Sharon Hagenbeek is Watching You!

De opvattingen van techniek en diens vooruitgang – J.H.J. van der Pot

4 februari 2007 door Sharon Hagenbeek

Van der Pot[1] onderscheidt vier soorten opvattingen en beschouwingswijze van de techniek en diens vooruitgang, te weten: fatalistische opvattingen, techniek-optimistische opvatting, appelerende beschouwingen en de instrumentele opvatting van de techniek.

De fatalistische opvattingen

Binnen deze opvattingen heerst het idee dat de beheersing van de technische vooruitgang niet mogelijk is. Van der Pot onderscheidt twee fatalistische opvattingen, te weten de cultuurdeterministische en de techniekdeterministische.

De eerste beschouwt de ontwikkeling van de techniek als een deelproces van het ontstaan, de bloei en het verval van beschavingen. De mens heeft dit proces in zijn geheel niet onder controle en daarvoor ook niet de techniek als deelproces. Echter deze opvatting gaat uit van afgebakende delen van de geschiedenis. Deze delen zijn niet zo eenduidig te benoemen, want als deze delen al te benoemen zijn kennen zij vaak ook een gelijdelijke overgang onderling. Tevens is de moderne techniek ontstaan binnen de westerse beschaving en breidt zij zich uit naar andere beschavingen van vandaag de dag, waarbij het geheel niet zeker is of de westerse beschavingen en die andere beschavingen zullen vergaan.

De techniekdeterministische opvatting behelst het idee dat de moderne techniek zich ontwikkelt via haar eigen wetmatigheid. De techniek is daarmee niet meer beheersbaar door de mens. Deze opvatting wordt onderbouwd met het idee dat het de tijd is voor een bepaalde uitvinding of ontdekking. Dit is ook een verklaring voor fenomenen als dubbele of driedubbele uitvindingen of ontdekkingen. Hiermee zijn de natuurwetenschappelijke en technologische onderzoekers niet meer verantwoordelijk voor de gevolgen van hun onderzoek. Het bezwaar dat tegen deze opvatting gemaakt wordt is de volgende. Ongeacht de unieke invloed van de uitvinder/ontdekker, het is nog steeds niet zo dat de techniek onbeïnvloedbaar en autonoom is. De techniek is wel degelijk afhankelijk van de economie van de beschaving waarbinnen deze ontwikkelt wordt.

De techniek-optimistische opvatting

De techniek wordt binnen deze opvatting gezien als een zelfherstellend systeem. Alle negatieve gevolgen van de technische vooruitgang zijn tijdelijke. Het systeem zal in verdere ontwikkelingen deze problemen verhelpen. Tegen deze opvatting zijn verscheiden bezwaren te maken. Zo is het een onwetenschappelijke opvatting. De opvatting bouwt op nog niet uitgevonden uitvindingen en nog niet ontdekte ontdekkingen.

Tevens kan de vraag stelt worden dat als de huidige techniek negatieve gevolgen heeft, waarom de toekomstige techniek niet nog grotere negatieve gevolgen heeft.

Ook is weer de verantwoordelijkheid van de leidinggevende van de industrialisatie geen verantwoordelijkheid meer.

De appelerende beschouwingen

Dit bevat de zienswijze dat enkel morele en politieke inspanning beheersing van de technische vooruitgang nog mogelijk is. Deze beschouwingen zijn niet fatalistisch en ook niet naïef optimistisch, maar ze voorzien enkel in een waarschuwing (een appel). De samenleving heeft de ontwikkeling van de moderne techniek niet kunnen bijhouden. We zijn als kinderen ten aanzien van de moderne techniek. Alleen diepgaande morele en/of politiek-sociale veranderingen kunnen ons nog beheersing over de technische vooruitgang geven.

Binnen een appelerende beschouwing is er altijd sprake van tenminste twee elementen, te weten: een theorie over het falen van de beheersing van de moderne techniek en een theorie over de methode om de gewenste beheersing van de moderne techniek te bereiken. Eventueel bevat een appelerende beschouwing nog een derde element. Dit element is een theorie over de methode voor de beheersing over de voortgang van de techniek. Op enkele religeuze appelen na zijn de appelen ethisch of politiek gericht. Indien een appel ethisch is, dan doet deze een oproep tot consumptiebeperking, een besef van verantwoordelijkheid voor de toekomstige generaties of een andere houding tegenover de natuur.

De instrumentele opvatting van de techniek

Binnen deze opvatting wordt het beheersen van de vooruitgang van de techniek niet als probleem beschouwt. De techniek is enkel een middel of instrument waarmee de mens bepaalde doeleinden kan bereiken. Van der Pot beschouwt deze opvatting als een subthese van een algemene beschouwing van de techniek. De andere vier subthese die hij benoemt zijn de volgende.

1) De zin van de techniek is dat deze ingezet kan worden door de mens voor een bepaald doel. Ten opzichte van dat doel is de techniek zelf neutraal. De techniek is heeft doel- of waardeneutraliteit. Echter zeker voor de industriële revolutie was er een duidelijke zin van de techniek aan te wijzen. Dit was de traditionele visie op de zin van de techniek. Tegenwoordig wordt vaker het doel pas achteraf gezocht. De neutraliteit van de techniek ten opzichte van het doel (vooraf vastgesteld of niet) is dus betwijfelbaar.

2) De eerste subthese heeft als ethische consequentie dat niet alleen het product van, maar ook de arbeid voor de techniek niet te bestempelen als goed of kwaad. Goed of kwaad is het gebruik van het product de techniek. De techniek heeft dus ook een ethische neutraliteit. Voor een bezwaar tegen deze subthese noemt Van der Pot als voorbeeld Friedrick Dessauer. Deze stelt de techniek gelijk met andere culturele eigendommen als het recht. Ook het recht kan voor goed of kwaad gebruikt worden. Het recht wordt ook niet als ethisch neutraal gezien om die reden. Daarnaast geeft hij met een duidelijk voorbeeld (technisch personeel van het Naziregime) aan dat de technische arbeiders ook niet zijn vrij gewaard van ethische verantwoordelijkheid.

3) Deze subthese is de cultuurfilosofische opvatting van de techniek. De techniek is in deze opvatting slechts een middel en zodoende geen hoge cultuur. De techniek kent alleen waarde als middel. Ook bij deze subthese verwijst Van der Pot naar Dessauer voor een bezwaar. Dessauer stelt dat wel voor een specifiek stuk techniek geldt dat het enkel een middel is, maar dat de techniek in zijn totaliteit wel degelijk deel uitmaakt van cultuur als autonoom cultuurgebied met een zelfstandige functie binnen de cultuur.

4) De techniek is onschuldig. De techniek zelf heeft geen gevolgen. Enkel het gebruik van de techniek. De aanleiding voor deze formulering is vaak een juiste constatering. Paul Tillich wordt aangehaald door Van der Pot. Tillich wijst namelijk erop dat de techniek de macht der verleiding bezit. Daarin ligt besloten dat de techniek niet zonder gevolgen is en dus ook niet onschuldig is. De techniek heeft alleen al met de mogelijkheid tot verleiding invloed op de mens.

Met deze subthese voorafgaand aan de eerste subthese (de techniek is enkel een middel of instrument waarmee de mens bepaalde doeleinden kan bereiken), is deze opvatting niet meer houdbaar. De moderne techniek bepaalt en is een macht in ons leven.


[1] De beheersing van de technische vooruitgang, Wijsgerig Perspectief 22 (1981/2) p.30-35

Share Share

Filosofie · Literatuurwetenschap · Samenvattingen

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer