[dit interview is oorspronkelijk geschreven voor www.kunstwerkkopen.nl]
Met een vroeg begonnen individuele invulling van het kunstenaarschap, zoekt Peter Bastiaanssen de postmoderne onderwerpen op. Net als zijn werk is een gesprek met hem prikkelend om over de eigen invulling van het hedendaagse leven na te denken.
‘In het begin na de kunstacademie proberen de meeste nog wel met elkaar in contact te blijven, maar je wordt steeds eigenwijzer. Je wordt steeds meer gericht op je eigen wereld. Iedereen heeft creëert zijn of haar eigen ideeën over hoe het moet en dan heeft het geen echte zin meer om samen te werken.’ Zelf vertrok Bastiaanssen na zijn opleiding aan de Kunstacademie in Breda te hebben afgerond in 1987 voor een jaar naar Barcelona. Hij onderhield weinig contact en hij verteld over de wegen die hij bewandeld. Hij had een tijdje een atelier in een leeg zwembad antikraak, verbleef hier en daar in gekraakte panden – zoals iedereen in die tijd – en ondertussen bekeek hij vanuit zijn eigen positie naar de wereld van de kunst. ‘De wereld van de beeldende kunst is opgedeeld in allemaal kleine hokjes. Daar kom je niet zo maar in.’ Hoe die wereld van die hokjes zo is ontstaan weet hij ook goed duidelijk te maken: ‘Kwaliteit is nu eenmaal moeilijk te bepalen, alleen het podium waarop je exposeert zegt nog wat. En in de hokjes van de kunstwereld staat iedereen anders tegenover de kunst. Ze proberen te bepalen wat kwaliteit is. Het is ook moeilijk, veel kunstenaars zijn bezig met het scoren van een staatssubsidie of met geld verdienen naast het werk en je hebt ook nog een heleboel amateurs. Dus je gaat je richten op jouw wereldje.’
De problematiek rond de individuele wereld probeert Bastiaanssen ook te verwerken in zijn werk. ‘Mijn werk is mijn kijk op de wereld.’ Het kan grappig overkomen dat hij het precies zo stelt en ook wordt zijn werk vaak als vrolijk of grappig beschouwd, maar als hij vertelt over wat hij ziet, zullen de meeste van ons toch even slikken. ‘De mens creëert zijn eigen wereldje en dat heeft het individu nodig om te kunnen functioneren. Buiten dat kader van die gecreëerde wereld is er niets. Er zijn geen waarheden er is geen absoluutheid, er is niets. We weten niet waar we vandaan komen of naar toegaan. Het is chaos. God is doodverklaard. Als je daar niet meer op kan bouwen dan weet je niet meer waar je nog wel aan vast kan houden. Je probeert je wereldje zo in te richten dat het draagbaar is. Dat kleine wereldje aardig en gezellig ingericht, geef ik weer in mijn werk.
‘Bij mijn werk zie je bijvoorbeeld een ruimte die is gezellig is ingericht, er staat koffie, de kleuren zijn aangenaam, het lijkt erop alsof het daar prettig vertoeven is. Pas als je beter gaat kijken zie je dat het niet klopt. De schaduwen kloppen niet, er deugd niets van, de kleuren zijn net iets te vel, de pootjes zijn te dun, die hond staat stil, er staat wel koffie maar er is niemand om het op te drinken, het perspectief klopt niet en ga zo maar door. Het is een vals beeld dat geschapen wordt. Dat idee van gezelligheid, een wereld zonder angst zodat je er vertrouwd kan voelen. Als je naar je eigen wereld kijkt heel goed dan weet je dat je eigenlijk altijd bouwt op drijfzand.’
Zijn werken zijn bepaald niet de chaos, sterker nog je kunt het valse beeld niet zien als je dat niet wil. ‘Mensen zetten dit in hun vrolijke wereldje terwijl het eigenlijk een vals beeld is. Meestal lezen ze over mijn werk dus dan weten ze dat een vals beeld is en toch blijven ze er elke dag weer vrolijk van. De mensen zeggen ook vaak tegen me dat ze er vrolijk van worden. Dat vind ik uitstekend, maar het is niet per se mijn bedoeling. Uiteindelijk ben ik niet degene die kan zeggen hoe dingen passen in hun wereld, dus gun ik ze de vrolijkheid die ze van mijn werk hebben wel. Eigenlijk ben ik zelf gewoon bijna autistisch bezig om vast te leggen hoe dat wereldje er volgens mij uitziet.’
Zelf wordt hij ook blij van zijn werk, maar wel om een hele andere reden. ‘Ik word zelf ook vrolijk van het werk, als het klopt en technisch goed is dan word ik er ook blij van. Als ik aan het schilderen ben dan ben ik alleen maar bezig met compositie en kleur. Meestal komt het beeld vanzelf. Ik zet snel met een paar lijnen de compositie neer en het onderliggende verhaal ontwikkelt zich heel langzaam. Daardoor worden er ook veel actualiteiten in mijn werk verwerkt worden, globalisering, klimaatsproblemen…het dringt allemaal binnen. Filosofie vind ik ook erg belangrijk, nog wel meer dan actualiteiten. En ik verwerk ook vaak kunstgeschiedenis met naar andere schilders zoals Matisse of Van Gogh.’
Eigenlijk kan het ook niet anders dat Bastiaanssen in het postmodernisme herkent wat juist voor hem zo belangrijk is. ‘Dat gaat ook over het individu dat zijn eigen wereldje bouwt in al die toestanden. Het gaat niet meer om de vraag naar wat de mens is, maar om de vraag: Waar de mens? De mens is zijn omgeving, het Da-Sein van Heidegger en de Sferen van Peter Sloterdijk.’ Hoe de maatschappij en de kunst zich ontwikkeld hebben vanaf het moderne beeld van de mens en de kunstenaar geeft Bastiaanssen zijn inspiratie voor zijn gebruik van het thema individualiteit. ‘Iedereen is het individu, het zwarte schaap. Het gaat ook om de manier waarop men naar kunst kijkt. In het moderne denken werd de kunstenaar gebruikt als boegbeeld voor de individualiteit en vrijheid. Nu is iedereen dat. Dat is nu niet meer nodig, maar we kunnen niet terug. En we zitten ook niet te wachten op het gezeur van Balkenende. Ik ben blij met het individualisme. Ik ben blij om mezelf te manifesteren. Zelfverwezenlijking is aangenaam voor individu, maar niet altijd voor samenleving. We hebben die samenleving wel nodig.’
Het zwarte schaap waar hij naar refereert is een gedeelte van een karakteristiek element van zijn werk. ‘Terwijl we allemaal groepsdieren zijn, representeert het zwarte schaap hoe we allemaal uitzonderlijk individu proberen te zijn. De samenleving is zo complex, geen enkel individu kan alles zelf organiseren. We kunnen niet buiten de samenleving staan, de samenleving bepaald ons. Originele gedachten hebben mensen niet, alles is gekregen.’ Het zwarte schaap is representeert ons verlangen naar de eigen individualiteit. In zijn atelier staat dus ook een hele kudde zwarte schapen. Eerst gebruikte hij al een zwart hondje dat in veel van zijn werk voorkwam. ‘Die hond gaat al vanaf de kunstacademie mee. Het is de wolf waar zoveel cultuur en beschaving overheen is gegaan dat het verworden is tot een schoothondje.’ En ook maakte hij een beeld van dat hondje met daaronder de tekst: Art is a Dog. Dat beeldje stond in musea over de hele wereld. Het was meer gericht op de kunstwereld, waar de schapen meer gericht zijn op mensen in het algemeen. ‘Mijn werk ontwikkelt zich ook langzaam. Eerst was ik meer gericht op mijn eigen kleine wereld, daarna op de kunstwereld zoals ik die zie. Nu vind ik ook de maatschappelijke ontwikkelingen interessanter om te verwerken in mijn werk. Toen was ik alleen maar bezig met mijn eigen plaatje, nu ben ik mijn wereld steeds groter aan het maken.’

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer