Sharon Hagenbeek is Watching You!

Frank Ankersmit over de kloof tussen de historische tekst en het verleden

door

Frank Ankersmit is één van de grotere Nederlandse filosofen die geëxporteerd worden naar het buitenland; de alom erkende en gewaardeerde geschiedfilosoof zijn vorige boek nog niet gepubliceerd of hij vertelt alweer over de volgende twee boeken die momenteel bij Columbia University Press liggen, en in het volgende jaar zullen verschijnen. Steeds zijn de onderwerpen waar hij over schrijft nauw gerelateerd. Hij vertelt graag over de lijn in zijn werk en over de verbindingen tussen zijn interessegebieden. Vanuit zijn eigen ervaring met de geschiedenis neemt hij ons mee naar de kernbegrippen van zijn geschiedfilosofie: de metafoor, de representatie en de ervaring.

Er zijn verschillende soorten historici. Sommige zijn geïnteresseerd in één periode en willen daarvan alles verzamelen – het zou de antiquarische variant genoemd kunnen worden. Zelf was Ankersmit er ook zo een, zo blijkt als hij vertelt hoezeer hij geïnteresseerd raakte in de periode die bekend staat als het eind van de Verlichting (1770-1790): ‘In die tijd had ik eigenlijk willen leven, maar ik ben helaas twee eeuwen te laat’. Zijn leermeester – E.H. Kossmann – was niet een antiquarische historicus zoals Ankersmit, ‘hij had een sterk intellectuele interesse in de geschiedenis. Ik was voordat ik hem ontmoette niet heel erg geïnteresseerd in de politieke kant van geschiedenis, maar Kossmann heeft met zijn visie op de geschiedenis een wereld voor me geopend. De politieke theorie heeft mij sindsdien altijd nog beziggehouden en ik heb toen serieus getwijfeld over wat ik verder nog moest gaan te onderzoeken. En ik ben tot de conclusie gekomen dat veel meer filosoof dan historicus. Wat mij interesseert aan de historie is dan ook het filosofische aspect ervan; ik maak graag de combinatie tussen de geschiedenis en de filosofie.’ Uiteraard kon het niet anders dan dat hij voorbij zijn louter antiquarische belangstelling moest gaan. Maar aangekomen bij de geschiedenis wist hij niet wat hij aantrof. ‘Aanvankelijk studeerde ik nog natuurkunde, maar dat was het niet helemaal. En toen ben ik overgestapt naar geschiedenis: wat een raar vak was dat. Het leek per ongeluk aan de universiteit terecht te zijn gekomen. Ik ging op zoek naar a method in the madness die geschiedschrijving is. En ik ben me daarvoor in de theorie van het vak gaan verdiepen. Om die theorie waarlijk goed te kunnen bestuderen ben ik ook filosofie erbij gaan studeren. Dat heeft mij wel een aantal antwoorden opgeleverd en die heb ik vervolgens weergegeven in mijn proefschrift. Dat was voor mij een belangrijke stap: dat proefschrift geeft een weergave van een formalistische analyse van de logica van geschiedschrijving.’

In zijn werk heeft Ankersmit een lange weg afgelegd. Die weg begon bij het begrip ‘waarheid’. Zoals Ankersmit zelf stelt, is die waarheid ‘niet zo interessant als wordt voorgesteld’. Toch vormt waarheid een belangrijk basisbegrip in zijn denken, waarin hij de metafoor en de representatie binnen één perspectief brengt. ‘Dat begrip is vanaf het begin van mijn werk terug te vinden, al in mijn proefschrift schreef ik erover. Waarheid is een begrip dat niet toepasbaar is op de tekst in zijn geheel. Als je een historische tekst bekijkt kun je twee niveaus ontwaren. Het ene is het niveau van uitspraken waarvoor de waarheid heel belangrijk is; van uitspraken kun je zeggen dat ze waar of onwaar zijn. Het andere niveau is dat van de tekst als organiserend geheel van feiten en begrippen; daarbij werkt het begrip ‘waarheid’ niet meer. Dat betekent dat je niet over de waarheid van een tekst kunt discussiëren. Het is wel mogelijk een rationele discussie te voeren over de relatieve overtuigingskracht van teksten over ruwweg hetzelfde onderwerp. Op grond daarvan ging ik mij afvragen welk begrip dan wel handig is. Ik kwam uit bij de metafoor. De metafoor geeft een breder zicht op het verleden.’

De geschiedschrijving is het verbinden van de ware uitspraken via een verhaal, een narratieve tekst. Dit verhaal moet ons een beeld van het verleden geven en is hierdoor een metafoor. Zelfs de periodeaanduiding is al een interpretatie, je kunt niet naar de oorzaak van die periode vragen; ook de tijdsbalk is dus metaforisch. ‘De metafoor creëert geen nieuw kennis maar nieuwe verbanden. Er is al een beeld aanwezig voorafgaand aan de interpretatie. Een metafoor biedt een perspectief, en dus is het standpunt belangrijk voor de mate waarin wij onze ervaringen kunnen organiseren.’ Door deze visie op de metafoor wordt Ankersmit ook wel beschouwd als een narrativist. Een van de voorvaderen van het narrativisme is Hayden White. Eind jaren zeventig presenteerde White een vernieuwende aanpak: de historicus heeft metaforische relatie met geschiedenis. De metafoor slaat hierbij op het gehele verhaal, niet op de losse zinnen; geschiedenis is een subjectief verhaal en haar interpretatie is afhankelijk van onze manier van vertellen. Geschiedenis wordt daarmee een soort realistische literatuur. Ankersmit geeft zelf aan het niet geheel met White eens te zijn. ‘Bij White is er eigenlijk geen verschil meer tussen historische teksten en een fictief verhaal. Dat was wel een vervelende associatie en dat kun je volgens mij ook niet volhouden. Een roman is toch anders, vandaar dat ik me daarbij niet wilde aansluiten. Het verschilt toch wel door wat je met een tekst wilt en kunt doen. Maar gebleven is wel dat de waarheid niet zonder meer gelijk is aan de narratieve tekst oftewel geschiedeniskundige ervaring.’

In plaats van het narrativisme kwam daarom nu het idee van de representatie; dat had niet die band met de fictie en de roman. ‘Hoe dat precies gegaan is, weet ik niet zo goed meer na afloop. Ik was gefascineerd door de vraag: hoe kom je van het verleden naar de tekst erover? En op een gegeven moment kwam ik de geweldig uitspraak van Burckhardt tegen die luidde: “Was einst Jubel und Jammer war, muss nun Erkenntnis werden”. Eerst heb je de geleefde werkelijkheid, en de kennis die men verkrijgt kan aan dat geleefde niet meer recht doen. Dat moet je transformeren naar historische kennis. Je kunt geen historische kennis hebben die recht doet aan die Jubel und Jammer. En er zijn geen bepaalde vertaalregels om van dat verleden zelf te komen tot de representatie. Daar moet je vanaf. Het is meer zo dat er een verleden is geweest, daar zijn teksten over en je kunt er op z’n best een metaforische greep op krijgen. In de wereld van de rationaliteit kun je de ene metafoor beter vinden dan de andere, je kunt erover oordelen. Dat is de rationaliteit van de geschiedbeoefening. Maar dat is achteraf. Dat is als er verschillende historische teksten over zijn en dan kun je er een oordeel over vellen. Dat is niet een door de rede gecontroleerd proces dat je in staat stelt die stap te zetten van de Jubel und Jammer naar de tekst.’

Ankersmit kwam tot de conclusie dat het noodzakelijk was om de representatie te onderzoeken. ‘Het is voor mij een heel fundamenteel begrip, juist daar waar representatie verschilt van ware beschrijvingen. De representatie moet verstaan worden in de eigenlijke zin, in de relatie met de esthetica. Dan verschilt ze wezenlijk van die van het wetenschappelijke model van ware uitspraken en werkelijkheid. In ware uitspraken kun je altijd predicaat en subjectterm onderscheiden. Als je een uitspraak hoort is deze waar of onwaar, dat is een vereiste voor de taaluitingen waarmee je te maken hebt. Die laten zich opdelen in een verwijderd deel en in deel van alleen maar eigenschappen. Dat geldt niet voor schilderijen. Een portret zou gezien kunnen worden als een hele complexe ware uitspraak van degene die geportretteerd is. Maar dat werkt dus niet, want je kunt het niet opdelen in het geportretteerde en delen die louter eigenschappen bevatten. Dat geldt ook voor een historische tekst. Het gebeurt door elkaar. Waarheid of onwaarheid is zodoende ook niet van toepassing op de representatie. Wel hebben wij meer geloof in de ene representatie ten aanzien van de andere, de ene historische tekst in vergelijking met de andere.’

De notie van representatie bleek niet iets te zijn waarvoor Ankersmit bij de filosofie terecht kon. ‘Het viel mij op dat de taalfilosofie zich nooit heeft beziggehouden met teksten. Denk aan de taalfilosofie sinds Frege. Die is gericht op individuele uitspraken over de werkelijkheid. Geschiedenis is een tekst en historici hebben zich gerealiseerd dat zij bezig zijn met teksten. Ze hadden echter niets aan deze filosofie. De taalfilosofie heeft een fixatie op de kleinste bestanddelen van het woord- en taalgebruik, terwijl men uitgaat van de naïeve en onbewezen gedachte dat het mogelijk is een overgang te maken van die kleine bestanddelen naar een tekst. Het bevat de vooronderstelling dat als je maar de meest eenvoudige en simpele dingen weet dat je daar de complexere dingen uit kan afleiden. Dat is een Cartesiaanse redenatie. Dat zul je moeten aantonen en ik denk, mede op basis van de ideeën over representatie, dat het niet aantoonbaar is. Je kunt van een tekst zeggen dat het een representatie is, maar je kunt niet de problemen van de representatie reduceren tot problemen van de uitspraken. Voor het filosofisch analyseren van gehele teksten is een ander filosofisch instrumentarium nodig, en dat maakt geschiedkundige teksten zo interessant; men probeert middels de tekst recht te doen aan de werkelijkheid op een wezenlijk andere manier dan in de wetenschap het geval is en ook dan in de taalfilosofie onderzocht wordt. In de taalfilosofie en de wetenschap zijn veel te veel begrippen aan elkaar gaan klitten. Denk aan de waarheid bij Davidson – daar verklaart hij alles mee: betekenis, verwijzing… Hij hanteert de waarheid als een correspondentietheorie die voor alles past. Dat zie je overal: men wil alles aan elkaar plakken; mijn impuls is juist al die dingen uit elkaar te halen. De analytische filosofie van tegenwoordig is toch een heel scholastische bezigheid geworden die zich ver van de werkelijkheid heeft afgezonderd, omdat ze alleen nog maar met elkaar in discussie zijn. Zoiets kan de dood van de filosofie zijn. Er zit dan geen autonoom werkelijkheidselement meer in. Het vakgebied van de economie is daar nu een ander uitstekend voorbeeld van. Zij hebben zo iets apocalyptisch als de crisis simpelweg niet kunnen voorzien omdat ze te druk bezig waren met onderling discussiëren. Daarom heeft men vanuit de geschiedtheorie gekeken naar de literatuurwetenschap, daar sprak men wel over teksten. Maar helaas is dat niet zo’n betrouwbare discipline. Daarom is het bij de geschiedfilosofie misgegaan.’

De representatie werd in Ankersmits meest recente werk De sublieme historische ervaring te midden van de cirkels van de waarheid en ervaring geplaatst. De ervaring is daarbij de buitenste cirkel, daarin de cirkel van de representatie en daarin weer de cirkel van de waarheid. Het subject werkt daarbij van buiten naar binnen. ‘De waarheid wordt gereduceerd tot de representatie. In de cirkel van de (historische) ervaring heeft de kwestie van adequaatheid zelfs alle relevantie verloren. Dat gaat immers uit van het onderscheid tussen wereld, verleden en object aan de ene kant en tekst, representatie en geschiedschrijving aan de andere kant. Maar dit onderscheid verdwijnt in de historische ervaring: dan is er alleen nog de ervaring; object en subject (en alles wat we hiermee associëren) zijn dan slechts bijproducten van deze ervaring – voor zover ze er al zijn.’

De representatie neemt hij hier in beschouwing ten behoeve van de ervaring, waar het hem in dit laatste werk eigenlijk om draait. De representatie is voor hem een kristalhelder begrip geworden, maar ditmaal juist de ervaring niet. ‘Wat men definieert als ervaring, heeft als nadeel dat het – als definitie – al vooraf vast ligt op de ervaring. De ervaring krijgt dan het karakter van het experiment. Dit is de empiristische conceptie van de ervaring. Het gaat mij om de ervaring waarbij je nog niet van tevoren uitgaat van een model waarbinnen je de werkelijkheid wilt snappen. Het is zaak hier een scheiding tussen het subject dat de werkelijkheid kent en de gekende werkelijkheid aan te brengen. De gekende werkelijkheid bestaat nog niet bij de ervaring. Er is nog geen ‘subject’ of ‘object’; die begrippen zijn van een later stadium, ze gaan niet vooraf aan de ervaring. Het idee van de sublieme historische ervaring gaat over een gebeurtenis in de historie die kan plaatsvinden waarbij een diffuus heden wordt opgesplitst in een nieuw heden en een verleden, zoals bijvoorbeeld de Franse Revolutie. Het verleden komt als object tegenover je te staan. Dan heb je te maken met een ervaring waarbij de wereld opbreekt en het subject en het object ontstaan. Je neemt dan afscheid van je oude werkelijkheid, en pas dan gaat de empiristische ervaring van het verleden een rol spelen. De historische ervaring heeft te maken met een historisch besef over hoe het object of het verleden tot stand komt. Mijn eerdere werk over de narratieve tekst bevatte dus al de aanname dat men het historisch besef heeft en dat men zodoende een geschiedkundige tekst gaat schrijven waarbij de metafoor belangrijk is. Het verstrekkende perspectief dat de geschiedenis ons dan biedt en van waaruit wij ons dan pas kunnen situeren ten aanzien van wat er werkelijk speelt, levert ons de beste intuïties op over wat er in de toekomst kan gebeuren. Ik kan het wel begrijpen als historici niet genoeg moeite doen om de betekenis van hun vak goed in die achtergrond te plaatsen, maar ik blijf het wel storend vinden. Ze zouden zich vaker moeten afvragen wat ze met hun vak daadwerkelijk doen. Ik denk dat het mogelijk is om dat in te bouwen, het is ook de manier waarop je het vak onderwijst. Er zat altijd de dimensie in van wat je er dan nu aan hebt voor het heden: de relevantie moet aandacht krijgen, en uiteindelijk is belangrijk wat je ermee kunt doen. Ik vind het heel erg leuk men daarvan bewust te maken door krasse uitspraken die wel zó onderbouwd zijn dat ze niet onderuit gehaald kunnen worden. Neem nu die ontkoppeling van waarheid en ervaring – die koppeling is zo gebruikelijk. Het is in ieder geval belangrijk om niet de hele tijd te herhalen wat anderen hebben gezegd.’

Het moge duidelijk zijn dat Ankersmit telkens per begrip helder de betekenis ervan weet weer te geven – wat hem niet zou zijn gelukt als hij zich direct op het begrip waarheid had gericht en dan al deze begrippen samengevoegd had behandeld.In zijn volgende werk over geschiedfilosofie zullen we weer een ander begrip hernieuwd kunnen bekijken, want hij zal dan ingaan op de verwijzing. ‘Met Huizinga valt er namelijk wel iets te zeggen over subject en object. In onze ervaring zien wij die vaak als twee parallellen vlakken. Wat ik wil laten zien is dat je in termen van het begrip ervaring dat subject en dat object ten opzichte van elkaar kunt laten bewegen. Ik heb iets van Huizinga gebruikt om vrij ongerijmde dingen mee te doen, maar het is niet zonder meer onderuit te halen. Ik ga niet goochelen met termen zoals Derrida, maar het is een krasse stelling.’ En dus is het afwachten tot de verschijning van zijn volgende boek.

Filosofie · Interviews · Literatuurwetenschap

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: