Het onderstaande is geschreven naar aanleiding van “Introduction: The Anxieties of Comparison” van Charles Bernheimer – Comparative Literature in the Age of Multiculturalism.
Bernheimer is aangesloten bij de MLA, Modern Language Association van Comperative Literature, deze invloedrijke organisatie houdt altijd een conferentie genaamd ACLA. Daarbij worden rapporten gemaakt elke 10 jaar, Bernheimer was leidinggevende over de rapporten van 1995. Deze gingen over globaliseringen en dat vergelijkende literatuurwetenschappen daaraan moest doen.
Vergelijkende literatuurwetenschappen herbergt een onzekerheid die angstverwekkend werkt. Er is een noodzaak binnen dit vakgebied om een variatie aan specialiteiten te hebben, niet alleen één specialiteit zoals bij cultuurstudie, of talenstudies. Deze meervoud wordt af en toe gezien als een teken van dilettantisme. Het is dus niet gewild of het is juist wel.
Daarnaast is het niet mogelijk om het vakgebied van de vergelijkende literatuurwetenschapper vast te stellen en deze is daarmee aan verschuiving en onstabiliteit onderhevig. Ook is er geen vaste werkwijze vast te stellen voor onderzoek.
Dit alles met onzekerheid en zelfkritiek over het eigen vak als gevolg. René Wellek schreef al over dit probleem in 1958 en hij noemde het ”The Crisis of Comparative Literature”. Tegenwoordig echter is niet alleen de vergelijking het probleem, maar ook de betekenis van literatuur. Wat behoort er binnen het canon? Welke ethiek heeft het canon om bepaalde literatuur uit te sluiten? Wat heeft invloed en wat zou invloed wel of niet moeten hebben? Het canon is over het algemeen West-Europees georiënteerd, is het mogelijk de verschillen in cultuur te overbruggen om ook andere culturen beter tot hun recht te laten komen? Moet het canon überhaupt een representatie zijn van ethische cultuurverschillen?
Veranderingen in de discipline sinds de tweede wereldoorlog kunnen worden gezien als een serie pogingen de anxiety te beheersen. Dit verklaart Bernheimer nader door de veranderingen te omschrijven. Zo vertelt hij over een discussie die hij had over de inhoud van het lesmateriaal. Daarbij kwam naar voren dat methode belangrijker werd dan de materie en de anxiety was niet langer beschouwd als een symptoom om te genezen maar meer als een tekstuele functie om te waarderen en te analyseren.
Daarnaast komt de grote invloed van deconstructie van Derrida aanbod. Het nadeel van deconstructie is dat men altijd wantrouwend tegenover de tekst moet staan en je nooit zeker kan weten of wat deconstructie jou toont juist is. Op die manier bracht deconstructie steeds minder zekerheid, onvermijdelijk. Het waarborgde de anxiety. Er is een sfeer van moeheid ontstaan. Moe van vergelijken dat nooit tot iets definitiefs leidde. Deze sfeer is verantwoordelijk voor wat Hillis Miller “a massive shift of focus in literary study since 1979 away from the ‘intrinsic’, rhetorical study of literature toward a study of ‘extrinsic’ relations of literature, its placements within psychological, historical or sociological contexts.”
Sinds 1979, de datum van de Man’s publicatie, ging men literatuur dus meer zien als iets dat inbed was met diverse andere contexten. Miller probeert hiermee aan te geven dat de intrinsieke retorische literaire studie eerst zou moeten plaats vinden en daarna pas extrinsiek geanalyseerd. Deconstructie heeft inderdaad een kracht die onmogelijk te ontkennen is. Zo maken de feministen veel gebruik van deconstructie. Ook rijst de vraag in hoeverre taal enkel een manier van uitdrukken is en in hoeverre zij sociale verschillen en interactie conflicten aangeeft.
In het heden is het kritische veld gefragmenteerd in een meervoud van diverse theoretische perspectieven. Vandaag de dag (dit in 1995 zijnde) lijkt het dat contextualiteit het belangrijkste is om invloeden in literatuur te benaderen. De nieuwe mode is om te proberen de factoren c.q. invloeden zo accuraat mogelijk waar te nemen. Dit moet men trachten te doen zonder het subject te worden van Millers kritiek, dat is de suggestie wekken dat literair werk verklaard kan worden als een reflectie van die factoren.
Daarnaast wordt er dus getwijfeld aan het canon en de reflectie daarvan ten opzichte van culturele minderheden. Vanuit een liberale optiek moet elke cultuur als gelijk geacht worden. Alleen een literair werk kan nooit een volledige reflectie van een cultuur zijn. Is pluralisme mogelijk blijft de vraag?
Culturen worden in de tekst omschreven als bubbels, die gedijen langs elkaar, en zo een isolatie vormen voor de inhoud. Het probleem van bubbels is dat als je vanuit één cultuur de andere beschouwd je nooit objectief genoeg kan zijn zonder dat je in de verdediging gaat. Daarnaast kan je nooit een cultuur volledig doorgronden als degene waar je zelf uit komt.
De vraag wat de taak is van de literatuurwetenschapper komt naar voren. Moet deze een universele literatuur zien, als een natuurlijk iets, internationaal ongebonden aan culturen zien of moet deze onze begrip kweken voor de verschillen van literatuur? Michael Riffaterre zegt dat een tekst waarschijnlijk literatuur wordt als het decontextualisering doorstaat en dat het de taak is van de theorie om te zorgen dat een tekst het uitsterven van de onderwerpen, het verdwijnen van zowel de redenen als de omstandigheden overleefd.
Als je de invloeden van literatuur gaat onderzoeken dan moet je naar diverse aspecten kijken bijvoorbeeld historische, psychologische, sociale en zelfs het politiek aspect. Doordat een vergelijkende literatuurwetenschapper daar aan moet denken, wordt deze zich bewust van diens eigen invloed op hoe de tekst gelezen wordt. Zo zie je jezelf als vervuiler van het onderzoek.
Maar in diezelfde aspecten kan men literatuur beschouwen als een uitdrukkingsvorm. De waarde van literatuur moeten verdedigd worden. Literatuur is meer dan alleen invloeden. Dit is de taak van een literatuurwetenschapper in de ogen van Bernheimer.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer