Sharon Hagenbeek is Watching You!

Jan Luxemburg en anderen – Literatuur en Werkelijkheid

7 maart 2009 door Sharon Hagenbeek

Hier worden een aantal belangrijke begrippen voor onze ideeën over werkelijkheid en literatuur besproken. De daarbij gehanteerde definitie van werkelijkheid is: alles wat buiten het literaire werk bestaat of gedacht wordt en waar het literaire werk naar verwijst.

1. Mimesis en de plaats die dit begrip inneemt in de kunst en literatuuropvattingen sinds Plato en Aristoteles. Mimesis (Grieks: uitbeelding of nabootsing, geen imitatie). Bij Plato vinden we dit begrip in De Staat boek 10: kunst is illusie van de werkelijkheid en ver verwijderd van de waarheid. Argumentatie daarin is: ieder ding komt in verschillende vormen voor in de waarneembare werkelijkheid, maar van ieder ding bestaat er ook een origineel idee. De waarneembare wereld is minderwaardig ten opzichte van de wereld van de Ideeën. Plato miskent het feit dat de kunstenaar, ook wanneer hij iets afbeeldt, schept. Aristoteles heeft mimesis wel van Plato overgenomen, maar hij heeft een andere opvatting van de werkelijkheid, waardoor de mimesis ook veranderd. Aristoteles stelt dat de ideeën niet los zijn van de werkelijkheid. In elk voorwerp is het idee bespeurbaar en er onlosmakelijk meeverbonden. Mimesis is niet alleen nabootsing, maar een creatief proces. De kunstenaar dient wel kennis te hebben  van de werkelijkheid, maar de nabootsing/uitbeelding hoeft niet minder te zijn. De werkelijkheid is de basis. De kunstenaar verteld niet wat er gebeurd is, maar wat er zou kunnen gebeuren. De gebeurtenissen zijn gebaseerd op waarschijnlijkheid en noodzakelijkheid. ‘Mensen in handeling’ zijn objecten. Dit is genre en klasse gebonden. 13e eeuw: Plotinus (hij stelde ook aan de hand van Plato): kunst is niet de nabootsing van de waarneembare werkelijkheid, maar een directe nabootsing van de Ideeën. Hieruit volgt: de verbale structuur van een literair werk is niet een imitatie van de oppervlakkige werkelijkheid, maar juist een essentiële, hogere realiteit. In de Renaissance en het Classicisme werd Aristoteles gevolg en werd er het idee gebonden aan klasse en genre. Imitatie was daarbij ook toegewezen aan specifiek. 19e eeuw realisme: de directe relatie tussen literatuur en werkelijkheid op een bijzondere manier centraal.

In de huidige tijd is de mimesistheorie van Aristoteles weer in de mode. Literatuur schept daarmee een eigen werkelijkheid. Literatuur geeft aan of legt op aan de werkelijkheid een model. Literatuur dient een bepaalde structuur te hebben. De verschillende mimetische theorieën hebben één ding gemeen: de aandacht is gericht op de relatie tussen het uitgebeelde en de uitbeelding. Het primaire esthetische criterium is de vraag of datgene wat is afgebeeld conform de werkelijkheid is.

2. Realisme Voorlopig kunnen we het realisme omschrijven als een nauwkeurige uitbeelding of nabootsing van een werkelijkheid. Als periodebegrip: Frans tijdschrift 1826: een nabootsing niet van de kunstwerken uit de traditie, maar van de originelen die de natuur ons biedt. 19e eeuws realisme: weergave eigen problemen. In het realisme vormen eenvoudige mensen het onderwerp van serieuze werken. Men streefde naar een objectieve of zelfs wetenschappelijke weergave van de werkelijkheid. In latere periode: het naturalisme wat zich kenmerkt door een nog groter geloof in het wetenschappelijke en kennisverschaffende karakter van de kunst. In de kunst vormt het symbolisme de belangrijkste reactie op het realisme. De symbolische schilderkunst ziet af van de uitbeelding van de werkelijkheid buiten het kunstwerk, maar zoekt in het kunstwerk zelf. Het geeft zo niet de uiterlijke vorm van de werkelijkheid, maar de ‘ware’ werkelijkheid. In literatuur benadrukken estheticisme en symbolisme in reactie op het realisme en naturalisme de autonomie van het kunstwerk: de werkelijkheid vinden we in het kunstwerk los van een min of meer toevallige relatie met een werkelijkheid buiten het kunstwerk. L’art pour l’art. Oscar Wilde: Life imitates art. De realistische traditie blijft. 19e eeuw heeft het ook tot een schrijfwijze gemaakt. Modernisme geeft daar een reactie op. Het modernisme zoekt de kracht van het literaire werk in de subjectieve verwerking van de werkelijkheid vanuit een waarnemend en ervarend subject. Realiteit is niet meer een gegeven werkelijkheid maar de werkelijkheid van de kunstenaar. Het realisme in de 20ste eeuw is dubbel: schrijfwijze (formeel realisme) & veel schrijvers die zich willen onderscheiden van de 19e, noemen zich ‘echte’ realisten: ze menen door de gekozen schrijfvorm inzicht in de werkelijkheid te kunnen verschaffen. Alle stromingen dus positieve of negatieve relatie met realisme. Een aantal problemen van het realisme: 1. persoons- en tijdgebonden. Jakobson 1921: onderscheid bedoeling schrijver om realistisch te zijn en het oordeel van de lezer of een tekst realistisch is. Het ervaren van realisme is een subjectieve zaak; 2. de suggestie die gewekt wordt dat een werk een directe weergave zou kunnen bieden, wat in huidige tijd niet zonder meer denkbaar is. Het is een enkel een visie op de werkelijkheid; 3. realisme is niet gelijk te stellen aan objectieve ofwel subjectieve weergave van de werkelijkheid. The happy end, als voorbeeld. Waar precies ligt onze opvatting over het vermogen van literatuur om de werkelijkheid te scheppen?

Tenslotte de relatie tussen mimesis en realisme. Realisme is beperkter, want het gaat om een objectieve uitbeelding van de contemporaine werkelijkheid. Het benadrukt oorspronkelijk de relatie met de waarneembare werkelijkheid. Mimesis is de uitbeelding van het waarneembare (universele, algemeen-menselijke en sociaal-typische).

3. Fictionaliteit Bij Aristoteles was er ook al artistieke creatie, dus niet mimesis, om universeel menselijk handelen weer te geven. De Marxistische critici vonden dat het literaire werk dankzij zijn artistieke structuur een totaalbeeld van de werkelijkheid kan oproepen. In onze cultuur bevatten literaire teksten vaak verzonnen elementen. Dat noemen we fictionele teksten. Maar niet alle verzonnen teksten maken fictie (krant). Bij een narratief is het niet zinvol om te kijken of het conform de werkelijkheid is. Toch af en toe problemen (historische romans).

De lezer van een fictionele tekst stelt zich dan ook direct in op het zogenaamde fictionele voorstellingskader. Iedere wereld heeft zijn eigen wetten en dit kader is nodig om een andere wereld met andere wetten te kunnen zien. Het is de taak van de lezer de wereld waarop de tekst betrekking heeft uit de tekst te reconstrueren. Feitelijke overeenkomsten en verschillen kunnen daarbij een belangrijke functie hebben. Een andere of de eigen wereld kan gezien worden door: tijd- en ruimterelaties, relaties van oorzaak en gevolg en psychologische reactiepatronen.

Het blijft een lastig onderscheid. Vaak aangenomen wordt dat het verschil gelijk is aan het onderscheid tussen literaire en niet-literaire teksten. Alleen fictie is niet alleen van de literatuur (denk aan moppen) en niet-fictionele literatuur bestaat ook. Oorzaken: het gedeeltelijk samenvallen van de werkelijkheid van de lezer en die van de tekst. Identificatie of een gelukkigere wereld wordt graag geloofd.

Omdat een fictionele tekst niet de werkelijkheid beschrijft, maar wel allerlei relaties en samenhangen laat zien die herkenbaar zijn op grond van de ervaring van de werkelijkheid, lijkt de fictionele tekst bij uitstek geschikt om typische aspecten van de werkelijkheid te illustreren. Het wordt daarmee een soort van algemene psychologie. En daarmee zit het dus weer dicht bij Aristoteles die de waarde van de literatuur zag in haar vermogen het typische te tonen in het individuele, met als resultaat verdieping van inzicht in de werkelijkheid. Fictionaliteit en mimesis, begrippen die elkaar schijnbaar tegenspreken, komen hier op een interessante manier samen.

Share Share

Literatuurwetenschap · Samenvattingen

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer