichzelf bepaald. Het ik moet ernst maken met dat zelf, de inhoud bepalen en het niet overlaten aan een gegeven drift, en dan is het niet toevallig meer. Het ik doet dat als het denken dat zich in de wil realiseert. De wil heeft nu dus zichzelf tot voorwerp, het ziet zichzelf als degene die bepalend is. Nu stemt de inhoud overeen met de vorm, dan heb ik als inhoud de vrije wil die de vrije wil wil. Die vrije wil die de vrijheid wil, dat is het zich ontwikkelende begrip. De vrijheid dat is het denken dat zich realiseert in een werkelijkheid die Vernünftig is. De beweging laat de dynamiek van het begrip zien. Nu wil je dus een inhoud van de wil die je redelijk acht en dat komt overeen met wat je als ware vrijheid ziet. Hier wordt duidelijk dat de vrije wil slechts als denkende intelligentie werkelijk vrij is. We moeten daarom dan ook niet vanuit het recht en de zedelijkheid een beroep doen op het gevoel en vervolgens het denken willen uitsluiten, want dan spreek je daarmee de diepste verachting uit waarin de gedachte en de wetenschap gevallen is. Op die manier wordt de mens dus van alle waarde en waardigheid wordt ontroofd. De waarlijke inhoud is identiek met wat de waarlijke wil wil, de vrijheid van de wil.
§ 22.
Dit is de op en voor zich zijnde wil. Hij wil dus zichzelf nu als vrij. ‘Wees een persoon’, je bent verantwoordelijk voor wat je doet. Je moet je eigen vrijheid willen en je dient achting te hebben voor jezelf als persoon. Zijn Gegenstand, het voorwerp, is niet iets anders dan het zelf. Erkenning is zo veel meer de verwerkelijking van de vrijheid dan de behoeftebevrediging. De Gegenstand is nu de Selbstbestimmung. Ik wil mijzelf en de ander als zelfbepaling. Ik erken zijn eigendom en daarmee erken ik dat hij een persoon is die zich heeft gerealiseerd in een wereld. Het feit dat ik iets als eigendom opvat, betekent dat ik al in die vrijheid zit.
§ 23.
De echte vrije wil wil zichzelf als vrije wil en heeft daarmee de oneindige werkelijkheid en tegenwoordigheid. M.a.w. ik wil de ander in zijn vrijheid, want daarin ligt de erkenning. Je doet een beroep op de wil van de ander, zijn verantwoordelijkheid, opdat hij jou herkent en erkent. Dat is de Gegenstand waar we ons op richten.
§ 24.
De wil is algemeen omdat de beperking is opgeheven, er is geen particuliere voorkeur. Het gaat om een algemeenheid waarin het bijzondere een moment is waarin de wil op zichzelf betrokken blijft en daarmee dus Unendlich is, niet beperkt wordt. De inhoud die zich ontwikkelt is de inhoud van het denken, oftewel de redelijkheid die werkelijk wordt in sociale verhoudingen in sociale instituties.
§ 25.
Onderscheidingen rond de noties van subjectiviteit en objectiviteit:
Subjectiviteit
- Als zuivere vorm, eenheid van het zelfbewustzijn met zichzelf, louter betrekking op zich nog onderscheiden van een werkelijkheid.
- De bijzonderheid van de wil. Ik wil toevallig iets, ook wel de willekeur.
- Subjectief voor zover het nog niet geobjectiveerd is. Ik heb een verlangen dat nog niet verwerkelijkt is.
§ 26.
Objectiviteit:
- De wil die object is, die bijvoorbeeld een contract sluit en nakomt.
- De objectieve wil is ook de wil die zich nog niet van zichzelf bewust is, verzonken in zijn toestand of in zijn object, dus zonder het onbeperkte zelfbewustzijn, bijv: kind. De objectiviteit is hier wat tegenover de wil staat. De objectiviteit staat hier mijn subjectieve doel in de weg. Dit objectiveer ik door datgene waarin ik zin heb, dat wat ik wil, te doen. Dat is objectivering van de subjectiviteit waardoor de objectiviteit dus overeenstemt met een subjectieve wil.
§ 27.
De absolute bepaling of drift van de vrije geest is dat voor hem zijn vrijheid voorwerp is. Dus de vrijheid moet objectief worden, zowel in de zin als het redelijke systeem van zichzelf, en dat dit systeem onmiddellijke werkelijkheid is. Mijn vrijheid is onmiddellijk werkelijkheid, het is buiten mij. Ik heb slechts die keuzevrijheid voor zover de ander mij die geeft, m.a.w. voor zover ik al in een systeem zit dat zich heeft gerealiseerd – in de staat (in de zedelijkheid). Hoe minder machtig de staat wordt, hoe onvrijer wij zullen worden. Dan kun je het recht nog wel in het juridische recht hebben, maar dat is niet de werkelijkheid, dan blijft het slechts abstract recht. Het gaat erom wat de werkelijkheid is. Vandaar dat Hegel dat abstract recht alleen als eerste abstracte begin neemt. Hieruit volgt dat de vrijheid niet alleen Vernünftig gedacht moet worden, als de realisatie van het begrip, maar ook als systeem dat zich heeft verwerkelijkt. Om werkelijk te zijn, en de vrijheid als voorwerp voor zich te hebben, als idee dan moet het zijn wat de wil op zich is. Dat is de verwerkelijking van de vrije wil. De wil verwerkelijkt zich, en krijgt zo voor zich in zijn daad, als in de werkelijkheid (daadwerkelijkheid) dat wat ze op zich is. Werkelijk is wanneer ze in die verhoudingen leeft en zich daarvan volledig bewust is. Het begrip van het abstracte idee van de wil is de vrije wil die de vrije wil wil.
§ 28.
De activiteit van de wil is de tegenspraak tussen de objectiviteit en subjectiviteit op te heffen en zijn doelen uit die subjectieve bepaling in het objectieve over te zetten. Dat is de wezenlijke ontwikkeling van de substantiële inhoud van het idee, dat het begrip van de vrije wil in de objectiviteit wordt gerealiseerd. Hegel begint hier weer met de persoonlijke vrijheid, maar niet meer in die eerste onmiddellijke vorm waarin ik als subject me tot een uitwendige werkelijkheid verhoud, het gaat er hier om dat je de werkelijkheid begrijpt als de realisatie van de vrijheid.
§ 29.
Recht is het Dasein van de vrije wil. Recht is het bestaan van die wil, als begrip een als werkelijkheid.
§ 30.
Recht is iets heiligs überhaupt, als zodanig. Alleen omdat het het bestaan van het absolute begrip van de zelfbewuste vrijheid is. Het Recht die we met de plichtenleer hebben verkregen, maar ook de rechten en plichten die eenieder meekrijgt, komt voort uit de ontwikkeling van het vrijheidsbegrip. De wet (het formele recht) heeft slechts een relatieve geldigheid ten opzichte van die hogere fase. Het betekent ook dat de wet niet de grondslag voor de staat is, dat is namelijk het hogere recht. De wet is namelijk ingebed in dit hogere, dat de bepaling en verwerkelijking is van het idee van de geest – de staat waarin wij als erkend deel zijn opgenomen. Alhoewel het ingaat tegen de wetten van een normale situatie is er toch sprake van een hoger recht dat geldig is (bijv. in tijden van oorlog), en kunnen normale wetten worden ontkracht. Bij een botsting geniet het hogere de voorang.
§ 31.
Een opmerking over de methode. De ontwikkeling van het begrip is een immanent proces dat zelf nieuwe bepalingen van het begrip voortbrengt, dit is de dialectiek. De bepalingen die volgen en de negaties die daarin zichtbaar worden, leiden tot een positieve inhoud, een ander resultaat. Hier is sprake van een immanent voortschreiden – het begrip verrijkt zich. Maar omdat het begrip wezenlijk idee is, zullen we zien dat die ontwikkelingen ook hun eigen bestaan krijgen.
§ 32.
Dat houdt in dat als het begrip zich ontwikkelt, alle verschillende delen van dit begripsgeheel een eigen gestalte krijgen. Zo krijgen die verschillende onderdelen (de bepalingenhun eigen bestaan en vormen zij zo de geledingen van de staat. Wel belangrijk is om hier te zien dat er een geschiedenis aan voorafgaat, en wanneer je spreekt over een deel dan moet je alle voorgaande bepalingen daarin samengenomen zien.
§ 33.
De indeling of fasering van de ontwikkeling van de idee van de op en voor zich vrije wil. De wil is:
A) Onmiddellijk. Het abstracte en formele recht. Het is de wil in haar uitwendige gedaante. In de volgende stap laat hij die uitwendigheid los (n.a.v. de misdaad) en keert hij naar binnen. Dit is noodzakelijk.
B) De wil is vanuit zijn uitwendige bestaan in zichzelf gereflecteerd. Dit is een andere fase, die van de moraliteit oftewel het subjectief recht.
C) De eenheid en waarheid van beide abstracte momenten: de Sittlichkeit.
De zedelijke substantie (C) is weer verdeeld in:
A) Natuurlijke geest, de familie
B) In haar verdeling en haar verschijning: de burgerlijke maatschappij
C) De vrije zelfstandigheid van de bijzondere willen, die tegelijkertijd de algemene, objectieve vrijheid vormen. Dit is de staat.
Hier krijg je: die Weltgeschichte ist das Weltgericht, oftewel hoger dan elk gegeven staatsordening is de wereldgeschiedenis.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer