Reader-response beweging is opgekomen in oppositie tegen het New Criticism. Ze vinden dat het resultaat van literatuur zorgt voor het begrijpen van de literatuur. De effecten zijn essentieel voor een accurate beschrijving van betekenis, de betekenis heeft geen effectief bestaan buiten de realisaties in het denken van de lezer. Er heeft een evolutie plaatsgevonden, waarin de objectiviteit van de tekst zelf vernietigd is en de lezer betekenis geeft aan de tekst. Tompkins geeft hier een klein overzicht van die evolutie.
Walker Gibson (1950) gaat ervan uit dat een lezer geleerd moet worden hoe te lezen. Hij is text-centered, de waarde en uniekheid ligt in de tekst, het is echter wel aan de lezer om dat eruit te halen. Hij introduceert een ‘mock reader’, die net als een ‘persona’ voor de formalisten is (de auteur die in de tekst zit, los van de auteur zelf). De lezer dient zich in die rol te manoeuvreren wil deze de betekenis van de tekst kunnen vatten, ‘for the sake of experience’. Deze mock reader staat toe dat de critici de sociale attitude mogen dramatiseren. De ervaring van lezen krijgt wel waarde bij kritiek.
Gerald Prince begint met de parallel tussen de narratee & narrator en de speakers en mock readers. Hij gebruikt dit voor een systeem van classificaties, te weten: de echte lezer (degene die het boek nu leest), de virtuele lezer (de lezer die de auteur in gedachten heeft) en de ideale lezer (degene die de tekst leest en begrijpt). Hij spendeert veel tijd aan het omschrijven van de instrumenten van de exegesis, welke voortkomen uit het concept van de narratee. Zijn systeem positioneert een ‘zero-degree narratee’, welke bepaalde minimale karakteristieken bezit, zoals het kennen van de taal, maar deze bestaat in een soort van cultureel vacuüm los van een waardesysteem dat hem in staat zou stellen om waardeoordelen te maken. Dit is dan weer een referentiepunt voor echte narratee. Zijn uiteindelijke doel is om het grondwerk te leggen voor een typologie van narratieven in welke fictie geclassificeerd wordt niet alleen middels de traditionele onderscheidingen tussen verschillende soorten narrators, maar ook volgens de types narratees tot welke het verhaal zich richt.
Gibson en Prince leveren nog steeds niets nieuws op ten opzichte van New Criticism.
Michael Riffaterre valt het idee aan dat betekenis bestaat los van de relatie ervan met de lezer. Betekenis is een functie van het response van de lezer tot de tekst en dat moet meegenomen in een correcte beschrijving van de betekenis. Het stelt een soort van ‘superreader’ voor (maar ik had geen tijd
). Hij gelooft dat hij linguïstiek kenmerken kan aanwijzen, welke poëtische belangrijk zijn. Zijn beschrijving van deze kenmerken van de tekst zijn goed voor de nadruk op de emotionele en intellectuele activiteiten van de lezer. Kernbegrippen: voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid. Hij is voor het bekijken van momenten van de lezer, waarbij nieuwe stilistische en structurele performance zichtbaar wordt. Taal heeft meer macht dan de lezer op de betekenis.
George Poulet beschouwt lezen juist niet als het bewust zijn van stilistische of structurele bezigheid, maar om overgenomen te worden door de auteurs zijn manier van het ervaren van de wereld.
Bij hem is het werk dus weer niet afhankelijk van de lezer, maar van diens geloof of mode van bestaan. Hun immobility, maakt ze de gevangene van de auteurs zijn bewustzijn. De criticus kan ook niet meer om de tekst heen. De lezer heeft een passieve rol.
Wolfgang Iser beschouwt de lezer als een actieve deelnemer in de productie van tekstuele betekenis. Voor een werk om te worden, moet de lezer meewerken als co-creator door het geven van een portie wat niet geschreven staat. Elke lezer vult gaps in de tekst op zijn eigen manier. Maar dit zegt niet over de tekst dat het een subjectieve fabricatie is. We ontdekken een ongeformuleerd gedeelte van de tekst, dat is de intentie van de tekst. De lezer maakt dus de structuur van de tekst compleet. Precies hoe de lezer beperkt wordt door die structuur wordt hem nooit kenbaar gemaakt. De criticus krijgt weer nieuwe instrumenten, het geeft ook de mogelijkheid om onszelf te formuleren en om zo te ontdekken wat er eerst aan ons bewustzijn ontsnapte.
De fenomenologie van het leesproces krijgt nieuwe morele betekenis. Net als bij Gibson krijgen we meer kennis van de zelf en de zelfcreatie.
Dit is ook waardoor zichtbaar is dat de focus op de lezer een moreel drama voor de criticus is. Om te engageren met een bepaalde conceptie van de lezer geeft volgens Gibson ons nieuwe morele sensoren, volgens Prince breidt het onze menselijke kennis uit, volgens Riffaterre worden we ons bewust van talige details, volgens Poulet transcenderen we zelf door self-effacement, of volens Iser door het maken van een betere zelf d.m.v. een interpretatieve enterprise. In plaats van dat het leesproces instrumenteel voor begrip gezien wordt, beschouwen zij het als identiek met de tekst en daarvoor wordt het een literaire waarde. Als literatuur is wat er gebeurd als we lezen, dan is de waarde afhankelijk van het leesproces.
Stanley Fish is de eerste criticus die deze theorie van lezen dan weer voorstelt. Hij karakteriseert lezen als een activiteit welke ‘processes its own user’. We moeten ervan bewust zijn dat taal een mentaal proces in ons engageert. De focus ligt op de lezer en niet op zichzelf. Fish wil per moment bekijken hoe de lezer reageert op de woorden. De events van het verhaal de lezer een ‘slow down’ geven van die events, omdat de lezer er normaal gesproken niet zo lang bij stilstaat. Het feit dat de lezer de betekenis maakt, maakt een nieuwe definitie van literatuur noodzakelijk. Literatuur is niet een object, maar een ervaring, doet de traditionele scheiding tussen de lezer en de tekst verbleken en maakt de respons van de lezer in plaats van de inhoud van de tekst, het voor de critici. Woorden hebben nog wel betekenis en het is ook niet zo dat de lezer nu volledig vrij is. De taal en de bekwaamheid van de lezer regulieren de ervaring die literatuur is. De lezer reageert op de wil van de auteur, de creatie van de auteur.
Jonathan Culler: ‘how do readers make meaning?’ Hij geeft antwoord aan de hand van Frans structuralisme. Niet de tekst zelf, maar door het complex van sign systemen dat lezers conventioneel gebruiken. Een tekst lezen is niet als een tabula rasa de tekst opnemen, maar het benaderen zonder preconcenptions. We gebruiken een linguïstiek model voor een gevoel voor de tekst. Om te spreken over de structuur impliceert een geïnternaliseerde grammar of literature, ofwel: literaire competentie: de set conventies die de lezer stuurt om bepaalde elementen op te pikken welke passen bij de publieke noties van wat acceptabele en toepasselijke interpretatie inhoudt. In een institutionele manier, worden de functies van conventies publiekelijk besloten. Momenteel zit er in deze conventies ook de ‘rule of significance’, metaforische coherentie en thematische eenheid. Culler wil duidelijk krijgen wat het onderliggende systeem is dat literaire effecten mogelijk maakt. Zijn vraag is dus niet hoe een lezer dit doet, maar hoe een ideale lezer dit zou moeten doen om het voor ons acceptabel te maken. Hij duwt dus niet alleen de tekst maar ook de lezer weg. Het heeft een humane oriëntatie, maar zijn moraal bestaat dus uit een lezer die zichzelf dient te ontwikkelen.
Norman Holland is van mening dat mensen met literaire teksten omgaan op dezelfde manier als met ervaringen in het leven. Van elke tekst neem je een stukje in zelf op, neem je mee, pas je je gedrag door aan en draag je uit. Eigen verdediging van de lezer gebeurt. De lezer ‘replenishes’ de tekst, doormiddel van eigen subjectieve toevoeging aan het objectieve. Zijn epistemologie is een vermenging van het zelf en het andere. Dit betekent dat de tekst voor zijn contact met de lezer zelf bestaat. Maar hoe dan als niet de lezer de vorm geeft? Hij beschouwt interpretatie als een functie van identificatie. Dat zou betekenen dat psychoanalyse een circulair iets is. De criticus vermengt zijn identiteit met die van de auteur en maakt vervolgens opnieuw de identiteit van de auteur. Hij moet wel vasthouden aan dit dualisme, ondanks dat zijn lezer betekenis voornamelijk maakt, want anders kan er geen interpretatie plaatsvinden.
David Bleich onderscheidt zich door geen autonomie aan de tekst toe te kennen en vooral individuele identiteit na te streven. Respons is een essentiële epistemologische vraagstuk. Hij creëert de positie van subjectieve kritiek. Volwassen individuen maken universeel onderscheidt tussen entiteiten: objecten, symbolen en mensen. Kunst is een symbool, wat een mentale creatie is. De tekst is alleen een object in zoverre het fysiek bestaat. Het proces van symboliseren gebeurt in de geest van de lezer. Dat proces is wat hij respons noemt. Een poging om dat proces te begrijpen is een proces van hersymboliseren, interpretatie. Hij wil de vrije mens mogelijk maken. Hij maakt onderscheidt tussen respons op kunst en het proces waarop respons kennis wordt, dat is namelijk in overeenstemming met een gemeenschap van interpreteerders bepaald. Een collectieve beslissing weg van het paradigma van lesgeven en leren (geïnstitutionaliseerd doorgegeven kennis), naar het paradigma van kennisontwikkeling (afgesproken kennis).
Interpretatie van deze verzameling teksten in deze ene tekst. De onderhandeling vind net als Fish (die dit begrip ontwikkelde) plaats binnenin het framework. Bleich probeert echter de notie van de individuele zelf en het subject-object model van de realiteit in stand te houden. Bij Fish blijft dit onderscheidt niet staande. Betekenis dient als een experimenteel iets begrepen te worden, wat gebeurt terwijl de lezer de tekst behandeld en in discussie gaat ermee kan dus ook niet door een ander begrepen worden. Later is Fish teruggekomen op dit probleem. Toen heeft hij aangegeven dat de lezer de tekst maakt met zijn interpretatieve strategieën, maar dat deze wel interdependent is met de intenties van de auteur en de formele kenmerken van de tekst. Om een werk te omschrijven, betekent dat werk interpreteren. De interpretatie heeft wel een framework. Maar wat is een interpretatie van een interpretatie? De kracht van het argument dat de interpretatie van het geïnterpreteerde scheidt is echter hier genegeerd. De mogelijkheid blijft voor critici om door te gaan zoals voorheen, zij dienen alleen toe te geven dat ze het resultaat zijn van de interpretatieve strategieën die zij bezitten. Daarmee is zijn interpretatie ook ‘just one more interpretation’. Culler stelt dat de individu verdwijnt en zijn functies worden opgenomen in onpersoonlijke systemen. Zij hebben beide een tweede soort zelf aangegeven.
Walter Michaels suggereert dat er sprake is van Amerikaanse angst voor subjectiviteit en het verlies van de tekstuele objectiviteit. Critici zijn solipsisten die we kunnen uitlachen. Zoals hij ook ziet in Peirce. Terwijl deze ingaat tegen het Cartesiaanse benoemt hij gedachten als signs. De zelf is daarmee net als de tekst een sign. Michaels beschouwt de zelf als een interpretatieve strategie. Daarmee zijn we niet vrijer, zelfs minder, de lezer is nu gebonden aan alvorens elke theorie weer bedenken dat de zelf een andere tekst is.
Alle tezamen ontkennen zij de mogelijkheid van een neutrale omschrijving of absolute waarde voor statements die bestaan los van de menselijke structuur van interesse. Waar het New Criticism nog een objectieve basis voor de criticus probeerde te maken, ontkennen zij dus elke mogelijkheid voor objectiviteit. Wanneer de discours verantwoordelijk is voor de realiteit waarin de lezer zich bevindt en niet enkel voor de reflectie dan is de hoogste stem hebben in de discours een stuk belangrijker geworden. De visie op de macht is enigszins zoals bij de Grieken. Al wil literatuur zijn functie van civiele agent kunnen uitoefenen, dan is het noodzakelijk om het apart van het praktische en politieke leven te zetten.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer