Sharon Hagenbeek is Watching You!

Tekstanalyse van The Applicant – Sylvia Plath

door

Voor Tekstanalyse 2006-2007
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Interpretatie
3. Het lyrisch subject pagina
4. Bronnen

1. Inleiding
Ik heb voor dit gedicht gekozen omdat het een situatie lijkt te bespreken, die een standaard klacht van een feminist toont. Het gedicht leek een totaalbeeld te zijn van een moment waarover klachten ontstaan en niet de klacht zelf.
Bij het begin van het maken van deze interpretatie, heb ik gezocht naar intertekstuele verbanden. Ik heb geen intertekstuele verwijzingen kunnen vinden. Wel heb ik ontdekt dat de periode waarin de auteur dit gedicht en andere gedichten schreef, was nadat zij haar vrijheid had opgezocht door uit haar huwelijk te stappen.
Vervolgens heb ik het gedicht onderzocht op formele kenmerken. Daarbij waren er wél duidelijke aanwijzingen te vinden voor een interpretatie van deze tekst. Zodoende heb ik mijn interpretatie gemaakt met behulp van aanwijzingen van de formele kenmerken.
Ik heb het gedicht onderzocht op een metrum. Dit gedicht maakt gebruik van alle soorten metra die genoemd zijn in hoofdstuk twee van het boek van Ernst van Alphen (zie Bronnen 4) – er is dus geen aanwijsbaar formeel metrum.
Andere kenmerken zoals bijvoorbeeld klank- en woordherhaling heb ik in de paragraaf van de bespreking van het gedicht gebruikt (paragraaf 2). Ik heb daarbij de kenmerken van het gedicht op een interpreterende wijze benaderd.
Concluderend heb ik aandacht besteedt aan het lyrisch subject als lijdend subject (paragraaf 3). De klacht van een onderdrukte vrouw wordt niet expliciet gemaakt, alleen hetgeen dat doet lijden wordt namelijk getoond.

2. Interpretatie
The Applicant heeft 40 versregels verdeeld in 8 strofen. Al deze strofen zijn kwintetten. Het gedicht maakt naast deze regelmaat ook gebruik van alle soorten metra. Aangezien er geen formeel metrum is, zijn de versvoeten en de strofen niet gelijk. Wel valt bij een fonologische interpretatie van het gedicht vast te stellen dat bepaalde versvoeten opvallen in het ritme van de versregels. Ik zal deze versvoeten op deze manier als opvallend beschouwen in de onderstaande bespreking.
Ook zal ik bij deze bespreking per strofe de eventueel andere formele kenmerken bespreken. Het gedicht gebruikt niet overal nauwgezette interpunctie, dus waar het gedicht juist wel of niet interpunctie gebruikt, is meegenomen in deze bespreking.
Niet concluderend, maar wel interpreterend heb ik in deze bespreking ook gekeken naar de inhoud van het gedicht.

Eerste strofe
Het gedicht begint echt. First wordt gebruikt als een soort van ‘allereerst’. Vervolgens wordt er gevraagd naar allemaal mogelijke afwijkingen.
De apostrof richt de aandacht op de aangesprokene (en niet op een gespreksonderwerp). Het gedicht bevat meerdere apostrofs zoals de vragen die gesteld worden. Dit gedicht als gebeurtenis is de apostrof waarmee niet alleen het bestaande maar ook de macht van degene waarbij de applicant komt, wordt aangetoond (bij gebrek aan een meer geschikt woord voor deze persoon/positie waarbij de macht ligt, hierna bepaler genoemd). De bepaler spreekt de applicant aan.
Doormiddel van interpunctie wordt de opsomming van de mogelijke afwijkingen waarnaar gevraagd wordt, benadrukt, alsook door de anafoor op regels 3 en 4. Het eindrijm van regels 3 en 5 benadrukt tevens de opsomming van mogelijke fouten die de applicant kan hebben.

Tweede strofe
Er zijn in deze strofe twee versvoeten die fonologisch gezien opvallen, te weten: No, no? Then (regel 6) en Empty? Empty. (regel 10). Deze zijn ook tekstueel gezien interessant voor mijn interpretatie van het gedicht. Beide bevatten zij een vraag (die ook door de interpunctie benadrukt wordt).
Binnen een gedicht is meestal sprake van een monologische taalsituatie. Het gedicht richt zich dan op zichzelf en niet op de lezer. Ook dit gedicht richt zich niet op de lezer, maar lijkt door deze vragen een interne dialoog te bevatten. Op regel 6 wordt de vraag beantwoord door de vraagsteller. De ondervraagde zou nergens last van hebben. In de tweede vraag op regel 6 lijkt het antwoord al te zitten. De vraag kan door de lezer zelfs als retorisch geïnterpreteerd worden. Hier blijft nog sprake van een monologische taalsituatie van het gedicht. Als de ondervraagde gezond is heeft hij of zij nergens recht op.
Er worden opdrachten gegeven als een opdrachtstoop. De autoriteit van de bepaler lijkt steeds groter te worden. In wanhoop begint de applicant namelijk te huilen en er wordt opdracht gegeven om niet te huilen.
Regel 10 is interessanter qua vraagstelling dan regel 6, omdat het meer oogt als een dialoog, daar het geen retorische vraag is, maar een vraag en antwoord zoals in een dialoog. Een tweede persoon lijkt antwoord te geven op de vraag die hem of haar gesteld wordt. Dit leidt tot een conflict over het lyrisch subject. Er wordt namelijk onduidelijkheid gecreëerd over de identiteit van het lyrisch subject. Is het lyrisch subject de bepaler, de applicant of zelfs nog een ander subject? De titel van het gedicht geeft aan The Applicant. Een duidelijke vraag die deze titel oproept bij een lezer is ‘een applicant voor wat?’. Alleen hier wordt de aandacht van de lezer gevraagd voor de bepaler. Wie is die macht?
Een tweede opdracht luidt om de hand te openen. Deze is leeg. Als je niets hebt of kan dan heeft de bepaler wat als troost. Deze strofe bevat eindrijm op regels 7 en 8, wat benadrukt dat hetzelfde subject de vraag stelt en de opdrachten uitdeelt. Daarnaast bevat deze strofe een epifoor op regels 9 en 10. Hetzelfde als bij de eindrijm wordt benadrukt. De bepaler stelt de vragen en geeft de opdrachten en voert daarmee de dialoog.

Derde strofe
In ieder geval lijkt de bepaler toch nog barmhartigheid te kennen. Een andere hand wordt gegeven, die de applicant verzorgen kan. De aanprijzingen voor het product wat aangeboden wordt, worden gedaan. Weer wordt een anafoor gebruikt om een opsomming te benadrukken, in deze strofe op regels 11 en 12. Deze opsomming bevat alle dingen waar de vrouw die aangeboden wordt handig voor is.
De twee versvoeten die in deze strofe fonologisch gezien opvallen, geven zichzelf hier duidelijk aan, maar ook verder in het gedicht. Steeds wanneer het woord it wordt gebruikt kan het ritme van de versregel zo uitgesproken worden dat het een niet inpasbaar woord is binnen die versregel. Dit maakt het belang van het woord it nog voor de handliggender.
De applicant hoeft it alleen maar te trouwen. Ook wordt weer interpunctie gebruikt om de vraag op regel 14 te benadrukken: Will you marry it? Deze vraag wordt nogmaals gesteld op regel 22 en ook de laatste regel (40) bevat deze vraag driemaal. Op regels 13 en 14 is er weer sprake van een epifoor met het woord it, die tevens voorkomt op regels 22, 25, 36 en 40. De vrouw niet eens benoemen als mens, maar enkel als it is hard en zo wordt er kennelijk op haar gereageerd.

Vierde strofe

Ritmisch gezien, komen bij het uitspreken van deze strofe geen opvallende woorden of klemtonen naar boven. Ook bevat het geen rijm. Wel heeft het op regel 20 een soort scheidende streep aan het einde. Qua interpunctie lijkt deze strofe geheel voorzien te zijn. Alleen regel 20, welke een vraag lijkt te zijn heeft geen passende interpunctie. Deze regel bevat namelijk geen vraagteken, wat voor de vragen in dit gedicht wel gebruikelijk is. Het is dus niet afgelopen met deze vraagstelling. Dat blijkt ook, regel 19 en 20 zijn namelijk het begin van de vergelijking die hieronder beschreven is, in de bespreking van de vijfde strofe.
Deze strofe lijkt verder weinig om de hand te hebben. Regel 16,17 en 18 vormen een tijdelijk einde van de aanprijzing van het product. Je ogen zullen gesloten worden aan je einde en er zal om je gerouwd worden. Vele tranen zijn op voorraad, zoals in regel 18 wordt aangeven. Iets waar een vrouw goed in is, het laten van tranen. Het product (it) is de oplossing voor alles.

Vijfde strofe
Deze strofe is fonologisch te interpreteren, zodat het al eerder genoemde woord it weer benadrukt wordt. Uitzondering is regel 25, deze is ook te interpreteren zodat het woord it wel fonologisch opvalt. Hier heb ik echter bewust niet voor gekozen. Het woord it wordt namelijk 16 keer gebruikt. En ik ben in de overtuiging dat het hier een ander soort iets betreft waarnaar wordt gerefereerd met het woord it. De vergelijking die gemaakt kan worden tussen de twee dingen waarna it hier en verder in het gedicht naar verwijst, lijkt mij de volgende. De it hier betreft het pak dat wordt aangeboden in regel 20 en de verdere it’s in dit gedicht lijken mij te gaan over de aangeboden vrouw om mee te trouwen. Het aanschaffen van een pak wordt vergeleken met het nemen van een vrouw.
Deze strofe bevat een gepaard vol eindrijm, op regels 21 t/m 24. Regel 22 is binnen de vergelijking van het pak, hetgeen wat de vergelijking met de vrouw trouwen aangeeft. Een pak trouw je niet, een vrouw verkoop je niet.
Het woord proof komt driemaal voor en het ritme is zo interpreteerbaar dat dit woord geen enkel keer binnen een ritme past. De herhaling van het woord maakt ook dat het opvalt. De vergelijking met het pak doortrekkend (aangezien het hier nog over de vergelijking met het aanschaffen van een pak lijkt te gaan), oogt dit woord als de onweerbarstigheid die verwacht mag worden van een vrouw. Zonder problemen zal zij als slaaf voor haar man zijn.

Zesde strofe
Dit is een rustige strofe, zo lijkt bij het uitspreken, op een enkele uitzondering na, namelijk that op regel 29. De interpunctie in deze strofe bevestigt het aanspreken wat in deze strofe gebeurt. Het lyrisch subject geeft tenminste duidelijk een dialoog weer op deze manier.
Op regels 27 en 29 is sprake van een epifoor. Deze strofe bevat geen rijm.
Deze strofe bevat twee hypogrammen. Op regel 28 is een hypogram te vinden. Het is een zegswijze om voor een angsthaas, om uit de kast te komen. Het product wordt geroepen. Verstopt in de kast geeft het beeld van een heel lief, klein, onschuldig, angstig sweetie. De bepaler prijst sweetie verder aan. Dit is tevens een apostrof naar een derde, stille, zwijgende in het verhaal.
Als de applicant er sweetie de tijd voor geeft wordt deze geweldig. Regel 30 lijkt door een hypogram verbonden te zijn met regels 31 en 32 van de volgende strofe. Regel 30 is daarbij niet zo duidelijk, maar bij 31 en 32 is heel automatisch, de tred tussen een zilveren en gouden huwelijk te bevatten. Het papieren huwelijk is respectievelijk het eenjarig huwelijk, het zilveren huwelijk het vijfentwintigjarig huwelijk en het gouden huwelijk het vijftigjarig huwelijk. Deze getallen worden ook gebruikt op deze regels wat de hypogram een vrij zekere maakt.

Zevende strofe
In de zevende strofe wordt eigenlijk voor het eerst aangegeven dat het om een vrouw gaat. Sweetie, lijkt vrouwelijk, maar dat is niet uitsluitend. In regel 31 wordt aangegeven dat het een “ze” is. En vervolgens worden er ook vrouwelijke eigenschappen aan toegekend. De standaard opmerking, op regel 35, ze kan praten, en of ze dat kan, zoals altijd over vrouwen gesteld wordt. De woordherhaling van die eigenschap benadrukt de vrouwelijkheid die hier aangeprezen wordt.
De she die vernoemd wordt in regel 31 is opmerkelijk. Het huwelijk waar deze she naar verwijst, wordt volledig toegeschreven aan de vrouw en hoe goed deze wordt met de jaren. Het werk voor het huwelijk is volledig voor de vrouw, niet voor de man die haar trouwt.
Fonologisch gezien zijn in deze strofe vier opvallende woorden te vinden. De she zoals hierboven besproken. En op regels 34 en 35 bevinden zich weer het woord it en tevens op regel 35 wordt het woord talk drie keer achter elkaar herhaald.
Een vol eindrijm is te vinden op regels 33 en 34.
Op regels 34 en 35 is sprake van een anafoor. De verbinding van deze versregels wordt tevens bevestigd door de interpunctie. Er is weer sprake van een opsomming van diensten die de vrouw voor de man zou kunnen betekenen in het huwelijk. Het doel van de vrouw binnen het huwelijk, als dienstbaar zijn voor haar man, wordt extra benadrukt hiermee.

Achtste strofe

Misschien omdat dit de laatste strofe is, bevat deze strofe ook fonologisch gezien de meeste onregelmatigheden. In deze strofe is zevenmaal een onregelmatigheid te vinden bij het uitspreken van deze zin. Alle vinden zij plaat bij het woord it.
Ook is in deze strofe sprake van een synonymisch parallellisme. De regels 37 en 38 hebben dezelfde zinsverloop en ook bijna alle woorden in deze zinnen zijn gelijk. In regel 37 wordt van een gat gezegd dat de it er een poultice voor is, terwijl een poultice een mengsel is dat op de plek van lichamelijke pijn of zwellingen werd gelegd. Dit is iets ouderwets, het is namelijk uit de 14e eeuw. In regel 38 wordt gezegd van een oog, iets waarmee men kijkt, dat de it daar een afbeelding voor is.
Het synonymisch parallellisme op regel 37 en 38, lijkt een soort aanprijzing te zijn van it. Het is wat je wil dat het is of het is iets inpasbaar voor alle situaties. De oplossing voor alle gebreken.
De applicant wordt aangegeven als My boy op regel 39, aangezien deze het hele gedicht lang de aangesprokene is. En deze kan het beste it trouwen. De herhaling op de laatste regel, maakt een soort smeekbede. Het is kennelijk erg graag dat de bepaler van de it af wil, haar kwijt wil en haar dus getrouwd wil hebben.

4. Het Lyrisch Subject

Mijn interpretatie is nog niet volledig zonder een bespreking van het lyrisch subject. In het bovenstaande ben ik er van uitgegaan dat de applicant, de jongen is die gevraagd wordt it te trouwen. Maar eigenlijk is it degene die aangeboden wordt en dus ook een applicant. In het boek van Wagner (zie bronnen 5) wordt dit verwoord:

…In “Applicant”, the woman appears to be applying for the job of marrying some man, any man… (p.111)

Op dezelfde pagina is het verhoor aan het begin van het gedicht door de bepaler niet voor de man, maar voor de applicant, wat hier de aangeboden vrouw is.

Het lijdend subject is natuurlijk niet automatisch het lyrisch subject, en vice versa. Als monologische taalsituatie is een gedicht uitstekend geschikt en ook een goede standaard voor het uitdrukken van het lijden van een subject. Als er een lijdend subject in een gedicht voor komt hoeft dit echter niet automatisch het lyrisch subject te zijn. De vrouw lijkt geheel niet aan het woord te komen, indien de lijn van het gedicht gevolgd wordt en de applicant de man is die de diensten van de vrouw krijgt aangeboden.
De bepaler is in ieder geval degene die deze taalsituatie lijkt te beheersen. Als de man als applicant niet ondervraagd wordt aan het begin, maar it, dan lijkt er een ellipsis* te moeten zijn. Het moment van haar aanbieding is namelijk in het gedicht direct volgend in haar ondervraging, zonder dat er een besluit van aanbieding te zien is.

Ikzelf ben van mening dat het lijdend subject deze situatie ziet gebeuren, een afhankelijke onderdanige rol speelt in het geheel, en de ondervraging van de man op afstand ziet, vanuit de kast totdat zij geroepen wordt.
Dan is het lijdend subject wel het lyrisch subject dat zelf geen kans ziet om de situatie te beïnvloeden. De aanbieding wordt voor haar gedaan, namens haar en aan een willekeurige wanhopige man, die bediening krijgt aangeboden. Ze is dus wel de applicant maar niet de bepaler van de taalsituatie. Het lyrisch subject is enkel een lijdend voorwerp (it).

* Het begrip ellipsis is hier gebruikt met de definitie vanuit Narratology (zie bronnen 3) en is hier te hanteren op deze wijze, doordat hier gekeken wordt naar de inhoudelijke vorm van het gedicht. Het lijkt een niet onderbroken dialoog te vormen, waarin de man dus als applicant gezien kan worden.

6. Bronnen
1. College Aantekeningen Tekstanalyse 2005-2006 & 2006-2007
2. Encarta World English Dictionary, Bloomsbury, London 1999.
3. Narratology, Mieke Bal, University of Toronto Press, Canada, 2004.
4. Op Poëtische Wijze, Ernst van Alphen, Coutinho b.v., Busssum 1996.
5. Sylvia Plath A literary Life, Wagner-Martin, Palgrave Macmillan, New York 2003.
6. The Journals of Sylvia Plath 1950-1962, Faber and Faber Limited, U.K. 2000.
7. The New Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics, Princeton University Press, New Jersey, 1993.

Boekrecensies · Literatuurwetenschap

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: