Sharon Hagenbeek is Watching You!

What is an Author? – Michel Foucault

door

Deze tekst is een open vraag naar de auteur. Bij het gebruik van de naam van de auteur is er sprake van een ambigue functie van die naam. Twee voor de handliggende objecties wanneer wij nadenken over het begrip auteur: 1. goede omschrijving van auteur en/of zijn werk; inadequaat gebruik van de auteur in termen van de totaliteit van zijn denken. 2. Een rijtje maken waar de auteurs een soort familie vormen. Dit is gerechtvaardigd door het niet hebben van de intentie ze te beschrijven of hun werk te reproduceren of samen te voegen. Maar waarom ze dan nog vermelden?

De vraag naar de auteur behoeft meer direct respons. Er wordt uitgegaan van een zwakke verbinding en secundaire positie van de auteur, terwijl deze een fundamentele rol heeft.
Hij kijkt niet naar de sociale context/vorming van de auteur e.d., maar alleen naar de unieke relatie tussen een auteur en een tekst, de manier waarop een tekst ogenschijnlijk wijst naar een figuur welke buiten de tekst is en welke vooraf gaat aan de tekst.
Beckett geeft richting: ‘what matter who’s speaking, someone said, what matter who’s speaking’. Dit geeft één van de meest fundamentele ethische principes van contemporain schrijven aan. Het is de manier waarop we schrijven en spreken, maar het is een immantente regel, eindeloos aangenomen en nooit volledig gebruikt. Het domineert schrijven als een voortdurende praktijk en beweegt onze aandacht naar het eindproduct.
Ter illustratie: hedendaags schrijven probeert los te komen van ‘expressie’ en een taalspel an-sich te zijn, waarbij het niet meer gaat om de betekenis maar de betekenaar. Het taalspel verlaat zijn eigen regels, het subject moet zijn expressie niet meer tonen in de taal, maar het zoekt de verdwijning van het schrijvende subject. Ook is er een duidelijke verbinding tussen schrijven en de dood. Dit is al vanaf de Grieken zo, waar de onsterfelijkheid van de held gegarandeerd wordt in ruil voor zijn vroegtijdige dood. Arabische verhalen hadden deze strategie, de vertellers, vertelden tot laat in de nacht, totdat het moment dat iedereen stil moest worden niet langer kon uitblijven.
Op eenzelfde manier gebruikt onze cultuur deze verbinding met dood. Schrijven is nu opoffering geworden. De schrijver maakt dit dagelijks mee in zijn leven en dit hoeft niet gerepresenteerd te worden in boeken. Een werk heeft nu niet meer de taak om onsterfelijkheid te bieden, maar om de auteur te vermoorden. De quibbeling en confrontatie die de auteur genereert tussen zichzelf en de tekst heft het signaal van zijn particuliere individualiteit op. We kennen de auteur alleen nog door zijn afwezigheid en zijn link met de dood, wat hem tot een slachtoffer van zijn eigen schrijven heeft gemaakt. De gevolgen van de dood van de auteur zijn nog niet volledig onderzocht, alsook dat het belang ervan nog niet goed gewaardeerd is.
De thema’s bedoelt om de positie van de auteur te vervangen zijn enkel bedoeld om elke echte verandering tegen te houden. Hier een kijk naar 2 van deze thema’s welke belangrijk lijken.
1. Kritiek heeft niet als doel zich te focussen op de auteur, maar op het werk. Maar wat van een werk dat vraagt naar het concept van een werk? Wat is dan hetgeen dat wordt aangegeven met een ‘werk’? Wat is er nodig voor een werk als het niet een persoon is genaamd de auteur?
Met andere woorden: als een individu niet de auteur is, wat is dan het werk (wat hij gezegd of geschreven heeft)? Wat is het werk als hij nog niet gepubliceerd is?
2. Als we uit gaan van een auteur, wat valt dan allemaal onder het werk? Alles? Dat levert in ieder geval een theoretisch en praktisch probleem op, want waar is de grens?
Met andere woorden: we missen een theorie die met deze vragen kan omgaan. Daar hebben mensen die het complete werk van een auteur publiceren ook last van, zij missen het framework van die theorie.

Maar er komen meer vragen naar boven bij dit probleem? Wat is een werk? Is een biografie een werk?
Door de focus op het werk te leggen, faalt men in het waarderen van het even problematische begrip van ‘werk’ en de eenheid die het aanwijst.

De notitie van écriture (Derrida) is de manier waarop we niet geconfronteerd worden met het specifieke moment dat mogelijk maakt dat de auteur verdwijnt. De act van schrijven heeft iets natuurlijks/iets verhevens. De auteur laat wat na, na zijn dood. De historische en transcendentale traditie zet het werk voort. Nietzsche: ‘God and man died a common death’. We moeten kijken naar die lege ruimte die overblijft! Vraag wordt dan: wat is de naam van een auteur en hoe functioneert deze? De naam van een auteur heeft net als alle andere taal ook problemen met de vraagstukken rond preformativiteit. Het is tenslotte meer dan met de vinger wijzen naar iemand en dat is ook niet eens de enige functie. Wanneer er een andere auteur een boek geschreven blijkt te hebben, veranderd niet de betekenis van de juiste naam of de auteursnaam. Deze begeven zich tussen de polen van description en designation. Zelfs als ze gelinkt zijn aan dat waarnaar ze verwijzen, zijn ze nog niet gedetermineerd door deze functies. En hier zit hem wel de problematiek rond de naam van de auteur. De link tussen de juiste naam en het individu dat genoemd wordt en de link tussen de auteursnaam en dat wat het noemt zijn niet hetzelfde. Het individu kan van plaats verhuizen, maar de auteur kan niet van bezigheden veranderen. Er zijn nog veel meer factoren aan deze paradoxale naam van de auteur.
De aanwezigheid van de auteursnaam is functioneel: het is een manier om te classificeren. De teksten die in zo’n groep hebben hebben relaties met de volgende eigenschappen: homogeniteit, filiation, reciprocal explanation, authentication, or of common utilization.
Ook geeft de auteurnaam karakter aan een specifieke manier van het bestaan van discourse. De status en de manier waarop het ontvangen wordt, worden gereguleerd door de cultuur waarin zij zich bevindt.
De auteursnaam blijft dichter bij de tekst, dan de juiste naam bij de persoon. De auteursnaam scheidt de teksten, bepaald hun vorm en karakteriseert de manier waarop ze bestaan.
De auteursnaam is niet de sociale status van een individu, maar is ook niet fictioneel. De functie van de auteursnaam is dus het karakteriseren, het circuleren en de manier van werken van bepaalde discoursen binnen een gemeenschap.

De auteur als functie van de discours, dan moeten we kijken naar de karakteristieken van de discours. Alleen gekeken naar dingen met auteurs (dus niet de reclameposter) dan zijn er verschillende features:
1. ze zijn een soort bezit. Eerst was discours niet een origineel bezit of product. Met de het komen van copyrights zijn de transgressieve eigenschappen altijd intrinsiek aan de daad van het schrijven, een dwingend imperatief van literatuur geworden. De auteur is als eigendom van de gemeenschap gaan compenseren door transgressief systeem de literatuur in te doen herleven en door het gevaar van schrijven te gaan herstellen, wat eerst een voordeel was van schrijven.
2. De auteursfunctie is niet universeel of constant in alle discoursen. Eerst hadden de teksten niet eens perse een auteur nodig. De leeftijd van de tekst leverde de authenticiteit aan. Wetenschappelijke teksten waren in de middeleeuwen alleen geldig als de auteurnaam bekend was. Dat was autoriteitsmiddel bij quoten. Na de middeleeuwen deed de auteursnaam niet meer af aan het waarheidsgehalte, maar aan de hand van hun eigen verdiensten. In dezelfde tijd, diende de literaire discours wel voorzien te zijn van een auteursnaam en een auteur. Nu is het literaire werk gedomineerd door de soevereiniteit van de auteur. Een auteur van een wetenschappelijke tekst is nu alleen nog een handige referentie, waar de tijd van het onderzoek veel belangrijker is.
3. De auteursfunctie is niet spontaan gevormd bij het toevoegen aan een discours aan een persoon. De auteur heeft bepaalde eigenschappen die passen bij het soort werk dat hij aflevert. De heiligheid van de auteur wordt in elkaar geflanseld. De naam alleen is niet genoeg als individueel eigen markering. P.128 Saint Jerome over de 4 manieren om de echte auteur aan te wijzen, die lijken op vandaag de dag. De auteur verklaart bepaalde elementen in de tekst. De auteur neutraliseert contradicties tussen de verschillende teksten met zijn leven. Dit idee wordt gecontroleerd door het geloof dat de auteurs bewuste en onbewuste ideeën verwerkt zitten in de tekst. De auteur is de expressie. We leven nog steeds middels Saint
4. Er zijn altijd wel elementen die naar de auteur verwijzen, bepaalde manier (grammaticaal enzo) van schrijven. Belangrijk is om hierbij op te merken dat deze elementen een andere bearing op de teksten met en zonder een auteur. In de laatste refereren deze ‘shifters’ naar een echte spreker en een actuele aanwijzende situatie, met zekere verwachtingen zoals in het geval van indirecte rede in de eerste persoon. Wanneer gelinked aan een auteur zijn de ‘shifters’ meer complex en variabel. Een personage wordt een ‘tweede zelf’. Het zou fout zijn om de auteur in relatie tot de echte schrijver te zoeken als tot de fictionele narrator. De auteursfunctie bestaat tussen beide. Dit is niet alleen bij literatuur zo, elke wetenschappelijke tekst kent dezelfde unieke ‘shifters’.
5. Meerdere zijn nog mogelijk, maar hierbij gelaten. Opsomming: auteursfunctie is verbonden met het rechtssysteem; het opereert niet in uniforme manier in elke discours; het is niet de spontane toevoeging van een bepaalde tekst aan de maker; het refereert niet naar een individu in zoverre het niet ook gelijk dat niet gelijk andere individuen ook gemarkeerd worden.

Auteur is in staat maker te zijn van een traditie of een theorie bijvoorbeeld, deze bezitten een ‘transdiscursive position’. De 19e eeuwse auteurs zijn niet te verwarren met ‘grote’ auteurs en we kunnen ze (Marx, Freud bijvoorbeeld) noemen: ‘initiators of discursive practices’. Zij geven de mogelijkheid om regels en formaties van andere teksten te bekijken, zij hebben eindeloze mogelijkheden gecreëerd.
Een auteur van een novel kan ook groot belang hebben, als hij betekenis krijgt. Een auteur die een genre introduceert heeft een functie die voorbij gaat aan alleen haar werk, maar daarbij heeft deze de periode nog niet gecreëerd. Maar de maker van een theorie, is nog niet de maker van dat organisme waar die wetenschap omdraait. Dus wetenschap en literatuur zijn niet gelijk!

Het initiëren van een van een discursieve praktijk is hetrogeen tot zijn verdere transformaties. Het funderen van een wetenschap overschaduwt en is direct gescheiden van toekomstige ontwikkelingen en transformaties. The founding van een wetenschap is altijd ge rechanneled.
Bij een discursieve praktijk moet men terug naar de oorsprong, bij wetenschap is dat rediscoveries, of reactivations. De laatst is het geschiedenisboek wat helpt ideeën weer te gebruiken, het eerste is het vergetene dat weer boven komt.
Terugkeren is karakteristiek aan het initiëren van een discursieve praktijk, omdat het een basis weg laten van iets is. Iets aangeven is iets weglaten. De barrière van de discours, het is van binnenuit, niet van buitenaf. Dus terugkeren van alleen binnenuit, men is immers nooit buiten de discours gegaan. Het terugkeren is een effectieve en noodzakelijke manier van het transformeren van de discursieve praktijk.
Een laatste kenmerk van deze terugkeringen is dat zijn de enigmatische link tussen de auteur en zijn werk versterken. Ons terugkeren is geconditioneerd door onze kennis van die link. Het is tevens de link tussen belangrijke en minder belangrijke auteurs. Dit is niet hetzelfde als dat wat een tekst linkt met de directe auteur.

Hij geeft geen antwoorden, er moet verder gewerkt worden met dit stuk om een typologie van discoursen te maken. Het subject moeten we herstellen, niet om diens creativiteit en makende kracht weer te geven, maar om weer te geven in hoeverre het systeem afhankelijk is van het subject en welke rol een subject kan spelen in het systeem. De auteur is één van de specifieke subjecten!

Filosofie · Literatuurwetenschap · Samenvattingen

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: