Sharon Hagenbeek is Watching You!

Essay Basisbegrippen Culturele Vakken

door

Voor Basisbegrippen Culturele Vakken, 2006-2007

In dit essay heb ik getracht om het gedicht ‘Hoe sê mens dit’ van Antije Krog [zie onderaan] te beschouwen in een communicatiesituatie. Ik heb mijzelf als lezer in die communicatiesituatie geplaatst door middel van de reader-responstheorie. Vervolgens heb ik de mogelijkheid om literaire betekenis toe te kennen aan een tekst, besproken. Ook heb ik van de reader-responstheorie gebruik gemaakt om aan te geven hoe het verschil tussen waarheid en fictie bij een interpretatie van dit gedicht hetzelfde is als bij een beschouwing van de geschiedenis. De keuze om een tekst als waarheid te beschouwen zal concluderend blijken hetgeen wat performativiteit mogelijk maakt.

Alle teksten bevinden zich binnen een communicatiesituatie, dus ook het hier te bespreken gedicht. Op welke manier een tekst binnen deze situatie fungeert, verschilt wel per tekst. Dit verschil is volgens Jakobson gelegen in de verschillende functies die aan een tekst toegekend kunnen worden aan de hand van zijn communicatiemodel. Tevens beschouwt Jakobson de mogelijke functies die hij onderscheidt, als deel van de tekst zelf. Eén van de functies die hij onderscheidt binnen dit model is de poëtische functie, welke de dominante functie is van een literaire tekst. Het literaire van een tekst is daarmee een deel van de tekst zelf. Daardoor is er voor de theorie van Jakobson geen lezer noodzakelijk die het literaire van een tekst als zodanig onderscheidt in die tekst. Bovendien is er daardoor geen performativiteit vanuit de tekst die bij de lezer plaatsvindt, de tekst werkt in en op zichzelf. Het ontvangst van de tekst door de lezer maakt daardoor geen verschil voor de literaire betekenis van de tekst.
Deze benadering van de literaire betekenis van een tekst binnen het communicatiemodel van Jakobson staat tegenover de diverse receptietheorieën die de literaire betekenis beschouwen als gegeven door de lezer. Deze receptietheorieën plaatsen de tekst ook binnen de communicatiesituatie, maar zij maken de literaire betekenis van een tekst lezerafhankelijk.
Tompkins geeft een weergave van de ontwikkeling van de receptietheorieën ten opzichte van het New Criticism en de plaats van teksten binnen deze theorieën. Waar het New Criticism een tekst nog als objectief probeerde te beschouwen, ontkennen een aantal van de door haar weergegeven theorieën zelfs de mogelijkheid van objectiviteit van een tekst. Bij die theorieën is de performativiteit van de tekst iets wat bij de lezer plaatsvindt. Tevens kan men een tekst interpreteren op basis van die performativiteit. Zo geeft zij aan hoe de betekenis van een tekst bij Riffaterre een functie is van de respons van de lezer. Daarbij zijn performativiteit en literaire betekenis van een tekst nog niet gelijk. De respons van de lezer dient meegenomen te worden in een correcte beschrijving van de betekenis. Bij een dergelijke beschrijving zijn de linguïstieke kenmerken van de tekst wel belangrijk, omdat daarmee de emotionele en intellectuele activiteiten van de lezer, de performativiteit van de tekst dus, benadrukt worden. Door deze activiteiten te benadrukken heeft de taal volgens hem meer macht op de betekenis dan de lezer.
Kernbegrippen bij zijn beschrijving van de kenmerken van een tekst zijn voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid voor de lezer. Hoe deze begrippen bij het respons van de lezer werken, blijkt uit mijn lezing van het hier besproken gedicht. In mijn interpretatie van het gedicht is de onvoorspelbaarheid niet zozeer te vinden in de linguïstieke kenmerken, als wel in het thema van het gedicht. Tegelijkertijd is dit gedicht mogelijk volledig voorspelbaar zijn voor een andere lezer, met een andere achtergrond, situatie, leeftijd of een ander geslacht, die meer gelijk zijn aan die van het lyrisch subject. Deze mogelijkheid tot herkenning is iets wat wij ingeprogrammeerd krijgen. Meijer toont dit aan met de manier waarop vrouwen lezen. Vrouwen lezen namelijk als mannen. Dit omdat de standaard lezer van onze cultuur was. Zij bespreekt dit met het doel om aan te tonen dat het niet mogelijk is om uit te gaan van één canon, daar andere lezers andere literatuur tot de canon vinden behoren. Er zouden dus meerdere canons zijn die behoren tot de eigen gemeenschap, de leefsituatie, het geslacht, de leeftijd en de achtergrond van de lezer.

De begrippen voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid zijn ook belangrijk voor het onderscheid tussen geschiedenis, verhaal en fictie. De voorspelbaarheid van een tekst geeft betrouwbaarheid door middel van onze herkenning, zoals ik de herkenning miste in de expressie en van de situatie van het lyrisch subject in het gedicht. De weergave van een gebeurtenis in een krant hoeft niet per se waar te zijn. De tekst uit een krant kan zelfs verzonnen elementen bevatten en toch is het nog geen fictie. Of men de tekst als waar beschouwt hangt samen met de voorspelbaarheid van de manier waarop de ‘feiten’ in de tekst zijn weergegeven. Herkenning vindt dan plaats in de manier waarop de feiten gepresenteerd worden, de vorm die de tekst heeft.
De manier waarop wij een geschiedenis als een weergave van de werkelijkheid beschouwen is gestuurd door hetzelfde herkenningsmechanisme. Wij achten een geschiedenis betrouwbaar door de vorm waarin deze gepresenteerd wordt. Ook onze eigen gemeenschap, leefsituatie, geslacht, leeftijd en achtergrond zijn hierbij van belang. Deze bepalen namelijk de betrouwbaarheid die wij toekennen aan een geschiedenis doormiddel van de vorm. De macht van de taal is hierbij het geven van de betrouwbare weergave van een geschiedenis, waardoor wij deze als waarheid bevattend ervaren.

Ook hebben wij voor fictie ingeprogrammeerde manieren om deze te herkennen. In onze cultuur bevatten literaire teksten vaak verzonnen elementen. Die teksten noemen we fictionele teksten, aldus Luxemburg e.a. . Onze eigen cultuur heeft ons daarmee een bepaling van fictionele teksten gegeven, die wij hanteren in onze pogingen fictionele teksten van objectieve teksten te onderscheiden. Hierbij dienen wij de door ons ervaren werkelijkheid, zoals gezien vanuit onze eigen cultuur, aan te nemen als absoluut gegeven, de waarheid. Met dit onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, heeft wat door ons wordt beschouwd als objectieve tekst over de geschiedenis, een afgebakend gebied gekregen.
Als we de geschiedenis zelf willen beschouwen, moeten we dus niet kijken naar de geschiedenis zoals wij die door de culturele bepaling als de geschiedenis zien. De geschiedenis is binnen onze werkelijkheid een representatie van hetgeen wat heeft plaatsgevonden. Er is namelijk sprake van een ontologische kloof tussen het heden en het verleden. De geschiedenis zelf kunnen we niet binnen ons heden vatten. Wat wij normaal gesproken beschouwen als de geschiedenis is een representatie. Die representatie vinden we terug in een verhaal, wat een logische en chronologische ordening kent. Een dergelijke representatie heeft volgens Barthes een werkelijkheideffect: het creëert een werkelijkheid. Daarbij maken de details het verhaal meer werkelijk. In feite is de geschiedenis dus gelijk aan fictie. Zo zijn zij beiden in staat een werkelijkheid te creëren en beiden bevatten ze geen waarheid. Van fictie hebben wij echter andere verwachtingen dan van de geschiedenis. Wij verwachten van fictie juist de verzonnen elementen en de onvoorspelbaarheid.
Zo is voor mij ook de performativiteit geweest van dit gedicht. In het gedicht wordt de leeftijd ook met omschrijvingen van het verouderde lichaam getoond, zoals bijvoorbeeld ‘die sagte losheid van jou boude’ (regel 27). Roland Barthes stelt dat sfeer en karakter structuur krijgen door details. Met het hier besproken detail kan de auteur van dit gedicht misschien enkel de intentie hebben gehad om de expressie van diens onvrede of noodzakelijke omgang met de situatie zijn geweest, maar de vraag is natuurlijk hoe de lezer dit gedicht ontvangt en daaraan gerelateerd is de vraag hoe de lezer omgaat met de details van het gedicht. De lezer hoeft dit gedicht niet te lezen als realistisch en kan de details van het gedicht dus ook als verzonnen beschouwen. Een tekst op een bepaalde manier lezen, welke leeshouding de lezer hanteert, is een keuze van de lezer.
Het genoemde voorbeeld is een detail wat niet overbodig is en misschien wel ongewenst is voor de lezer. Ongewenst omdat het een ongekende kant van het leven op die leeftijd laat zien. Onbekend als die kant is, kan het gedicht fictie zijn voor mij, maar bij dit gedicht heb ik ervoor gekozen de werkelijkheid die het de mogelijkheid geeft, als realistisch te beschouwen en op die manier om het gedicht ruimte te geven voor haar performativiteit. De performativiteit van dit gedicht heeft voor mij de werkelijkheid uitgebreid. Daarmee mag het gedicht mij confronteren met die gruwelijke werkelijkheid.

Hoe sê mens dit

ek weet werklik nie hoe om dit te sê nie
jou deurwinterde kortgeknipte baard is dalk
te ná, te téén my vir taal, te grys van grint

ek weet werklik nie hoe om jou ouerwordende lyf te sê
sonder die woorde ‘verlies’ of ‘fataal’ nie. ek weet nie
ek weet niet waarom die woord ‘plooie’ so banaal klink nie
ek weet nie hoe ouerword moet klink in taal nie

die irisse van jou berugte blou oë
het intussen onderhewig geraak aan groen
meer stamelend en innig nou – twee

blywende koeltes wat my ‘n lewe lank liefhet
my wysvinger trek jou wenkbroue na
waaruit groeisels soos weerligte knal
gesig wat ek liefhet; gesig van verwering

as ek jou teen my nader trek is jou hare donserig
jou kopvel verras my met sy tekstuur – so ook
die lange kepe wat van jou ore nek af sny

die mond wat so briljant kon klief roer nou
geurig teen my slape genadig soos brood
jou hande laat my borste soos glase donker
wyn in jou palms sink ek dink ek probeer sê

dat ek jou verdikte buik sexy vind
dat ‘n ereksie teen die effense ronding
my nat in die mond laat ek dink ek

probeer sê dat ek my vir die eerste keer
kan oorgee aan jou dye vanweë hulle week
witheid, dat ek die sagte losheid van jou boude
verkies bo die jong harde beneukte jagsheid

van vroeër jy gebruik nie meer seks
vir jouself nie, maar vir my uit my
wil jy niet langer voorteel nie, maar jy

maak jouself rustig bekend aan my – in
die weelde van ervaring strek ek my uit. dis
asof jy dieper in my is, ek stiller, asof ons
met groter heelheid kom. hoe verset mens

jou teen die gemaklike uitweg wat oudword bloot
tot metafoor van die dood verstom? hoe en waarmee
verwerf’n mens die woordeskat van ouderdom?

Hoe zeg je dat

Ik weet echt niet hoe ik het zeggen moet
je verwinterde getrimde baard is misschien
te nà, mij voor taal te dichtbij, te kiezelgrijs

ik weet werkelijk niet hoe ik je ouder wordende lijf moet weergeven
zonder de woorden ‘verlies’ of ‘fataal’. Ik heb geen idee
ik weet niet waarom het woord ‘rimpels’ zo banaal klinkt
ik weet niet hoe ouder worden moet klinken in taal

de irissen van je beruchte blauwe ogen
zijn intussen doordesemd geraakt met groen
maar dan stamelender en inniger – twee

blijvende koelten die mij een leven lang liefhebben
mijn wijsvinger trekt je wenkbrauwen na
waaruit haren groeien als bliksemschichten
gezicht dat ik liefheb: gezicht van verwering

als ik je tegen me aandruk voelen je haren als dons
je hoofdhuid verbaast me om zijn textuur – evenals
de lange groeven die van je oren naar je hals lopen

de mond die geniaal aan mootjes hakte rust nu
geurig tegen mijn slaap genadig als brood
je handen laten mijn borsten als glazen donkere
wijn in hun palmen zinken misschien wil ik wel zeggen

dat ik je dikke buik zo sexy vind
dat een erectie tegen de lichte glooiing
mij het water in de mond doet lopen misschien wil ik

wel zeggen dat ik mij voor de eerste keer
kan overgeven aan je dijen vanwege hun weke
witheid, dat ik het zachte lubberen van je billen
liever heb dan de jonge harde opgefokte geilheid

van vroeger het gaat je bij seks niet meer
om jezelf, maar om mij het gaat
je niet meer om de voortplanting, maar je

wijdt je in alle rust aan mij – in
deze schat aan ervaring strek ik me uit. het is
alsof je dieper in me gaat, ik stiller word, alsof we
in alle heelheid klaarkomen. hoe verzet je

je tegen de gemakkelijke smoes die oud worden botweg
tot metafoor van de dood vermomt? hoe
kom je aan de woordenschat van de ouderdom?

Antjie Krog
Lijfkreet gedichten
Uitgeverij Podium, 2006
Oorspronkelijke titel: Verweerskrif

Verdere bronnen:
Roman Jakobson, Tekstboek algemene literatuurwetenschap, 1960
Jane P. Tompkins, Reader Response Criticism: From Formalism to Post-Structuralism, 1980
Maaike Meijer, De Lust tot Lezen, 1988
Jan Luxemburg, Mieke Bal, Willem G. Weststijn, Inleiding in de literatuurwetenschap, 1987
Roland Barthes, The Rustle of Language, 1986

Literatuurwetenschap

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: