Deel 2: The Turning Point
Hoe kon een exclusief humanisme een reële optie worden voor enorme aantallen mensen, eerst onder de elitegroepen en later in bredere kringen?
Dat proces vond plaats via een tussenstadium dat vaak deïsme wordt genoemd. Drie aspecten daarvan wil Taylor in dit deel bespreken. Zo bespreekt hij in hoofdstuk 6 de algemene notie van de wereld als ontworpen door God. Deze opvatting maakt aan het einde van de zeventiende en in de achttiende eeuw een antropocentrische verschuiving door. Het resultaat van deze verandering noemt hij ‘Providential Deism’. In hoofdstuk 7 bespreekt hij de twee andere aspecten. Daarbij is het belangrijkste aspect: de verschuiving naar een voorrangspositie voor de onpersoonlijke orde. Het derde aspect is dat de gedachte van een oorspronkelijke en natuurlijke religie is verduisterd door toevoegsels en verbasteringen en die opnieuw aan het licht moet worden gebracht. De oorspronkelijke religie moet weer vrijgemaakt worden, we zijn op zoek naar de onderliggende kern van alle religies.
Hoofdstuk 6: Providential Deism
Deïsme is de intermediaire fase; er is wel een God, maar hij is niet betrokken in de eigen tijd, hij gaat daaraan vooraf. Er is dus geen handelende god. Het gaat in de orde die we nastreven ook om de mensen zelf. God is niet als persoon aanwezig, we gehoorzamen God als we de orde gehoorzamen. Er is sprake van een versmalling van Gods doelen tot één: onze totale aanvaarding van deze orde van wederkerig nut die hij voor ons heeft ontworpen. Cruciaal kenmerk van Gods orde is dat ze gericht is op het heil van de schepselen die ertoe behoren,en vooral van onszelf.
Vier antropocentrische shifts hebben plaatsgevonden:
- We zijn God enkel de vervulling van ons eigen goed verschuldigd; het plan van God werd ten behoeve van de mensen gereduceerd tot het feit dat zijzelf de orde in hun leven moesten verwerkelijken die hij voor hen had ontworpen ten behoeve van hun welzijn en geluk.
- De orde in de wereld is door de rede inzichtelijk; doordat het doel versmald is lijkt het alsof we op eigen kracht de orde kunnen bereiken. Genade lijkt minder essentieel. We voelen morele volheid.
- leidt tot verdwijnen van het mysterie in de wereld omdat we weten wat ons te doen staan en hoe we dit moeten uitvoeren.
- God bepaald niet meer de transformatie van de mens waarin zijn beperkingen worden ontnomen.
De eerste twee daarvan hebben de laatste twee als gevolg. De centrale gedachte is dat mensen eigenlijk wel goed zijn. Omstreeks 1500 begint het streven naar hervorming een wat ambitieuzere richting in te slaan; het gaat dan niet meer allen om de religieuze gewoonten en praktijken, maar ook om het wereldlijke leven: civiliseren. We zijn brave nette mensen geworden. Het goede ligt binnen het bereik van ons handelen. We doen het in principe goed en als we het niet goed doen, dan komt het binnen het geheel toch goed. Waar de middeleeuwse samenleving nog zeer gewelddadig was, wijden de leden van de welwillende samenleving zich voornamelijk aan de kunst van de vrede.
We zijn eigenlijk goede mensen van nature, de eerdere disciplinering is nu eigenlijk overbodig. Maar dit is een typisch westerse gedachte (p.229). Op het moment dat de samenleving goed ingericht is, werken mensen die zich alsnog op iets hogers richten eigenlijk averechts. Je kunt in deze situatie geen religieus heldendom meer hebben. Het koninkrijk van God is er al. Antropocentrische shifts leiden ertoe dat bestaande orde goed en redelijk is. Stom genoeg is juist het Christendom een belangrijke kracht achter de nadruk op orde en (zelf)discipline. We hebben er juist zelfs meer sociale ervaring in gekregen dit op een goede manier toe te passen.
Al met al heeft het discours van de moderne morele orde het begrijpen van de voorzienigheid veranderd. De nauwe verbinding tussen het ideaal van de orde en de vormen van discipline en organisatie hebben ons in staat gesteld om de samenleving tot beschaving te brengen. Daardoor hebben we in deze vormen van zelfherziening vertrouwen gekregen als onafhankelijke maatstaf. De cultuur van wellevendheid was de eerste fase in de ontwikkeling van de moderne morele orde: van louter theorie naar een wijze van sociale beeldvorming, die hier de praktijken van een ontwikkelde elite onderbouwt. Providentieel is dus de goede orde. Wonderen zijn niet meer mogelijk in de wereld. Er is meer nadruk gekomen op welzijn.
Bij de eerste antropocentrische shift was het tot stand brengen van de orde van wederkerig nut in essentie de reden dat God ons geschapen heeft. Het besef dat een mens buiten menselijke ontplooiing nog tot iets anders geroepen is, wordt verwaarloosd in deïsme. Deze verschuiving is op haar beurt ingebed in een zeer lang durende neiging tot hervorming in de ruimste zin.
Het wordt innerlijke zoektocht naar spirituele bronnen. Het doel om gelijk worden aan God verwatert; human flourishing is genoeg. Het doel is lager, er is minder transformerende kracht nodig. We moeten nagaan wat onze eigen mogelijkheden, niet teruggaan naar de oudheid, maar op zoek gaan naar nieuwe bronnen.
De tweede verschuiving leert ons twee vergelijkingspunten (p.247) tussen de klassieke ethische filosofieën en het exclusief hummanisme. Dat laatste is exclusief in de zin dat de denkbeelden ervan over menselijke ontplooiing niet verwijzen naar iets hogers dat mensen zouden vereren, liefhebben of erkennen. Het eerste verschil houdt in dat het moderne beeld van menselijke ontplooiing activistische houding behelst zowel ten aanzien van de natuur als ten aanzien van de menselijke samenleving. Als tweede verschil behelst het moderne humanistische moraalpsychologie de specifieke aandrang tot naastenliefde, onafhankelijk van al bestaande banden. Dit is als het ware het historische spoort van het christelijke agape, dat mettertijd in het christendom juist onder druk kwam te staan en niet meer gehandhaafd kon worden. De voornaamste stuwkracht van het humanisme heeft geprobeerd dit vermogen tot naastenliefde immanent te maken, en dit staat heel ver af van een terugkeer naar klassieke wijsheid. Het behoudt van deze parallelvorm toont ons twee belangrijke dingen over de overgang. Allereerst zou het waarschijnlijk niet mogelijk zijn om de overgang op een andere basis dan deze te maken. Ten tweede lijken de effecten van onttovering op korte termijn juist de daaruit volgende eisen aan onze vermogens om onszelf en onze samenleving te transformeren de actieve genade van God des te noodzakelijker te maken. Men wil niet meer terug naar orde, hiërarchische orde. Elementen moeten gevonden worden om de bestaande delen te vervangen. Er moet bijv. een alternatief gevonden worden voor agape. De opgave is dus: transcenderende kracht moet nu in de mens zelf gevonden worden. Andere morele bronnen moeten in de mens zelf liggen. Ideaal van geordende samenleving is geworteld, maar tevens is er spanning ontstaan met christelijk geloof. Dus men zoekt naar een alternatief. Men gaat op galante wijze met elkaar om: polite society. Figuur van disciplinering gaat op deze manier door. Leven krijgt grote mate van gecontroleerdheid, onafhankelijke structuur van kerk en politiek. Eigen spiritualiteit waarin Christus feitelijk verdwijnt. Algemeen belang belangrijk. Vage religiositeit nodig die mensen richt op algemeen belang; publiek bindmiddel; houdt polite society in stand.
De alternatieven voor immanente morele fundering:
- Descartes, disengaged reason: de rede is een instrument dat losgekoppeld van onszelf gezien kan worden.
- Kant zuivere wil, strijdkarakter: de universele wil die in verhouding staat met de disengaged reason op een wijze dat de universele wet de bron is.
- Rousseau; gevoelsleven, gevoel van universele sympathie moet losgemaakt worden.
- Feuerbach; alles wat we tot nu toe over God gezegd hebben, ging eigenlijk om de mens
Deze alternatieven vormen tezamen exclusief humanisme, waarbij deze koppeling voor het eerst in de geschiedenis is gemaakt. Wij zien deze alternatieven terwijl de mens zelf het ontische component (de moral background) is. Zijnsclaim: zo is de mens zelf. Dat de mens zelf zo’n krachtbron is wordt ontkend door bijvoorbeeld Nietzsche. Onze vernieuwing wekt de schijn dat de antropocentrische veranderingen een constructie zijn zonder plek voor zelfverwerkelijking. Dit is slechts schijn omdat het principe van wederzijds voordeel een zelfverwerkelijkend principe is. Er is dus ook hier een ontisch element.
Taylor omschrijft drie claims ten aanzien van het exclusief humanisme (p.259). De eerste behelst de alledaagse heiligheid in de modern World order. Mensen worden fatsoenlijk en beheerst. De standaard voor de gewone man gaat omhoog en voor de heiligen omlaag. De goddelijke steun om een moreel mens te zijn is ook steeds minder nodig en de volledige Christelijke genadeleer wordt overbodig gemaakt. Wat het betekent om een moreel mens te zijn veranderd dus. Het idee van goddelijke transformatie verliest aan kracht, want er wordt gedacht ‘we kunnen het ook zelf’. Dit zorgt ervoor dat exclusief humanisme een optie wordt. Daarbij schiet het orthodoxe Christendom eigenlijk tekort (p.262). Dat is een op zichzelf afgeroepen kritiek van en door het Christendom. Enkele geloofsstukken worden bovendien problematisch in verband met het nieuwe mensbeeld: zondigheid, predestinatie en het idee dat slechts enkelen goed worden. Religie wordt steeds verder gedefinieerd door middel van negatieve termen. Het wordt vastgepind op de radicale verschijnselen. Zo wordt het debat tussen exclusief humanisme en religie binnen een bepaald framework gezet. De tweede claim is dat je kunt niet terug naar een andere religie, want het Christendom is de enige religie. Als men hetzelfde zou kunnen met andere middelen vormt het exclusief humanisme in dat geval een bedreiging. Het had niet anders kunnen zijn. Tenslotte gaat de derde claim over de situatie waarin beiden tegenover elkaar staan. Ze definiëren zichzelf in elkaars termen. Daardoor ontstaat de vraag naar het alternatief. En beiden zijn hun alleenrecht kwijt en beiden definiëren zichzelf dus als tegenstander van de andere positie (p.269).
Er is geen ander afscheid mogelijk van het Christendom dan door het exclusief humanisme (het proces is noodzakelijk om daartoe te komen), aldus Taylor. Het is echter niet mogelijk definitief afscheid te nemen van het Christendom. De oorsprong van deze ethiek werkt tot vandaag de dag door. Een toestand waarin religie afwezig is, verdient niet zonder meer of nog langer de aanduiding ‘ongeloof’. Het is binnen de ontwikkeling van het Providential Deism dat exclusief humanisme kon worden omarmt. Wat we hier zien is de gebufferde identiteit die zichzelf ontwikkelt, en dat het exclusief humanisme een aannemelijke optie maakt.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer