De postmodernisten spreken over structuren zonder direct te pleiten voor ethische veranderingen. Het afwenden van die ethische eisen is te zien bij Derrida’s Devant la loi, vrijvertaald als voor de wet.
Eerst een korte beschrijving van wat vooroordelen. Zo zou hij altijd werken met teksten van anderen, niet met ervaring. Interessanter is de vraag: waar houdt de filosofie op en begint de literatuur? Daarom is die vraag altijd verbonden aan zijn werk. Ook maakt hij gebruik van deconstructie (hij schrijft glossen, één van zijn teksten heeft dan ook marges) – destructie en constructie. Er zijn een aantal filosofen die hem altijd heel irritant vonden. Zo had Searl een tekst gemaakt en Derrida gooide die tekst door elkaar tot kritisch geheel en toen was Searl boos. Hij schoof met woorden en met zinnen tot een nieuwe betekenis.
We kijken naar de tekst, de literatuurtheorie, de filosofie van de literatuur, het is geen vak, maar wel veel meer dan een hand vol. Deze tekst is een voorbeeld van deconstructie-denken die werkt met literatuur. De inhoudelijke kwestie hier is het probleem van oordelen. Allerlei uitspraken zijn te kwalificeren als oordelen en daarmee is het dus ook een klassiek probleem.
Al bij Kant (Kritik der Urteilschaft) draait de ethiek om een achtung van gesetz, om het goede willen doen. Kant streeft naar het symbolisch tonen van zedelijk goede respect jegens personen en het Universeel Schone. De zedenwet roept bepaalde achting op. Zichtbaar vanuit bepaalde positie. Hoe moet ik handelen? Bij hem is het gesteld als ‘alsof’ en dan wordt het zichtbaar. Causaliteit, oorzaak en gevolg, zo begrijpen we de wereld, maar zo denken we niet over ons handelen. We maken de ‘alsof’ constructie van Kant, alsof de vrijheid en het doel er is. Alsof is doelgerichtheid, transcendentale vooronderstellingen. De verbeelding komt hier te voorschijn. Die is nodig voor moraal. Dus Kant geeft ons een onzuiver moraal, dat is niet de ‘zuivere plicht’ brengen. Er wordt fictie noodzakelijk. En Kafka verbindt ons met deze moraalfilosofie. We moeten verder kijken wat de wet en wat de fictie maakt.
Al bij Aristoteles is de verstandige mens de maatstaf en de oordelen zelf zijn geen maatstaf. Een voor-oordeel, waarbij helemaal geen waarde/maatstaf is, brengt je tot de meest zuivere vorm van oordelen. Oordelen is act waarbij orde nog niet is aangegeven. Hierbij zien we een probleem van algemeenheid en individualiteit. Kun je een beroep doen op regels? Zou je individu in strikt idiomatische zin met een specifiek oordeel moeten benaderen? Het recht heeft altijd te maken met het probleem van het algemene versus het individu. En in literatuur zijn romans particulier en toch een zekere algemeenheid. Derrida kijkt naar deze verhouding aan de hand van zijn lezing van Kafka’s Der Process. Wat is de wet wezenlijk? Met het wezen van de wet bevinden we ons hier dichtbij Heidegger. Wij zetten onszelf voor de wet. Dit is kritiek op de Kantiaanse autonomie. Het wezen en de plaats van die autonomie.
Derrida leert ons te vragen niet ‘wat is de wet?’, maar ‘hoe is de wet?’ Je weet uiteindelijk niet wat men zegt als men God zegt. Een soort van wet van de wet. Seit Gerecht. De Joodse Godsdienst wordt hier voorgesteld als wettische Godsdienst. Ze hebben 631 geboden die terugslaan op zeven vrij algemene geboden. Het gaat om de houding die ze aangeschreven wordt, je al gehoorzamend opstellen. Derrida wil Kafka dus op een specifieke manier lezen wil lezen: Seit Gerecht is van geval tot geval verschillend. Soyez juste (wees rechtvaardig) – van geval tot geval, zegt hij twee keer, over joden en zijn eigen interpretatie.
In Kafka’s werk (en Derrida gebruikt het laatste hoofdstuk ervan) vertelt de geestelijke over de man die voor de deur van de wet zit te wachten tot hij naar binnen mag. Die man is van mening dat de wet open en toegankelijk hoort te zijn voor een ieder. Net zolang probeert hij het en wacht hij tot hij dood gaat. De deurwacht verteld hem dat vele het geprobeerd hebben, niemand lukte het. De man had nog nooit iemand gezien. Dat kwam omdat de deur voor hem bestemd was. Literatuur kan net als de wet gezien worden als instituut met wetten. De teksten die beschermt worden door dit instituut kunnen vooronderstellingen over dit instituut uitstellen/opschorten, door ze te bevestigen of niet. Derrida ziet deze tekst als literaire act, deze spreekt namelijk algemene problemen aan. De notie van de wet ligt ingesloten met z’n voorafgestemde absolute afscheidingsmogelijkheid van maakt niet uit wat. Literatuur kan zich afscheiden van alle teksten. Derrida toont aan door Kafka dat deze vooronderstelling niet houdt. De wet zou open moeten zijn voor iedereen.
De volgende stap is die van de oorsprong van de wet. Genealogie van de wet. Dat had Freud ook proberen te doen. Het is een rare theorie. In onbewuste geen onderscheid tussen waarheid en fictie. Een proces in onbewuste is verdringing (oorsprong van de moraal hierin), een veraf komen te staan van het seksuele en de anale genitale organen. Overleven zit op dat niveau en moraal staat daarboven. Derrida stelt daarover dat dit precies zo is bij Kafka’s verhaal. Het hoge verbonden met het hoge en verhevene. Ook Freuds Totum en Taboo over zijn vadertheorie komt aanbod. Een zelfstandige maatschappij kan zich constitueren door vermoorde vader. Er is een patroon van de vadermoord, het is een schuldrelatie. En dit is een verweven wet met fictie. Als we kijken naar verklaring van Freud, dan blijft het fictie-element, aldus Derrida. Vadermoord (verbiedende karakter van de wet) is een niet noodzakelijk extraatje. Het verheven moraal/de wet is verdringing, moord en incest.
De ontoegankelijkheid lijkt gemaakt. Maar er is iets raars aan de hand. Hij moet zichzelf het bevel opleggen om niet toegang te nemen tot de wet. De wet werkt niet met fysieke dwang, maar met een opschortend betoog. De wet is niet het verbiedende het is het verbodene. Het is een houding. De wet west (Heidegger) daar waar mensen zichzelf verplichten. De rest van het verhaal: de man wacht zijn leven lang. Er gaat niets gebeuren. Het gaat om de eigen houding. Deze opening was alleen voor jou.
Derrida besluit deze inleiding met een paar opmerkingen over waarover hij het niet wil hebben, namelijk: niet over zichzelf en zijn eigen filosofische ontwikkeling via Husserl, Heidegger en Freud; niet over de postmoderne kwestie en de relatie Lyotard – Derrida; maar wel over Lyotard. Hier biedt Derrida dus toch heel wat informatie over deze zaken, om dan zijn onderwerp te preciseren: hij zal het over Lyotard hebben, over zijn vraag: ‘hoe te oordelen?’. In het slot van de tekst wordt dus eerst een voorlopig afsluiten gegeven en dan nog eens. In de laatste passages gaat Derrida in op het feit dat het verhaal van Kafka ook een deel is van Het Proces. Het geeft de context daarvan aan, verbindt die met zijn eigen ervaringen in Tsjechië, Praag, waarbij hij het advies kreeg om de juridische bureaucratie vooral ‘literair’ op te vatten. In de laatste alinea nog een citaat van Kafka: ‘Definitiv ist nur das Leid. Wann schreiben Sie?’
Eigen leven in ethisch perspectief, maar niet in willekeurige zin. Onvermijdelijk aspect van het menselijk leven. In de laatste stukjes van deze tekst wordt dat uitgelegd. De wet is niet representeerbaar. De wet van de wet. Houding als proces. Hij legt iets uit over de ethische conditie van de mens en de samenleving. Hij haalt het naïeve denken over fictie weg. Wezen van de wet? Wat betekent het dat mensen ethisch zijn? De mens neem de wet in acht, maar moet het toch zelf doen. De conclusie is nu dus dat de moraal en de ethiek heel onvast zijn, het is wat je zelf doet. Het is afhankelijk van het moment dat jij jezelf in die positie had willen brengen, autonomie. Er is een archaïsche levenswijze nodig, maar ook mogelijk. Het is een oordeel dat je jezelf geeft. Kafka is zich daar heel erg bewust van. Derrida stelt dat Kafka dit ook benadrukte: Beslissend is niet de ethiek maar het lijden!

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer