Sharon Hagenbeek is Watching You!

De tijd zonder Proust

19 november 2009 door Sharon Hagenbeek

Lijden aan de Tijd – Franse intellectuelen in het interbellum
Auteur: Marleen Rensen
Uitgeverij Aspekt
2009

Het interbellum staat te boek als een periode waarin de literatuur het verval en de vergankelijkheid beschreef. Niet onbelangrijk voor die historische weergaven was juist de tijdsbeleving. Marleen Rensen beschrijft die beleving aan de hand van vier schrijvers die de tijd(sgeest) op en top belichamen: Robert Brasillach (1909-1945), Pierre Drieu la Rochelle (1893-1945), Paul Nizan (1905-1940) en André Malraux (1901-1976).

Opvallend aan de weergave van Rensen is dat ze de gangbare visie op de literatuur uit het interbellum omdraait. Normaal gesproken wordt de tijd beschreven als een periode waarin intellectuelen zich in hun tijd voegen door hun angsten bloot te leggen. Rensen laat echter zien dat er sprake was van een meer diepgaandere verandering in hun tijdsconcept. De schrijvers die Rensen bespreekt zien zich geconfronteerd met de historische tijd en daardoor groeide hun onvrede over de subjectieve tijdsbeleving van Proust.

De eerste wereldoorlog heeft de Franse samenleving gedesillusioneerd achtergelaten. Men had geen toekomstidealen meer om mee te werken. Als men kijkt naar het tikken van de klok slaat de wanhoop toe. De tijd gaat steeds sneller en vervliegt uiteindelijk, ons achterlatend met de onzekere geschiedenis en de veranderingen die daaruit volgden. Daarbij vervliegen de dromen en idealen van een betere toekomst ook.

In die situatie zetten Brasillach, La Rochelle, Nizan en Malraux zich elk op hun eigen manier af tegen de subjectieve tijd van Proust. Hij ervoer de tijd als een ervaring die aan subject gebonden is en met die visie probeerde hij zich in zijn werk te onttrekken aan de tijd. Hij probeerde de werkelijkheid te ontvluchtten door op zoek te gaan naar een tijdloze dimensie. De interbellumschrijvers daarentegen zijn, geconfronteerd met het verleden, opzoek naar de historische tijd die hoop voor morgen biedt. Ze verlangden naar de toekomst met haar ritmische tijd. Een ritme waarin alles toebehoort tot de cycli des levens. In hun werk wordt juist alles gedateerd en daarmee gesitueerd.

De vier genoemde auteurs pakte als het ware het streven naar een betere samenleving op. Wel onderscheidden ze zich uitdrukkelijk van elkaar door hun politieke kleuren te laten spreken in die roerige tijd waarin een economische crisis heerst en het fascisme opkomt. De politieke polarisatie wordt dus niet alleen volledig omarmt, ze wordt opgezocht omwille van haar mogelijke werking als kompas. Ten einde de collectieve historische ervaring uit te drukken, namen zij een andere tijdservaring aan dan Proust. Zij wilden juist een historische tijd, een tijd van snelle en ingrijpende veranderingen en niet meer een subjectieve ervaring waarin men zich kan ontdoen van de hedendaagse relaas. Op allerlei manieren komt de existentiële tijdsbeleving terug, zoals hun obsessie met de dood en hun angst voor het einde van de beschaving. De samenhang tussen die thema’s is juist de tijd: ze zitten gevangen in de historische tijd. Om los te breken moet er anders met de tijd worden omgegaan.

Het resultaat van Rensens onderzoek is niet alleen interessant voor de literatuurwetenschappen, het is tevens een vernieuwende manier om de literatuur te verwerken in historisch onderzoek. Door de vergelijking vindt men overeenkomsten die karakteristiek zijn voor de tijd. Die overeenkomsten vinden weer hun reflectie in de ontwikkelingen die toen plaatsvonden. Zo heeft Rensen het concept van de tijdsbeleving in het interbellum weergegeven als invloedrijke ervaring en niet alleen als een gevolg van geschiedenis.

Share Share

Boekrecensies · Literatuurwetenschap

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer