Inleiding
De gelijkheid van de vrijheid van het bewustzijn in het werk van Simone de Beauvoir (verder: Beauvoir) en Jean-Paul Sartre, is een onderwerp waar zelfs onder gespecialiseerde wetenschappers geen overeenstemming over bestaat. Zo geven Edward en Kate Fullbrook aan in hun werk[1] dat de invloed van Beauvoir op het denken en zelfs direct in het werk van Sartre vaak onderschat wordt en dat de nog ongepubliceerde correspondentie tussen beiden zou aantonen dat Beauvoir zelfs essentiële invloed heeft gehad. Die invloed zou zij hebben uitgeoefend op Sartres denken over de verhouding van de transcendentie tot de lichamelijkheid. Ook bij andere onderzoekers komt deze verhouding in meerdere of mindere mate terug als problematisch punt. Zo lezen we bij Sara Heinämaa een bewijsvoering waaruit blijkt dat Beauvoir meer dan Sartre ooit zou kunnen de lichamelijkheid heeft omarmt en dat deze lichamelijkheid gevormd is naar het idee van Maurice Merleau-Ponty[2]. Ik wil hier echter niet de lichamelijkheid bespreken, maar juist de vrijheid. Dus wil ik hier ingaan op de vraag in hoeverre de lichamelijkheid als kritiek op het denken van Sartre en diens existentiële vrijheid te lezen is. Daarbij poog ik Beauvoir te benaderen als serieuze en zelfstandige filosofe.
Voor dit laatste biedt Hazel E. Barnes enigszins de mogelijkheid wanneer zij stelt dat Sartre “…rejects the possibility of a philosophy of freedom for those who have recognized that they are existentially free and want to work toward the practical realization of freedom on the part of everyone”[3]. Volgens haar zou Sartre geen mogelijkheid zien om de existentiële vrijheid om te vormen naar een algemeen geldende ethiek, zonder dat men juist eerst de nog aanwezige praktische problemen te lijf gaat. Vanwege dat laatste zou Sartre zich gericht hebben op de literatuur, dit door middel van engagement de mensheid moet sturen naar een wereld waarin existentiële vrijheid mogelijk is.
De Lichamelijkheid en de Vrijheid
Penolope Deutscher maakt in haar bespreking van La Vieilesse duidelijk hoezeer Beauvoir benadering van de lichamelijke feitelijkheid, zoals de ouderdom, een invloed heeft op de vrijheid. Waar Beauvoir in Le Deuxième Sexe nog aangaf dat het toegeven aan de lichamelijkheid een toegeven aan zwakte was voor vrouwen, verschuift ze in La Vieillesse de morele verantwoordelijkheid meer naar de factoren die de Ander (in dit geval de ouderen) vormt[4]. Hierbij is te denken aan onder andere de manier waarop het oudere lichaam gezien wordt in de samenleving. Hier zien we de lichamelijkheid bij Beauvoir. Het is altijd in een sociaal lichaam dat we ons beperkt zien. Dit lichaam ingeperkt door onze sociale leefwereld vinden we ook bij Sartre. Zo stelt hij in zijn magnum opus L’ être et le néant:
“Mijn geboorte, in zoverre ze de manier conditioneert waarop de objecten zich aan mij onthullen (de luxevoorwerpen of de eerste levensbehoeften zijn min of meer bereikbaar, bepaalde maatschappelijke werkelijkheden verschijnen aan mij ontoegankelijk, in mijn hodologische ruimte zijn versperringen en hindernissen), mijn ras, in zoverre het door de houding van de anderen tegenover mij wordt aangeduid (ze onthullen zich als minachtend of bewonderend, als vertrouwend of als wantrouwend), mijn klasse, in zoverre die zich openbaart door de onthulling van de maatschappelijke gemeenschap waartoe ik behoor, in zoverre de plaatsen die ik pleeg te bezoeken er betrekking op hebben, mijn nationaliteit, mijn fysiologische structuur, in zoverre de instrumenten deze impliceren door de manier waarop ze weerbarstig of gemakkelijk hanteerbaar blijken te zijn en door hun tegenspoedcoëfficiënt, mijn karakter, mijn verleden, in zoverre alles wat heb ik beleefd door de wereld zelf wordt aangeduid als mijn standpunt ten aanzien van de wereld: dat alles, in zoverre ik het overschrijd in de synthetische eenheid van mijn in-de-wereld-zijn, is mijn lichaam, als noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van een wereld en als contigente realisering van die voorwaarde.”[5]
Maar Sonia Kruks toont ons dat er meer aan de hand is: Beauvoir onderscheidt twee verschillende concepten van vrijheid, te weten ontologische (of vernietende) en effectieve vrijheid[6]. Sartre zou de ontologische vrijheid van het subject benadrukken en hij zou daarbij niet de beperkingen die wij door ons lichaam ervaren, incorporeren. Hoe wij ons verhouden tot het lichaam kan niet onze verhouding tot het Niet veranderen. Onze ervaring van het Niet is in elke situatie en op elke leeftijd gelijk. Beauvoir laat in haar La Vieilesse zien dat wij een andere verhouding hebben tot onze effectieve vrijheid dan tot onze ontologische vrijheid. Het werk van Beauvoir kan dus gelezen worden als een kritiek of aanvulling op het werk van Sartre: het is een punt waar Sartre niet direct mee in tegenspraak is. En Beauvoir zoekt ook een manier om het filosofisch apparaat van Sartre in de praktijk nuttig te maken. Daarvoor komt zij tot de ontdekking dat het nodig is alle factoren de ruimte te geven, zij gaat op zoek naar de grenzen van de effectieve vrijheid en zij laat de ontologische vrijheid voor wat deze is: een niet realiseerbare vrijheid. Zelf heeft zij aangegeven niets filosofisch meer te doen dan Sartre en toch moeten wij concluderen dat ze wel degelijk een punt van kritiek op het werk van Sartre hiermee invult. Sartre beredeneert zijn existentialisme vanuit het subject. Beauvoir volgt deze lijn, maar zij toont aan dat we de transcendentie van het subject geheel niet los kunnen zien van het andere subject. Zij hebben een gelijke beperkende situatie en zijn niet alleen in hun persoonlijke verhouding tot het eigen lichaam. Het is niet zo dat Sartre expliciet beweert dat dit niet het geval is, maar hij geeft geen concrete invulling aan wat er overblijft van zijn ontologische vrijheid wanneer men kijkt naar de effectieve vrijheid van het subject. Sartre legt juist de nadrukt op de manier waarop het subject zichzelf transcendeert. Beauvoir zegt dus iets dat Sartre in ieder geval zelf niet geheel of duidelijk zegt.
Het Ethische Zelf
Karin Vintges geeft aan dat Beauvoir nog verder gaat in die effectieve vrijheid. Vintges stelt dat Beauvoir de vrouwen oproept om een ‘ethische zelf’ te ontwikkelen[7]. In Le Deuxième Sexe vinden we de man die transcendeert ten aanzien van de vrouw, het object. Vrouwen zouden zelf ook moeten transcenderen, voorbij de status van object, tot een ‘ethisch zelf’. In de eerder besproken effectieve vrijheid, daadwerkelijk in de wereld, kunnen zij bewerkstelligen dat zij transcenderen tot zij meer een Zelf zijn. Deze Zelf noemt Vintges een ethische, omdat zij verkregen wordt door het handelen in de wereld. Dit handelen is ethisch omdat het een handelen is dat zich uit in de verhouding tot en situatie met de ander. Met deze handeling verkrijgen wij onze sociale identiteit. Hiermee krijgt onze identiteit meer een emotionele lading, niet langer gaat het zoals bij Sartre om de emoties van het subject die een uitwerking zijn van de door onszelf aangemeten identiteit, maar het gaat om de emoties die wij ervaren in het samenspel met anderen[8]. In dat samenspel spelen economische, sociologische, historische, psychologische en culturele factoren een rol, naast de subjectieve factoren, die rol is bij Sartre vergeven aan het zijn dat wij hebben te zijn.
Onze identiteit als ethisch systeem
Onze identiteit moeten wij wel willen, om haar te verkrijgen. Maar hoe wij onze ethische zelf verkrijgen laat zich onbeperkt beschrijven. Sartre zelf gaf al aan dat een wij de existentiële ethiek kunnen vinden door de existentiële psychoanalyse[9]. Sartre was echter volgens Barnes, zoals eerder vermeldt, niet in staat deze ethiek te vervolmaken, omdat er in onze wereld nog te weinig ruimte is voor de existentiële vrijheid die nodig is om de existentiële psychoanalyse grootschalig uit te voeren. Dit zou zelfs één van Sartres voornaamste beweegredenen zijn geweest om actief protest te gaan voeren. Of dit het geval is, is hier niet relevant, het is namelijk interessanter om de volgende vraag te stellen: is Beauvoirs toevoeging een filosofisch relevante toevoeging, of geeft zij enkel een praktische uitvoering van Sartres existentialisme?
Conclusie
Ik ben van mening dat Beauvoir wel degelijk een filosofisch relevante toevoeging geeft op het denken van Sartre. Beauvoirs toevoeging van de effectieve vrijheid, met de daaraan verbonden consequenties van de lichamelijkheid en emoties, verdienen meer aandacht. Zonder deze toevoeging had Sartres denken meer te wensen overgelaten om het volledige systeem te kunnen worden. Menigeen stelt dat een filosoof een volledig origineel systeem moet ontwikkelen om een filosoof te zijn, maar daar ben ik het niet mee eens. Geen enkel systeem is het systeem natuurlijk. Voor zover ik weet heeft elk systeem mankementen die door weer andere filosofen aan het licht gebracht worden. Zo ook heeft Beauvoir als filosoof gehandeld ten aanzien van de theorie van Sartre. Zijn systeem miste niet alleen een ethiek, het legde ook te veel nadruk op het subject, ten koste van de intersubjectiviteit. Ik ben van mening dat Beauvoirs toevoeging ook aanvullend gelezen kan worden, maar het punt blijft dat Sartre het gewoon niet zo gesteld heeft. Hij heeft niet de twee verschillende vrijheden erkend: de ontologische en de effectieve vrijheid. En in het verlengstuk daarvan heeft hij te weinig de beperktheid van de ontologische vrijheid erkend. Wat wij van Beauvoir kunnen leren is hoezeer de intersubjectiviteit onze subjectiviteit de mogelijkheid tot het zichzelf-zijn.
Bibliografie
- Barnes, Hazel E., An Existentialist Ethics, University of Chicago Press, 1967.
- Beauvoir, de, Simone, vertaling: de ouderdom, Bijleveld, 1975.
- Card, Claudia, The Cambridge Companion to Simone de Beauvoir, Cambridge University Press, 2003.
- Fullbrook, Edward, Fullbrook Kate, Simone de Beauvoir – A Critical Introduction, Polity Press, 1998
- Sartre, Jean-Paul, vertaling: het zijn en het niet, Lemniscaat, 2003.
- Simons, Margaret A., Simone de Beauvoir – Philosophical Writings, University of Illinois, 2004.
[1] Fullbrook & Fullbrook, 1994: p.109.
[2] Heinämaa, bij Simons, 2004: p.153-158.
[3] Barnes, 1965: p.35.
[4] Deutscher, bij Claudia Card, 2003: p.290.
[5] Sartre, vert.: 2003: p.430.
[6] Kruks, 1990: p.90
[7] Vintges, bij Simons, 2004: p.226-227.
[8] Vgl., ibid.
[9] Sartre, vert.: 2003: p.768.

1 reactie tot nu toe ↓
1 bertie bom // 5 Sep 2009 at 10:40
Vooral de openheid waarmee deze site is voorzien biedt daadoor ook die ander ook inzichten.
Fijn om te lezen, en het woord “feministe” zou ik willen omtoveren in; “fem – humanisme”.
Het omarmd een nieuwere vorm voor de vrouw die werkt aan tijdsinzichten, de oude lagen eraf gepoetst, en toch jippie kan, zeggen, zoals zei dat doet.
Reageer