Geachte aanwezigen,
Alvorens ik hier aanvang wil ik allereerst mijn dank betuigen voor dat ik hier mag spreken over de discussie tussen Rorty en Habermas. Zij zijn echt hedendaagse filosofen en niet alleen omdat zij in de twintigste eeuw geboren zijn. Zo hebben ze naast het soort filosofie dat zij bedreven ook een nieuwe stijl gehanteerd. Althans, ik heb het als een vernieuwing ervaren dat zij in latere werken rechtstreeks op elkaar zullen reageren. Het essay van de een wordt daar gevolgd door het essay van de ander als reactie. Meestal moet je toch redelijk zoeken bij de ander, tussen diens regels doorlezen en dus ook minimaal twee boeken aanschaffen.
Bovenal waren deze twee tijdgenoten vrienden. Misschien kunt u zich het wel voorstellen wat voor vurige discussies zij gevoerd moeten hebben: tezamen filosofie bedrijven tot in de late uurtjes van de nacht. Helaas is het door het ontbreken van gedegen onderzoek niet mogelijk om precies aan te geven waar deze twee vrienden en filosofen voor het eerst echt met elkaar in debat traden en welke invloed zij met de jaren op elkaars werk hebben gehad. Wel is zeker dat zij elkaar tijdens een congres in 1974 leerde kennen en dat Habermas toen in ieder geval nog niet bekend was met het werk van Rorty. Voor de rest zijn we op dit moment overgeleverd aan enkel hun beider gepubliceerde werk.
Waarom deze twee filosofen alhier bespreken?
Ik wil hen alhier bespreken omdat ze mijn inziens ook karakteristiek zijn voor de contemporaire ontwikkeling van het onderscheid tussen continentale en analytische filosofie. Ze gingen een felle discussie aan en voor ons als latere lezers kan het soms lastig om een inhoudelijk onderscheid te maken. Zo worden deze filosofen door sommige in één adem benoemd als neo-pragmatisten. Gelukkig hebben ze ook over het onderscheid tussen hen beiden gediscussieerd, dus we hoeven onszelf niet geheel als verloren te beschouwen. Het verschil tussen beide is belangwekkend, maar niet eens hetgeen dat hun zo toepasselijk maakt voor deze bespreking.
Zowel Habermas en Rorty hebben zich al gevestigd als filosoof tegen de tijd dat zij elkaar leren kennen. Zo vangt Rorty’s academische carrière aan in het bolwerk van de analytische filosofie: Princeton University en stond hij aanvankelijk ook te boek als een uiterst analytische denker. Rorty vestigt zijn naam in 1967 met zijn boek The Linguistic Turn. De carrière van Rorty kent een significante wending. Rorty vertrekt vanuit de hardcore analytische filosofie om zich meer en meer bezig te gaan houden met sociale en politieke theorie. Volgens sommige is Rorty zelfs geen analytische filosoof meer. Het is tijdens die ontwikkeling dat Habermas in Rorty’s beeld verschijnt.
Habermas daarentegen komt juist uit een bijzonder continentaal nest, de Frankfurter Schule. Hij vestigt zichzelf met Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962) en hij zal later vooral bekend zijn om zijn communicatie theorie. Habermas kan niet zonder meer tot de continentale filosofen worden gerekend. Ja, hij speelt met vuur, het pragmatische vuur, maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat hij de continentale filosofie afwijst, zoals ik dan ook hoop te laten zien.
Na hun eerste ontmoeting kennen zij beiden nog een lange carrière gekenmerkt door een hoge productie. De lijst publicaties van zowel Rorty als Habermas is eindeloos. Gedurende de jaren tachtig en negentig komen er langzaam aan meer en meer lezingen, essays en boeken met steeds meer besprekingen van elkaars werk. Helemaal aan het begin van hun onderlinge discussies staan de teksten Die Philosophie als Platzhalter und Interpret van Habermas en Solidarity or Objectivity? van Rorty. Juist in deze teksten tekenen de verschillen tussen beide zich hier nog fel af tegen de achtergrond van hun latere steeds diepgaandere samenkomst. Met andere woorden: de individuele achtergronden, dus de continentale en analytische, zijn hierbij goed zichtbaar.
Een Geschiedenis
De discussie die zij voeren gaat namelijk over hun eigen en gezamenlijke filosofische geschiedenis. Althans, ze interpreteren de geschiedenis van de filosofie op verschillende wijze. Daarom zie ik mij genoodzaakt om u allereerst een korte weergave van die geschiedenis in Philosophy and the Mirror of Nature.
Daarin geeft Rorty zijn historische weergave van de discussie over het doel en de daarvoor benodigde vorm van de filosofie. Hij bespreek daartoe de opkomst van de analytische filosofie. Beginnend bij Aristoteles, die de eerste filosofie onderscheidde, de filosofie die zich bezig hield met zijn van het zijnde, de metafysica. Bij Aristoteles droegen de dingen de waarheid in zich, de aristotelische essenties.
Tot aan de middeleeuwen bleef dit aristotelische wereldbeeld gevestigd. Kant geeft ons dan een kennistheorie die de funderingen hebben gelegd voor ons hedendaags denken. Het ging hem om de pure rede. Kant ging op zoek naar de fundering van kennis opdat we onze cultuur, ons mens-zijn vorm konden geven.
Voordien nam men aan dat al onze kennis zich moest richten naar de objecten, maar alle pogingen om onze ervaringskennis te funderen waren niet gelukt. Zodoende moest men volgens Kant alleen nog uitgaan van de a priori kennis. Daarmee kwam het subject dus centraal te staan. Kants kritiek van de rede bleef het gezochte fundament voor de filosofie. Zo werd in het begin van de twintigste eeuw deze claim herbevestigd door denkers als de continentale Husserl.
Husserl benadrukt dat het voor de menselijke cultuur van het hoogste belang is dat de filosofie als strenge wetenschap wordt nagestreefd. Om deze strenge wetenschap te bereiken bestrijdt Husserl bepaalde ideeën, omdat deze tekort schieten bij de theoretische pretenties van een wetenschap.
Zo ook het Naturalisme. Dat is gegroeid met Hegels filosofie, die zich niet meer fundeert op de kritiek van de rede, aldus Husserl. Volgens hem is er sprake van een naturalisatie van het bewustzijn, wanneer men zich laat leiden door een kentheorie op basis van de empirie. Het kan niet zo zijn dat wij uitgaan van een natuurlijke werkelijkheid waar de menselijke geest deel van uitmaakt en welke door die geest op natuurlijke wijze gekend kan worden. Immers, dan moet die kentheorie aangenomen worden om vervolgens weer ontkend te worden als de premisse van onze kennis.
Met andere woorden: het naturalisme binnen de wetenschap formuleert geen fundamentele kritiek op de ervaring waarop zij zelf stoelt, als geheel. De wetenschap kan de vragen opgeroepen door haar handelen niet beantwoorden. Vragen naar de voorwaarden voor die ervaring is immers een kentheorie.
Volgens Rorty werd de filosofie met het streven naar een wetenschappelijkheid, minder verbonden met de andere gebieden van de cultuur en zo werd het dat de ‘pretenties’ van de filosofie absurd leken. Zowel de analytische filosofen als de continentale deden pogingen om wetenschappelijke activiteiten te funderen en te bekritiseren. Daardoor werden de filosofen juist weggejaagd van die wetenschappelijke praktijk. Rorty neemt afstand van de funderingswensen van de moderne filosofische traditie, zoals deze in haar begin afstand nam van de dromen van essenties van de antieke filosofie.
De moderne filosofie richtte zich op het verkrijgen van zekere kennis, uitgaande van het subject dat die kennis kan verkrijgen. Het probleem voor de moderne filosofie daarbij was de relatie tussen de kennis en de aan het subject externe wereld, de zekerheid van de kennis als accurate representatie van de werkelijkheid.
Dit is wat Rorty de Mirror of Nature noemt. Deze ‘afbeelding’ van de werkelijkheid die wij in onze geest hebben, bevindt zich in het centrum van de moderne filosofie, in de epistemologie. De moderne filosofie veronderstelde deze ‘afbeelding’ beter te kunnen kennen, dan de daadwerkelijke werkelijkheid. Zodoende zit het probleem van de externe wereld ook zo diep geworteld in de moderne filosofie. Dat is niet meer het geval bij de filosofie die Rorty voorstaat.
De nieuwe filosofie is pragmatisch. Rorty introduceert een interessante variant van het pragmatisme. Hij werpt de verworvenheden uit het verleden niet weg; wel legt hij zich resoluut neer bij het paradoxale karakter van het naturalisme. Daarom moet het streven naar de absolute fundamenten, verwisseld worden voor het leveren van een nuttige bijdrage aan de discoursen die onze maatschappij vormen en sturen tot een zo groot mogelijke consensus.
De nieuwe pragmatische filosofie is een project van de verbetering en vernieuwing van onze sociale concepties, opdat deze concepties opgenomen kunnen worden in ons dagelijkse bestaan. Zo is het dus de bedoeling om voor ons begrip ‘kennis’ een zo strikt en duidelijke mogelijke definitie te geven, zodat wij gebaseerd op die definitie onze kennis kunnen uitbreiden. Uiteindelijk dienen we te komen tot een duidelijke en waar mogelijk verbeterde en vernieuwde conceptie van de filosofie als geheel. Tot zover mijn grove schets van de geschiedenis van de filosofie zoals Rorty die vijf jaar na hun eerste ontmoeting in 1979 beschrijft.
De filosofie als stadhouder en interpreet
Drie jaar later, in 1981, spreekt Habermas een lezing uit getiteld: Die Philosophie als Platzhalter und Interpret. Daarin verwoord hij zijn kritiek en benadrukt hij bovenal dat Rorty een relativistische visie heeft op de filosofische traditie sinds Kant. Habermas herbevestigd het geloof van Husserl in Kants filosofie als kritiek van de rede.
Habermas ziet nog genoeg samenkomsten van theorie en praktijk voor een belangwekkende rol voor de filosofie. De wetenschappen zelf stoten steeds meer elementen van wereldbeelden af en zien af van een interpretatie van natuur en geschiedenis als geheel. Dit roept bemiddelingsproblemen op in de sfeer van de wetenschap, moraal en de kunst. Hier ontstaan tegenbewegingen, die niet-objectieve gezichtspunten toelaten en zo begint de discussie.
In de communicatieve praktijk van het dagelijkse leven lopen cognitieve betekenissen, morele verwachtingen, expressies en waarderingen door elkaar heen. Zij hebben voor een verstandhouding met de leefwereld een culturele overlevering over de gehele breedte nodig, en niet alleen de zegening van de wetenschap.
Zo zou de filosofie haar betrokkenheid op de totaliteit kunnen actualiseren in de rol van een interpreet die op de leefwereld gericht is, door middel van het bieden van hulp en het weer in beweging zetten van de wetenschappen. De filosofie moet haar rol als plaatsvervanger en interpreet nemen. Zo onderhoudt zij ‘in ieder geval een thematische relatie met het geheel’. Er is een filosofie nodig die zich nog niet van het thema van de rationaliteit heeft afgewend, en welke zich nog niet vrijgesteld heeft van een analyse van de voorwaarden van het onvoorwaardelijke van de waarheid.
Habermas ziet dus een filosofie die helpt de menselijke cultuur op te bouwen en die helpt dichterbij de waarheid te komen. De filosofie kan en moet haar redelijkheidsaanspraak in de bescheidener functie van plaatsvervanger en interpreet handhaven.
Habermas over Rorty
Habermas ziet Rorty de redelijkheidsaanspraak liquideren en daarom plaatst hij hem in een historische lijn met als voorganger Ludwig Wittgenstein. Hij initieerde de filosofie als therapie. Zo noemde Wittgenstein de filosofie zelf de ziekte waarvan zij zich moet genezen. Het zijn taalspelen dooreen gehaald. De filosofie die zich zelf tot verdwijnen brengt, laat zo tenslotte alles zoals het is. De opvolger van de filosofie is voor Wittgenstein het cultureel antropologische veldonderzoek: de geschiedenis van de filosofie.
Habermas geeft aan dat met deze therapeutische benadering, de wens naar de culturele vorming wel ten koste gaat van de wens naar waarheid. En belangrijker nog is dat de rede van Kant zo een noodzakelijk goed blijft. Dit omdat ook een pragmatische filosofie die haar grenzen beseft zich niet kan bezighouden met vormende gesprekken aan gene zijde van de wetenschappen zonder spoedig weer te geraken in het spoor van de argumentatie, dat wil zeggen in het spoor van de rechtvaardigende rede.
Volgens Habermas zou Rorty ons eraan doen twijfelen of de filosofie werkelijk de door Kant aan haar toegedachte rollen van plaatstoewijzer en rechter kan uitoefenen. De filosofie zou dan volgens Rorty voor haar nieuwe bescheidenheid moeten betalen met haar aanspraak van redelijkheid.
Solidariteit of Objectiviteit?
In dezelfde maand dat de lezing van Habermas gepubliceerd wordt, in januari 1983, spreekt Rorty een lezing uit getiteld: Solidarity or Objectivity? Daarin zet hij het verlangen naar objectiviteit tegenover het verlangen naar solidariteit. Beide zijn manieren om de zin van het leven in een ruimere context te plaatsen. Het verlangen naar objectiviteit is de wens van de mens om zichzelf in een directe relatie met de niet-menselijke werkelijkheid te plaatsen (correspondentierelatie). Om de solidariteit een universeel karakter te geven wil men haar funderen in objectiviteit, dat wil zeggen in de bovenhistorische menselijke natuur. Daarbij is er dus nog steeds sprake van een verlangen naar objectiviteit.
Relativisme of Pragmatisme?
Die objectieve correspondentierelatie is onhaalbaar volgens Rorty, omdat daarvoor de menselijke geest als spiegel voor de werkelijkheid moet fungeren. Dit terwijl de menselijke geest juist intern is aan dezelfde correspondentie-relatie.
Volgens Rorty is een etnocentrisch standpunt vereist tot de andere overtuigingen. Dat etnocentrisme schrijft Rorty toe aan de pragmatisten. Zij zijn aanhangers van de solidariteit en sluiten zich bij William James aan dat de waarheid dat is wat goed voor ons is om te geloven. De pragmatisten geven geen uitsluitsel wat de correspondentierelatie betreft, maar dat is ook niet noodzakelijk. De pragmatisten zien het begrip ‘waar’ als flexibel. Het subject kan iets als ‘waar’ beschouwen in diens cultuur, waarmee dus een relatie ontstaat tussen het begrip van het subject en de gemeenschap waarbinnen het object zijn plaats heeft.
Rorty’s afwijzing van het Relativisme
Rorty’s afwijzing van objectiviteit zou het contact met de ‘ware’ werkelijkheid verbreken. Zo oogt het wanneer het pragmatisme enkel gezien wordt als een manier om zoveel mogelijk intersubjectieve overeenstemming te creëren. De objectiviteit kan dan geen stand meer houden en lijkt het relativisme op de loer te liggen.
Rorty zelf wijst er al op dat dit genuanceerd moet worden. Het relativisme bevat drie definities, waarbij alleen de derde definitie van toepassing is op de pragmatisten. Zo is iedere overtuiging voor het relativisme even goed als alle andere overtuigingen. Rorty geeft aan dat deze overtuiging zichzelf weerleggend is. Ook is het begrip ‘waar’ ambigu met evenveel rechtvaardigingsprocedures als betekenissen. Dit is volgens Rorty een overspannen denkwijze. Als derde definitie stelt Rorty: er kan buiten de beschrijving van bekende rechtvaardigingsprocedures om niets over waarheid en rationaliteit gezegd worden. Nadrukkelijk stelt Rorty dat een etnocentrische benadering van menselijke kennis en de mogelijkheid van die kennis, niet gelijk is aan een relativistische benadering.
Habermas als pragmatist
Opmerkelijk genoeg is in Rorty’s eerdere werk uit 1979 geen directe verwijzing naar Habermas te vinden, terwijl hij nu een eerste visie op Habermas denken toont. In dezelfde tekst laat Rorty zich uit over de waarheidsbegrip van Habermas, welke hij bestempeld tot een pragmatische. Rorty plaatst Habermas’ waarheidsopvatting in de categorie waarin men streeft naar solidariteit in de objectiviteit. En van belang is: “…te onderkennen dat het pragmatische waarheidsbegrip losstaat van Habermas’ voorstelling van een ‘ideaal vrije gemeenschap’”, aldus Rorty.
Rorty bekritiseert die ‘ideaal vrije gemeenschap’ van Habermas als een ‘niet voldoende etnocentrische begrip’. Volgens Rorty bevindt Habermas zich dus niet onder de objectivisten, maar onder hen die naar solidariteit streven door die solidariteit te funderen op de objectiviteit. Rorty plaatst Habermas dus in precies dezelfde lijn in de filosofie, waar Habermas nog eerder los van probeerde te staan. Wat blijft is Rorty’s visie dat Habermas een van zovele pogingen doet om de filosofie of de kritiek van de rede te zien als een manier om de ware werkelijkheid te kennen.
Fundamentele punten
Ik heb hier aan het begin aangegeven dat zij karakteristiek zijn voor de hedendaagse ontwikkeling van het onderscheid tussen analytische en continentale filosofie. Ze belichten en verdedigen namelijk de ideeën die aan hen zijn overgeleverd. Maar mede door hun onderlinge debat, zijn ze niet meer als sec analytisch of continentaal te beschouwen. Tegelijkertijd toont een analyse van hun werk duidelijk een onderscheid. Ik heb gepoogd dit te laten zien met een korte bespreking van hun werk twee belangwekkende punten.
Er is namelijk een fundamentele overeenkomst en een minstens net zo fundamenteel verschil tussen beiden, waardoor wij de contouren van de hedendaagse kloof tussen de continentale en analytische filosofie in beeld kunnen krijgen.
Zo kan als fundamentele overeenkomst genoemd worden dat hun beider gedachtegoed gekleurd is door een streven naar een betere wereld. Hun persoonlijke bijdrage daarvoor is aan beide kanten van de wereld het voeren van het debat.
Bij zowel Rorty als Habermas hebben dat dit streven naar een nuttige filosofie hoog in het vaandel zit. Ook beschouwen beiden de rationele mens als verantwoordelijk voor een betere samenleving. Het is prettig om te merken dat er filosofen zijn die de best mogelijke toekomst van de mensheid voor ogen hebben. Met het oog gericht op die toekomst lijkt de kloof tussen de continentale en analytische filosofie onbelangrijk. Tegelijkertijd komt zij ons voor als cruciaal voor de vorm die gegeven wordt aan de ambacht van die toekomst vervaardigen. Wanneer u hun visie op de geschiedenis van de filosofie in beeld probeert te krijgen, dan doemen zij op. Habermas ziet een filosofie die haar rechtmatige positie in haar gepaste glorie moet verkrijgen. Rorty ziet zichzelf in de ontwikkeling van de filosofie tot een nuttige ambacht. Wat rigoureuzer, maar zeker niet minder gefocused op de toekomst.
Daarnaast is er zelfs een wezenlijk verschil. Zo wil Habermas wel een pragmatische waarheidtheorie. Maar in tegenstelling tot Rorty wil hij wel vasthouden aan ‘een moment van onvoorwaardelijkheid’ van het idee van waarheid.
Hier is de grens. Het draait uiteindelijk allemaal om de waarheid. En mijn inziens is het onderscheid tussen de analytische en continentale filosofie een nuttig middel om dat aan het licht te brengen. Maar je kunt natuurlijk ook van mening zijn dat het enkel het toonbeeld van verdeeldheid is. Het ligt er dus maar aan of je een pragmatische benadering van dit begrip wilt of kunt omarmen.

1 reactie tot nu toe ↓
1 gerard kind // 7 Feb 2010 at 15:39
Hallo Sharon,
Waarheid is een begrip dat beter kan verdwijnen uit de filosofie en worden vervangen door ”kennis”. Dit om de praktische reden dat altijd als er sprake is van Waarheid er bloed begint te vloeien.
De kwaliteit van kennis kan bv. worden beoordeeld met Popper-achtige criteria. Kennis heeft de mensheid op sommige punten vooruit geholpen, Waarheid niet!
In mijn opvatting is de taak van de filosofie steeds ”Waarheid” te ontmantelen. Waar de Waarheid is gevonden, houdt de filosofie op.
Groet van Gerard
Reageer