Sharon Hagenbeek is Watching You!

Analyse van het ergste…

door

Ik las dit gedicht en ik was geschokt. Ik was meer dan geschokt: het gedicht deed mij denken aan afgrijselijke bejaarde billen. Dus ik werd misselijk, zeer zwak en misselijk. Het idee van deze aanblik alleen al, maakte dat ik mezelf en ook toekomstige lezers van dit gedicht moest wapenen tegen de performativiteit van dit gedicht. Dus leek een analyse van dit gedicht mij de beste manier om mijn afgrijzen te doen verbleken. Een belangrijke vraag daarbij is: hoe word ik en hopelijk ook u misselijk van dit gedicht? Allereerst daarom het shockerende gedicht: Hoe sê mens dit

Hoe sê mens dit

ek weet werklik nie hoe om dit te sê nie
jou deurwinterde kortgeknipte baard is dalk
te ná, te téén my vir taal, te grys van grint

ek weet werklik nie hoe om jou ouerwordende lyf te sê
sonder die woorde ‘verlies’ of ‘fataal’ nie. ek weet nie
ek weet niet waarom die woord ‘plooie’ so banaal klink nie
ek weet nie hoe ouerword moet klink in taal nie

die irisse van jou berugte blou oë
het intussen onderhewig geraak aan groen
meer stamelend en innig nou – twee

blywende koeltes wat my ‘n lewe lank liefhet
my wysvinger trek jou wenkbroue na
waaruit groeisels soos weerligte knal
gesig wat ek liefhet; gesig van verwering

as ek jou teen my nader trek is jou hare donserig
jou kopvel verras my met sy tekstuur – so ook
die lange kepe wat van jou ore nek af sny

die mond wat so briljant kon klief roer nou
geurig teen my slape genadig soos brood
jou hande laat my borste soos glase donker
wyn in jou palms sink ek dink ek probeer sê

dat ek jou verdikte buik sexy vind
dat ‘n ereksie teen die effense ronding
my nat in die mond laat ek dink ek

probeer sê dat ek my vir die eerste keer
kan oorgee aan jou dye vanweë hulle week
witheid, dat ek die sagte losheid van jou boude
verkies bo die jong harde beneukte jagsheid

van vroeër jy gebruik nie meer seks
vir jouself nie, maar vir my uit my
wil jy niet langer voorteel nie, maar jy

maak jouself rustig bekend aan my – in
die weelde van ervaring strek ek my uit. dis
asof jy dieper in my is, ek stiller, asof ons
met groter heelheid kom. hoe verset mens

jou teen die gemaklike uitweg wat oudword bloot
tot metafoor van die dood verstom? hoe en waarmee
verwerf’n mens die woordeskat van ouderdom?

Ik weet echt niet hoe ik het zeggen moet
je verwinterde getrimde baard is misschien
te nà, mij voor taal te dichtbij, te kiezelgrijs

ik weet werkelijk niet hoe ik je ouder wordende lijf moet weergeven
zonder de woorden ‘verlies’ of ‘fataal’. Ik heb geen idee
ik weet niet waarom het woord ‘rimpels’ zo banaal klinkt
ik weet niet hoe ouder worden moet klinken in taal

de irissen van je beruchte blauwe ogen
zijn intussen doordesemd geraakt met groen
maar dan stamelender en inniger – twee

blijvende koelten die mij een leven lang liefhebben
mijn wijsvinger trekt je wenkbrauwen na
waaruit haren groeien als bliksemschichten
gezicht dat ik liefheb: gezicht van verwering

als ik je tegen me aandruk voelen je haren als dons
je hoofdhuid verbaast me om zijn textuur – evenals
de lange groeven die van je oren naar je hals lopen

de mond die geniaal aan mootjes hakte rust nu
geurig tegen mijn slaap genadig als brood
je handen laten mijn borsten als glazen donkere
wijn in hun palmen zinken misschien wil ik wel zeggen

dat ik je dikke buik zo sexy vind
dat een erectie tegen de lichte glooiing
mij het water in de mond doet lopen misschien wil ik

wel zeggen dat ik mij voor de eerste keer
kan overgeven aan je dijen vanwege hun weke
witheid, dat ik het zachte lubberen van je billen
liever heb dan de jonge harde opgefokte geilheid

van vroeger het gaat je bij seks niet meer
om jezelf, maar om mij het gaat
je niet meer om de voortplanting, maar je

wijdt je in alle rust aan mij – in
deze schat aan ervaring strek ik me uit. het is
alsof je dieper in me gaat, ik stiller word, alsof we
in alle heelheid klaarkomen. hoe verzet je

je tegen de gemakkelijke smoes die oud worden botweg
tot metafoor van de dood vermomt? hoe en
waarmee
kom je aan de woordenschat van de ouderdom?

Antjie Krog
Lijfkreet gedichten
Uitgeverij Podium, 2006
Oorspronkelijke titel: Verweerskrif

De communicatiesituatie
Allereerst is het noodzakelijk om het gedicht te situeren alvorens wij haar kunnen analyseren en uiteindelijk haar krachtige werking hopelijk te kunnen ontmantelen. Daarom plaatsen we het gedicht in de communicatiesituatie waarin zij aan mijn horizon verschijnt.

Als men dit gedicht leest, bevindt men zich in een communicatiesituatie, net zoals bij het lezen elke andere tekst of bij het uitvoeren van welke andere talige activiteit dan ook. Op welke manier een tekst binnen deze situatie fungeert, verschilt wel per tekst. Dit verschil is volgens Roman Jakobson gelegen in de verschillende functies die aan de hand van zijn communicatiemiddel[1], aan een tekst toegekend kunnen worden.

De functies die Jakobson onderscheidt, beschouwt hij als deel van de tekst zelf. Eén van de functies die Jakobson onderscheidt binnen dit model,  is de poëtische functie, welke de dominante functie is van een literaire tekst. Het poëtische van een tekst is daarmee een deel van de tekst zelf. Daardoor is er voor de theorie van Jakobson geen lezer noodzakelijk die het poëtische aspect van een tekst als zodanig losziet in die tekst. Het poëtische en daarmee de gruwelijke werkelijkheid van dit gedicht, bestaat dus ongeacht of de lezer dit gedicht ter handen neemt of niet.

Bovendien is er daardoor geen performativiteit[2] vanuit de tekst die bij de lezer plaatsvindt; de tekst werkt in en op zichzelf. Het ontvangst van de tekst door de lezer maakt daardoor geen verschil voor de literaire betekenis van de tekst. Je leest dus nietsvermoedend een gedicht, want gedichten zijn mooi. En dan word je geraakt door de gruwelijkheden die in dit gedicht plaatsvinden: een bejaarde spreekt haar seksualiteit uit. De afgrijselijkheid van het gedicht is dus eigen aan het gedicht zelf: de auteur is gewoon ziek, echt ziek! Met andere woorden: het ligt niet aan u of mij.

Receptietheorieën
Echter Jakobson is al oud en heeft niet het laatste woord. Jakobsons benadering van de literaire betekenis van een tekst binnen het communicatiemodel staat tegenover de diverse receptietheorieën die de literaire betekenis beschouwen als gegeven door de lezer. Deze receptietheorieën plaatsen de tekst ook binnen de communicatiesituatie, maar zij maken de literaire betekenis van een tekst lezerafhankelijk. Dus beste lezer wees niet bang: u hoeft niet aan uw geestelijke gezondheid te twijfelen. Aan de hand van Jane Tompkins[3] begeven wij ons door de ontwikkelingen van de receptietheorieën. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden…

Een aantal van de door haar weergegeven theorieën ontkennen de mogelijkheid van objectiviteit van een tekst. Bij die theorieën is de performativiteit van de tekst iets wat bij de lezer plaatsvindt. Tevens kan men dan een tekst interpreteren op basis van deze performativiteit.

Zo geeft Tompkins aan hoe de betekenis van een tekst bij Riffaterre een functie is van de respons van de lezer. Voor hem geldt: als de lezer van het gedicht niets merkt van de gruwelijkheden, hoeft er niet gegruweld te worden. Maar helaas zijn voor Riffaterre daarbij performativiteit en literaire betekenis van een tekst nog niet gelijk. De respons van de lezer dient meegenomen te worden in een correcte beschrijving van de betekenis. Bij een dergelijke beschrijving, zijn de linguïstieke kenmerken van de tekst wel belangrijk, omdat daarmee de emotionele en intellectuele activiteiten van de lezer, de performativiteit van de tekst dus, benadrukt worden. Door deze activiteiten te benadrukken heeft de taal volgens Riffaterre meer macht op de betekenis dan de lezer. Kernbegrippen bij zijn beschrijving van de kenmerken van een tekst zijn voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid voor de lezer. We kunnen onszelf, net als menig ander, nu opwerpen als slachtoffer van de tekst. En wie wil dat nu niet?

Hoe de kernbegrippen voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid bij het respons van de lezer werken, blijkt uit mijn persoonlijke lezing van het hier besproken gedicht. Ik voelde me totaal ongewaarschuwd blootgesteld aan het bloot van bejaarden, aan hun seksualiteit – ik bibber nog steeds! In mijn interpretatie van het gedicht is de onvoorspelbaarheid niet zozeer te vinden in de linguïstieke kenmerken, als wel in het thema van het gedicht – de seksualiteit van bejaarden.

Tegelijkertijd is dit gedicht mogelijk volledig voorspelbaar voor een andere lezer,die qua leeftijd en achtergrond meer gelijk is aan het lyrisch subject in het gedicht. De mogelijkheid tot herkenning is iets wat wij ingeprogrammeerd krijgen – hoe meer slachtoffer van de situatie en dus van het gedicht kun je worden?

Er is binnen de literatuurwetenschappen geconstateerd dat er veel slachtoffers zijn door het lezen aan de hand van de opgegeven standaard oftewel onze programmering. Zo toont Maaike Meijer deze programmering aan met de manier waarop vrouwen lezen. Vrouwen lezen namelijk als mannen  Dit omdat de man de standaard lezer van onze cultuur was. Meijer bespreekt dit met een ander doel. Haar doel is namelijk aan te tonen dat het niet mogelijk is om uit te gaan van één canon, doordat andere lezers andere literatuur tot de canon vinden behoren. Er zouden dus meerdere canons zijn die behoren tot de eigen gemeenschap, de leefsituatie, het geslacht, de leeftijd en de achtergrond van de lezer. Maar wat Meijer ons in ieder geval leert is dat we zelfs gedwongen slachtoffer van deze tekst zijn! Wij kunnen het niet helpen dat wij hebben geleerd te lezen zoals de standaard 25-35 jarige witte Europese man – niet als een bejaarde die seks wil.

De begrippen voorspelbaarheid en onvoorspelbaarheid zijn daarnaast belangrijk voor het onderscheid tussen geschiedenis, verhaal en fictie. De voorspelbaarheid van een tekst geeft betrouwbaarheid door middel van onze herkenning, zoals ik de herkenning miste in de expressie en van de situatie van het lyrisch subject in het gedicht. Ter illustratie kijken we naar de weergave van een gebeurtenis zoals we die vinden in een krant. Die weergave hoeft niet per se waar te zijn. De tekst uit een krant kan zelfs verzonnen elementen bevatten en toch is het nog geen fictie. Of men de tekst als waar beschouwt,hangt samen met de voorspelbaarheid van de manier waarop de ‘feiten’ in de tekst zijn weergegeven. Herkenning vindt dan plaats in de manier waarop de feiten gepresenteerd worden, de vorm die de tekst heeft. Zo zijn we geneigd een verhaal in een krant als waar te beschouwen, door het gebruik van de vormgeving, schrijfstijl en het gebruik van een bron. Zelfs de specifieke krant waarin het verhaal verschijnt draagt bij aan de geloofwaardigheid ervan.

Op een zelfde wijze hebben wij voor fictie ook ingeprogrammeerde manieren om de betrouwbaarheid te herkennen. In onze cultuur bevatten literaire teksten vaak verzonnen elementen. Die teksten noemen we fictionele teksten. Onze eigen cultuur heeft ons daarmee een bepaling van fictionele teksten gegeven, die wij hanteren in onze pogingen fictionele teksten van objectieve teksten te onderscheiden. Hierbij dienen wij de door ons ervaren werkelijkheid, zoals gezien vanuit onze eigen cultuur, aan te nemen als absoluut gegeven, de waarheid. Met dit onderscheid heeft fictie een afgebakend gebied toegewezen gekregen.

Een tekst die niet tot dat gebied behoort is objectief teksten zoals teksten die over een geschiedenis gaan. Dit laatste voorbeeld is juist hetgeen wat ons kan leren over hoe wij de performativiteit van dit gedicht kunnen ontmantelen. Want hoe meer wij ‘geloven’ in de werkelijkheid van de tekst, hoe meer zij een werkelijkheid probeert te beschrijven zoals een geschiedkundige tekst. Wat wij normaal gesproken beschouwen als de geschiedenis – zoals die is weergegeven in een tekst – is een representatie van de werkelijkheid. Het is een representatie van hetgeen wat heeft plaatsgevonden. Die representatie vinden we terug in een verhaal, wat een logische en chronologische ordening kent. Een dergelijke representatie heeft volgens Barthes een werkelijkheideffect[4]: het creëert een werkelijkheid. Daarbij maken de details het verhaal meer werkelijk. En daarmee is de geschiedenis in feite dus gelijk aan fictie. Zo zijn zij beiden in staat een werkelijkheid te creëren en beiden bevatten ze geen waarheid. Van fictie hebben wij echter andere verwachtingen dan van de geschiedenis. Wij verwachten van fictie juist de verzonnen elementen en de onvoorspelbaarheid.

Zo is voor mij ook de performativiteit geweest van dit gedicht. In het gedicht wordt de leeftijd ook met omschrijvingen van het verouderde lichaam getoond, zoals bijvoorbeeld ‘die sagte losheid van jou boude’ (regel 27). Barthes stelt dat sfeer en karakter structuur krijgen door details. Met het hier besproken detail kan de auteur van dit gedicht misschien enkel de intentie hebben gehad om de expressie van diens onvrede of noodzakelijke omgang met de situatie zijn geweest, maar de vraag is natuurlijk hoe de lezer dit gedicht ontvangt. Daaraan gerelateerd is de vraag hoe de lezer omgaat met de details van het gedicht. De lezer hoeft dit gedicht niet te lezen als realistisch en kan de details van het gedicht dus ook als verzonnen beschouwen. Een tekst op een bepaalde manier lezen, ofwel welke leeshouding de lezer hanteert, is een keuze van de lezer.

Het genoemde voorbeeld is een detail wat niet overbodig is en misschien wel ongewenst is voor de lezer. Ongewenst omdat het een ongekende kant van het leven op die leeftijd laat zien. Onbekend als die kant is, kan het gedicht fictie zijn voor mij, maar bij dit gedicht heb ik ervoor gekozen de werkelijkheid die het de mogelijkheid geeft, als realistisch te beschouwen en op die manier om het gedicht ruimte te geven voor haar performativiteit.

De performativiteit van dit gedicht heeft voor mij de werkelijkheid uitgebreid. Daarmee heeft het gedicht mij geconfronteerd met de gruwelijke werkelijkheid die de ouderdom is. En er is geen kabinet dat hier iets tegen doet! Het is aan een volgende lezer zelf om het gedicht niet realistisch te benaderen, maar juist als iets fictiefs, opdat deze angstinboezemende confrontatie hem of haar bespaard blijft.


[1] Jakobson, R. (1966): ‘Linguïstiek & Poëtica’, in: Barend van Heusden, Wouter Steffelaar, Peter Zeeman (red.), Literaire Cultuur. Tekstboek, Nijmegen: OUNL/SUN, 2001, p.22-33.

[2] Dit begrip is oorspronkelijk geïntroduceerd door J.L. Austin en behelst sinds haar introductie het volgende. Van oudsher werd als taaldaad gezien die uitspraken die bepaalde feiten vaststelden. Austin beargumenteerde dat een taaldaad die niet iets vaststelt  niet betekenisloos is, in tegendeel: een taaldaad kan ook een handeling zijn. Het spreken wordt daarmee de handeling. Sinds het ontstaan van dit begrip is er het nodige bediscussieerd over bij wie de performativiteit plaatst vindt, bij de lezer of bij de tekst. In de hier plaatsvindende analyse is dit begrip dus relevant voor de vraag in hoeverre dit gedicht ons daadwerkelijk misselijk probeert te maken.

[3] Jane P. Tompkins, Reader Response Criticism: From Formalism to Post-Structuralism, 1980

[4] Roland Barthes, The Rustle of Language, 1986

Verdere Bronnen:

  • Roman Jakobson, Tekstboek algemene literatuurwetenschap, 1960
  • Jane P. Tompkins, Reader Response Criticism: From Formalism to Post-Structuralism, 1980
  • Maaike Meijer, De Lust tot Lezen, 1988
  • Jan Luxemburg, Mieke Bal, Willem G. Weststijn, Inleiding in de literatuurwetenschap, 1987
  • Roland Barthes, The Rustle of Language, 1986

Literatuurwetenschap

 
 
 

1 reactie tot nu toe ↓

  • 1 Jannie Kraaijeveld // 14 jul 2009 at 14:36

    Dag Sharon,

    Ik heb met veel interesse je analyse van het ergste…. gelezen in de “Thauma”nr.2, 2008-2009. Je kunt heel goed schrijven en gefeliciteerd met je prijs!. Heel knap om over dit thema te schrijven op jouw leeftijd. Ik wil je graag een antwoord geven op : “tegelijkertijd is dit gedicht mogelijk volledig voorspelbaar voor een andere lezer, die qua leeftijd en achtergrond wellicht meer gelijk is aan het lyrisch subject in het gedicht(p.20).

    Ik werd, in tegenstelling tot jou, niet misselijk van dit gedicht. Integendeel, waar Antjie Krog ( of beter het lyrisch subject) aan het begin van het gedicht zegt: “hoe zegt een mens dit, ik weet werkelijk niet hoe ik dit moet zeggen (vrij vertaald), vind ik dat ze heel goed de woorden gevonden heeft die bij de ouderdom passen : deurgewinterde (prachtig woord), grijs, verlies, fataal, plooie. De mooiste versregel is voor mij: “maar jij maakt jezelf rustig bekend aan mij- in die weelde van ervaring strek ik mij uit”. Het is, naar mijn idee, een groot liefdesgedicht van een oudere vrouw, die er goed in is geslaagd de woorden te vinden voor het ouderwordende lijf van haarzelf en haar geliefde.
    Misschien omdat we nu in een tijdperk leven van jong, snel, knap, rimpelloos en anders correctie, is dit gewoon een eerlijk gedicht toch?
    Verder moest ik bij dit gedicht denken aan de ex-vrouw van David in “Disgrace”van J.M. Coetzee, waarin zij tegen hem zegt op p. 44: “You’re what- fifty-two? Do you think a young girl finds any pleasure in going to bed with a man of that age?”
    Ik denk dat die ex ( Rosalind) gelijk heeft. Voor een jonge, strakke vrouw moet het inderdaad niet zo aardig zijn om met zo’n “plooie”man in bed te liggen.

    Er is nu eenmaal voor ieder mens een tijd van groeien, bloeien en verwelken.

    Sharon, ik hoop dat je nog meer schrijft, want ik vind dat je de gave van de pen hebt. Alvast bedankt voor je analyse van dit gedicht en ik wens je veel succes voor de toekomst.
    Hartelijke groet,
    Jannie Kraaijeveld, contract student Wijsbegeerte.

Reageer

Comment: