Portret van een schrijver en zijn werk in de literaire traditie.
Dertig jaar geleden, in 1979, verscheen het opmerkelijke boek Opwaaiende Zomerjurken. Het werd al snel een daverend succes en beleefde tot op de dag van vandaag herdruk op herdruk. In dit jubileumjaar is nu een speciale editie uitgekomen met foto’s van de auteur van het boek, Oek de Jong en een door hem geschreven verhaal over het ontstaan van het boek. Tijd om met de schrijver terug te blikken op de ideeën en betekenissen van toen.
Opwaaiende Zomerjurken werd bijzonder goed ontvangen, buiten alle verwachtingen van ook de destijds debuterende De Jong om: ‘Toen ik het inleverde had ik het gevoel dat er maar een paar duizend lezers voor zouden zijn. Ik geneerde me er ook lichtelijk voor. Het was dan ook een grote verrassing dat er in een jaar meer dan honderdduizend exemplaren werden verkocht. Tegenwoordig gebeurt dat wel vaker, maar in die tijd niet. Zeker niet bij een romandebuut, en al helemaal niet bij een jonge auteur.’ Het succes verbaasde hem maar het intrigeerde hem ook, tot lang na de hype. ‘Het eigenaardige is dat ik zelf tijdens het schrijven dacht dat ik een blik gaf in een karakter dat misschien wel aan borderline grensde, maar dat tegelijkertijd ook een heel ingewikkeld karakter was. Daarom beschouwde ik het als iets particuliers, iets intiems van dat personage, Edo Mesch. Dan is het verbazingwekkend om te merken dat zoveel lezers zoveel herkenden in dat ene personage. Er moet dus een reële substantie inzitten, anders was het alleen maar een hype gebleven, terwijl het nu nog steeds veel gelezen wordt. Zonder me daar van bewust te zijn ben ik, door iets particuliers op te schrijven, met Edo Mesch op iets heel universeels uitgekomen.’ Dat universele wat in het boek zit, is volgens De Jong het collectieve onderbewustzijn: ‘Ik denk dat er sprake is van een persoonlijk onderbewuste en een collectief onderbewuste. Die categorieën onderscheidt Carl Gustav Jung. Volgens hem hebben we allemaal een onderbewuste, maar delen we ook een ander onderbewuste, het collectieve, waarin dezelfde symbolen en archetypen fungeren. Dat zie je aan de hoofdpersoon van Opwaaiende Zomerjurken.’ Hoezeer het boek uitdrukking geeft aan iets dat iedereen ervaart, is niet wat de zeventwintigjarige De Jong destijds verwachte: ‘De grote verrassing destijds was voor mij dat zoveel mensen dat het leven ook zo zien: de gekkigheid die in je hoofd ronddoolt is er kennelijk bij iedereen. Er is een onderbewustzijn en ons bewustzijn is slechts het topje van de ijsberg van onze hele persoonlijkheid. Aan de oppervlakte is tien of twintig procent bewustzijn, maar daaronder zit alles wat onbewust is. Dat is het grootste deel van de mens. Met het ouder worden raak ik daar steeds meer van overtuigd. Het is ook een kwestie van ervaring – je wordt door zoveel dingen gestuurd die je niet kent.’
Wat Oek de Jong wel bewust probeerde, was om in Opwaaiende Zomerjurken een betekenisloze tijdsgeest te creëren: ‘Het speelt zich onmiskenbaar af in de jaren vijftig en zestig, en ik probeer ook wel degelijk een tijdsbeeld te geven in deze roman. Maar in het algemeen probeer ik alles wat alleen maar tijdgeest is en tijdgebonden en dus oppervlakkig uit mijn romans te houden. In die roman is de tijdsgeest iets oppervlakkigs. Ik heb het ook niet in een bepaalde periode willen plaatsen.’ Dat streven naar de tijdeloosheid van het verhaal heeft hij ook in zijn latere werk behouden: ‘Dat doe ik nog steeds. Alles wat een verhaal snel gedateerd maakt, dus alles wat een generatie later niemand meer weet, probeer ik weg te laten.’
Maar je kunt je als auteur natuurlijk nooit geheel aan je eigen tijd onttrekken. ‘Elk boek hoort nu eenmaal bij een bepaalde tijd. Elke schrijver is een kind van zijn tijd.’ Als bewuste schrijver zag De Jong zich daarom gedwongen om wat natuurlijker en oppervlakkiger met de tijdgeest om te gaan. Hij ging op zoek naar voorbeelden en vond die ook dit keer bij zijn literaire helden: ‘Mijn drie goden in het pantheon zijn Stendhal, Proust en Tolstoj. Dat zijn drie grote romanschrijvers met wie ik me al jaren bezighoudt.’ Bij hen vond hij dus ook het tijdloze karakter van de literatuur op unieke wijze. Dat is ook niet zo raar. Zo staat Stendhal (pseudoniem van de Franse schrijver Marie-Henri Beyle die leefde eind 18e en begin 19e eeuw) nog bekend zijn realisme waarin hij elke vorm van literaire bladvulling tegen probeerde te gaan. Zijn romans zijn autobiografisch en realistisch in die zin dat ze op waarheid gebaseerd zijn. Tegelijkertijd streeft hij een tijdloos beeld na doordat hij zijn werk wil ontdoen van overbodige feiten, versieringen of welke overbodige opsmuk dan ook. Marcel Proust heeft juist weer een heel ander perspectief op de tijd. Voor hem is het een persoonlijke ervaring die we ondergaan. In zijn werk is er sprake van een constante poging zich te onttrekken aan de tijd. Hij wil er van loskomen in de schoonheid van zijn werk. Alles staat bij hem in dienst van deze vlucht.
Met hen en met Ljev Tolstoj doet De Jong afstand van het louter engagerende karakter van de literatuur, voor hem is dat tijdsverspilling. ‘Om een voorbeeld te geven: Anna Karenina van Tolstoj is een boek van duizend bladzijden dat nog steeds heel fris leest en oogt, een prachtige roman. Maar de enige pagina’s die je zou willen overslaan, zijn die waarop wordt gediscussieerd over landbouwhervormingen. Wij lachen daar nu misschien om, terwijl het in die tijd, in het grote Rusland een gigantisch belangrijke thematiek was, omdat de lijfeigenen geen grond hadden. De hele samenleving zat op slot, omdat er een herverdeling van de grond moest plaatsvinden. Een andere inrichting van de samenleving werd gezocht. Die zoektocht heeft tientallen jaren gespeeld in Rusland. Tolstoj verwerkt die belangrijke thematiek in zijn verhaal. Nu is dat onderwerp verouderd. Die verjaring probeer ik tegen te gaan.’ De Jong probeert het lot te vermijden dat veel verhalen wacht. Hij ziet genoeg verhalen die uiteindelijk verloren gaan door hun tijdelijke aard: ‘Er zijn honderden, duizenden romans geschreven die zich met bepaalde maatschappelijke problematiek bezighielden, maar die zijn nu eigenlijk allemaal verouderd. Ze verdwijnen gewoon.’ Die tijdsgebonden verhalen zijn engagerend bedoeld, terwijl de literatuur volgens De Jong die rol niet meer hoeft te vervullen.
Volgens de traditionele interpretatie behoort het engagement hoort bij het realisme. Tot de opkomst van het realisme, in de negentiende eeuw, was het onmogelijk om het dagelijks leven in romans onder woorden te brengen. ‘Dat was banaal, zoiets kon niet. Een bediende of een molenaar kon je alleen maar in je roman zetten als een komisch personage, zo iemand was grappig of raar. Toen dat in de negentiende eeuw veranderde en het realisme ontstond was dat een evolutie. Wat lange tijd in de samenleving door conventies onzichtbaar was geweest, kwam nu aan het licht.’
De Jong maakt nadrukkelijk een onderscheid tussen het werk van een auteur en zijn maatschappelijke engagement. Hij wijst er op dat de functie van de literatuur ook veranderd is. In de negentiende eeuw moesten romans een engagerend karakter hebben: ‘Toen was er nog geen voortreffelijke journalistiek. Romanschrijvers konden daardoor echt nog zaken aan de orde stellen.’ Dat is nu wel anders: ‘In Nederland en de rest van West-Europa hebben we nu dankzij de kranten een fantastische journalistiek. We hebben hier commentatoren die de dagelijkse gang van zaken voortreffelijk beoordelen, dus een schrijver hoeft dat niet meer te doen. En dan hebben we het nog niet eens over de televisie gehad. Een groot deel van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van romanschrijvers is er nog wel, maar deze is overgenomen door media.’
De Jong is dus wel klaar met het engagerende karakter van de literatuur. ‘Engagement of niet, is een non-discussie. Elke schrijver is in feite geëngageerd: met het leven, met het bestaan, met de geschiedenis, met individuele lotgevallen. Dat is het ware engagement van de romanschrijver.’ Daarmee is niets verloren, want ondanks dat de literatuur geen maatschappelijke verantwoordelijkheid meer draagt is zij volgens De Jong niet armer, maar juist vrijer geworden: ‘De evolutie van de roman sinds de negentiende eeuw zit in de psychologie, in wat je aan erotiek en seksualiteit kan beschrijven.’ Deze ontwikkeling heeft hij persoonlijk meegemaakt, ook in zijn eigen werk. ‘Wat ik in mijn laatste boek Hokwerda’s kind heb gedaan was vijftig jaar geleden onmogelijk. Geen enkele schrijver kon zich dat permitteren, omdat de conventies in de samenleving dat onmogelijk maakten. Na de seksuele revolutie in de jaren zestig is de wereld van erotiek en seksualiteit voor schrijvers beschikbaar geworden.’ Ter vergelijking geeft hij ook een voorbeeld uit de literaire geschiedenis: ‘Bij Couperus lees je dat twee mensen gaan trouwen, op huwelijks reis gaan en twee weken later terugkomen. In de tussentijd is er iets totaal kapot gegaan tussen de twee echtelieden. Voor de lezer is het raden geblazen naar wat er gebeurd is. Je kunt het wel voelen, in bed moet er iets gebeurd zijn waardoor een contactstoornis tussen hen heeft plaatsgevonden, maar Couperus kon dat niet uitschrijven. Wij kunnen nu het hele intieme leven van mensen beschrijven en exploreren. Dat is echt nieuw vanaf de jaren zestig. Een romanschrijver kan op het ogenblik bijna alles, er zijn nauwelijks grenzen meer.’
De hedendaagse ontwikkelingen betekenen wel dat er geen taboegebieden zijn, maar nog steeds zijn er beperkingen, tenzij je de literaire traditie als verwaarloosbaar of onbelangrijk beschouwd. De tijd sinds Opwaaiende Zomerjurken heeft daar voor Oek de Jong niets aan veranderd. De literaire traditie is voor hem even belangrijk als toen: hij koestert de traditie. Dat blijkt terwijl hij spreekt over een van de thema’s van nu: de erotiek. ‘Ik maak altijd een studie van voorgangers, dit thema betekende dan ook een studie over de erotiek in de letteren. Gerard Reve, Jan Wolkers en wederom Marcel Proust zijn voor mij voorbeelden wat erotiek betreft.’ Voor De Jong staan ze thematisch op eenzame hoogte, want in zijn eigen generatie vindt hij weinig gelijken: ‘Van mijn tijd zijn er wel heel veel schrijvers die het gebruiken in hun werk, maar de meeste verweven dat niet op een interessante wijze met het verhaal. Ik vind Reve eigenlijk de enige, hij heeft een heel eigen universum gecreëerd waarin hij de religie, sadomasochistische, erotiek, homoseksualiteit en nog een aantal elementen met elkaar verweeft. Daarom vind ik bij hem de erotiek op een intrigerende manier aanwezig. Het zit helemaal in het verhaal en is er op een hele organische en functionele wijze in verwerkt. Dat heb ik ook in mijn werk nagestreefd.’ De Jong ziet zich in zijn werk dus altijd geplaatst binnen een traditie en hij schroomt ook niet om die op elke mogelijke manier te omarmen. Dat heeft hij altijd al gedaan. Zo is in Opwaaiende Zomerjurken niet alleen de invloed van Reve te lezen, maar ook die van andere grootheden als de modernistische James Joyce. Maar de tijd staat niet stil, tradities veranderen en ook Oek de Jong ging verder: ‘Ik ben sindsdien klassieker gaan werken. Na Opwaaiende Zomerjurken ben ik nog een tijd doorgegaan in de modernistische richting van de experimentele roman, maar daarna heb ik eigenlijk een keuze gemaakt voor meer klassieke vormen, zo is het latere Hokwerda’s Kind als een klassieke roman opgebouwd in vijf delen. Ik houd heel erg van de eenvoud.’ Ondanks de verandering bleef zijn heftige inhoud ongewijzigd: ‘Een literatuurwetenschapper attendeerde mij op de tegenstelling van dat heftige verpakt in de klassieke vormen. Dat klopt ook wel, denk ik. Ik ben altijd op zoek naar de intensiteit – dat is voor mij wel een sleutelwoord als het om inhoud gaat.’
Als een zelfbewuste schrijver staat hij niet alleen sinds Opwaaiende Zomerjurken in de literaire traditie, ook nu nog speelt hij ermee. Momenteel is hij bezig weer bezig met een traditioneel gegeven: Momenteel werk ik aan een grote roman, of een cyclus van romans, dat weet ik nog niet precies, in de traditie van de Anton Wachter-cyclus van Simon Vestdijk. Het gaat namelijk over een opgroeiend mens van nul tot achttien jaar en speelt zich af in de jaren vijftig en zestig. Ik probeer in zo’n traditioneel genre vernieuwingen aan te brengen. Dat betekent voor mij dat ik van Anton Wachter bestudeer en dan aan de slag ga. Over het huwelijk van zijn leven hoor je vrijwel niets. Dat heeft echt met die tijd van Vestdijk te maken, hij wist waarschijnlijk niets over het huwelijk van zijn ouders. Ik weet heel veel over het huwelijk van mijn ouders. Ik weet ook hoe kinderen bepaald worden door het huwelijk van hun ouders. Ik laat daarom als vernieuwing heel veel van dat huwelijk zien. Ik denk dat het een nieuw element is in dit genre.’ Dat is dan ook wat we van Oek de Jong kunnen blijven verwachten: na dertig jaar geeft hij ons nog steeds intense en vernieuwende literatuur.
De jubileumeditie van Opwaaiende zomerjurken met herziene tekst, uitklapbare flappen, foto’s uit privéarchief en een omvangrijk autobiografisch essay De roman als oerschreeuw (met herinneringen aan het ontstaan en de verschijning van Opwaaiende zomerjurken), is sinds september 2009 te verkrijgen bij uitgeverij Augustus, prijs 25 euro (ISBN: 9789045702797).
Tevens verschenen bij uitgeverij Augustus is een essaybundel over Opwaaiende zomerjurken. De bundel getiteld Een klievende roman is onder redactie van Jaap Goedegebuure en Oek de Jong, eveneens te verkrijgen per september 2009, prijs 20 euro (ISBN: 9789045702858).

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer