Filosoof, columnist, schrijver en jurist Marjolijn Februari (1963) heeft niet de meest gebruikelijke stijl. Het schrijverschap betekent voor haar niet het teruggetrokken leven, verstopt van de wereld; of aan de lopende band nieuwe boeken produceren. Nee, zij wordt juist gekenmerkt door maatschappelijke betrokkenheid met een vaak onverwacht filosofisch geluid. Marjolijn Februari over de clichés van het schrijverschap.
Deze maand verscheen er weer een boek van Februari’s hand, Ons soort mensen. Het is een bundeling van haar columns die verscheen naar aanleiding van een documentaire die over haar is gemaakt. ‘Vers van de pers afgerold’, zegt ze terwijl ze een vluchtige blik werpt op haar nieuwste boek, zonder er verder veel aandacht aan te schenken. ‘Mijn vorige bundel verscheen in 2004. Dat is wel lang geleden. Er werd al eerder gevraagd of mijn columns niet weer eens gebundeld moesten worden, maar zelf ben ik niet zo bundelerig.’
De bundel is echter niet zonder reden verschenen. ‘De afgelopen week is een documentaire van Frederieke Jochems verschenen over mij. Jochems attendeerde mij erop dat men wel iets moeten kunnen vinden in de winkel als ze door de documentaire geïnteresseerd zijn geraakt in mijn werk. Ik beschouw het dan ook meer als service aan de lezer.’ Toch zijn er wel degelijk thema’s te bespeuren in haar collectie columns. ‘Door de documentaire moest er op het laatste moment een boek komen, dus het is heel snel gemaakt. Heel naïef hadden we daar nog helemaal niet aan gedacht. Het grappige is wel, dat ik een kwart van de columns heb uitgekozen om erin te doen, dat ik zelf ook wel de thema’s heb herkend. Het is niet chronologisch, maar thematisch. Een thema is bijvoorbeeld dat van ‘voorwaarts’. We moeten voorwaarts kijken en daarbij ook naar onszelf. Dat laatste misschien niet eens zozeer vanwege het feit dat we het veel beter hebben dan mensen elders, maar als algemene levensinstelling.’
Verder is het thema van de documentaire ook goed te lezen in het boek: ‘Frederieke heeft in de documentaire als thema genomen: de spanning die er voor mij bestaat tussen de dagelijkse werkelijkheid, alles in zijn individualiteit proberen te houden, en aan de andere kant die voortdurende noodzaak om zaken te ordenen, om regelgeving te creëren, mee te denken in bestuur, het abstracte dus. Toen ik mijn columns teruglas realiseerde ik me dat Frederieke dat goed gezien had. Ik denk dat een van beiden altijd maar het halve verhaal vertelt. Om het uit te leggen vat ik het altijd wel samen als Plato versus Aristoteles, de idee versus de empirie. Je kunt de hele geschiedenis van de filosofie natuurlijk uitleggen met deze scheiding als kapstok.’
Waar de filosofie zich buigt over het abstracte, constante en onveranderlijke, spreekt de literatuur bij uitstek over het individuele, concrete en onmiddellijke. ‘De literatuur is altijd met het individuele verbonden doordat de mens ook altijd een buitenmaatschappelijk bestaan is. Als mens ben je niet alleen maar een rechtssubject. Voordat de staat er überhaupt is ben je er natuurlijk gewoon; dus daar waar je gewoon als mens bent, kom je te staan voor een systeem dat we met elkaar verzonnen hebben om met elkander om te gaan. De botsing tussen beiden zie je voortdurend terugkomen in de literatuur.’ Het individu dreigt zelfs ondergesneeuwd te raken, en ze ziet daar een belangrijke taak voor de literatuur. ‘In de politiek is dat nog redelijk, maar in de kranten wordt eigenlijk alleen maar gesproken over mensen als burgers. We zijn natuurlijk niet alleen maar burgers, we zijn veel meer dan dat. Literatuur is een goede manier om dat te laten zien, die individualiteit.’
De juridische dialoog is volgens Februari als een soort brug tussen het individuele en het abstracte. ‘Rechten is natuurlijk een heel ingewikkeld onderwerp dat gaat over grondslagen, een soort gestolde ethiek met vertakkingen tot in alle haarvaten van de maatschappij. Het gaat over tot de meest concrete idiote dingen aan toe, we regelen natuurlijk steeds meer. Het ziet er over het algemeen voor mensen die niet zoveel van rechten af weten, uit alsof het gaat over wat de kromming van de banaan is die binnen de Europese Unie volgens richtlijnen en beschikkingen geregeld is. Maar als je een paar stappen terugzet kom je bij ongelooflijk filosofische kwesties uit. Het recht is echt een midden tussen beide, doordat het met haar casuïstiek voortdurend probeert in te zoomen op die individuele rechten tegenover het geheel.’
Het concrete en het abstracte constante staan bij Februari niet op gespannen voet; ze staat juist bekend om haar soepele vermenging van beiden. Zo werd haar proefschrift over economie en ethiek zelfs genomineerd voor de Gouden Uil Literatuurprijs. ‘Dat komt toch voort uit mijn idee dat het allebei moet. Over het algemeen kiest men sneller tussen literatuur maken en individuele verhalen vertellen, óf leven in een bestuurlijke carrière. Dat voortdurende heen en weer pendelen, het allebei proberen overeind te houden, betekent dat ik oog probeer te houden voor de abstractie en de werkelijkheid.’
Als veelzijdig mens betekent het niet dat ze rent van het ene in het andere, of dat ze continu bezig is haar tijd te verdelen: ‘Een schrijver belichaamt wat hij of zij doet; je schrijft vanuit wat je doet, en dat hele idee van het vrij zwevend schrijverschap met voorgeprogrammeerde methode en taal, dat vind ik het nadeel van de bepaling van de roman in de twintigste eeuw, dat het format is klaargelegd. Met het idee van schrijverschap daar zelfs bij. De grote drie, Hermans, Mulisch en Reve, hebben heel duidelijk aangegeven wat schrijverschap is: je bent een beetje knorrig mens, dat ver van de werkelijkheid verbolgen zit te zijn. De bedoeling is dat je niet echt werkt, maar dat je alleen maar schrijft vanaf een grote afstand.’ Zo zullen we Februari nooit te zien krijgen, want daar gelooft ze niet in: ‘Dat ga ik niet doen, ik houd er ook niet van.’ Muizen die weg duiken bij het minste of geringste waarvoor de handen uit de mauwen moeten, auteurs die niet de handen laten wapperen tenzij het is om hun inktvlekken te laten drogen, zijn bij Februari dus aan het verkeerde adres: ‘Dat is niet te prijzen in de meeste schrijvers, dat is het jezelf makkelijk maken. Of je er verstandiger van wordt is al helemaal betwijfelbaar.’
Februari heeft nog meer bezwaar tegen het bijna tot heilige verklaren van de schrijver. ‘Dat is een rare romantische gedachte die uit de 19e eeuw is gekomen en in de 20ste eeuw heel erg is vastgeroest.’ Er zijn filosofen en literatuurwetenschappers die een dergelijke heilige auteur proberen voor te stellen als instantie buiten de tekst. Daarmee voegen de geschetste profielen waarden toe aan de tekst. ‘Het is een karikatuur van zichzelf geworden, omdat daar zoveel over nagedacht is, en omdat die schrijver een soort personage is geworden om filosofische theorieën over te schrijven. Daarom is iedereen dat gaan invullen. De filosofen hebben gezegd: de schrijver is zus en zo, dus als je schrijver wordt ga je je zo gedragen. Er zit weinig authenticiteit meer in, het is een cliché van schrijverschap. Ik denk dat je die stem iedere keer weer opnieuw moet uitvinden en je moet afvragen: wat zit ik nu te doen terwijl ik dit aan het schrijven ben? Van waaruit schrijf en spreek ik? Dat kun je niet van filosofen lenen.’
Als zelfbewuste auteur is Februari dus niet alleen maar bezig met het verhaal, ze heeft ook oog voor het schrijverschap. Ook nu vormt zich weer langzaam maar zeker een nieuw verhaal in haar hoofd, waarbij ze wederom bij zichzelf en haar praktijkervaring te rade gaat. ‘Ik ben al een tijdje bezig met te denken over wat ik nu wil schrijven. Zelfs als ik het druk heb, zoals de afgelopen tijd, werkt het door in je geest. Het moet iedere keer weer net iets anders worden en je hebt zelf de tijd nodig om te veranderen, je moet een ander mens worden om een ander boek te kunnen schrijven. Anders schrijf je weer hetzelfde boek. Je moet groeien.’ Haar volgende boek moeten we niet morgen verwachten, want dat beperkt haar keuzes en daarmee haar groei te veel: ‘Het is iedere keer weer een ander genre. Als je ieder jaar een nieuw boek schrijft moet je ook in je genre blijven, want je kunt niet iedere keer een andere vorm uitkiezen. Voor mij hangt de keuze voor het genre heel erg samen met andere keuzes, zoals stijl. Ik wil steeds iets anders uit proberen.’
Marjolijn Februari schreef eerder:
- De literaire kring, roman, Uitgeverij Prometheus, 2007.
- Park Welgelegen, gebundelde Volkskrant-columns, Uitgeverij Querido, 2004.
- Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek, dissertatie, Uitgeverij Querido, 2000.
- De zonen van het uitzicht, roman, Uitgeverij Querido, 1989.
Haar nieuwste boek Ons soort mensen, is hier te vinden.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer