Na het einde van de tweede wereldoorlog komt Sartre’s politieke filosofie scherp naar voren. Hij reisde naar China, bezocht Cuba, schreef en sprak zich uit over de Vietnamoorlog, de Palestinakwestie, het immigratiebeleid van Frankrijk en over het kolonialisme.
Maar zijn politieke filosofie wordt onvoldoende bestudeerd. Dit omdat zijn teksten lastig zijn om te lezen. Zo heeft zijn voornaamste politiek filosofische werk Critique de la raison dialectique een dusdanig formaat dat slechts enkelen zich er geheel doorheen worstelen.
Maar er zijn ook andere redenen te noemen. Sartre heeft zich altijd uitgesproken als links en ook was hij lange tijd een bekende verdediger voor het Marxisme. Dat laatste werd hem niet in dank afgenomen. En de structuralisten deden hem dan ook af onder die noemer. Zij stelden dat hij onvoldoende werk maakte van bepaalde deconstructies en hij zou het humanisme niet opgeven, waardoor hij niet werkelijk in staat was om een aanhanger te zijn van openheid over structuren en systemen.
Terwijl zijn politieke filosofie dus onterecht onderbelicht zijn gebleven, zijn ze juist de moeite van het bestuderen waard. Een goed voorbeeld van Sartre’s politieke denken is Portret van de Antisemiet. Daarin beschrijft Sartre de onderliggende oorzaken van antisemitische gevoelens. De Jood is het product van antisemitisme van bepaalde maatschappelijke activiteiten. Dat idee gebruikte Sartre ook in het voorwoord dat hij schreef voor Fanon’s Les Damnés de la Terre (1961). Dat werk van Fanon is geworden tot een soort bijbel voor het anti-kolonialisme of de dekolonisatie. Ook het Pentagon las het voor de oorlog in Irak.
Vaak wordt het voorwoord afgedaan als een oproep tot moord. En Sartre spreekt van ‘ de verdierlijking van de politiek’ en van ‘die honden’. Bovenal benadrukt en gaat hij in op de vraag wat er achter het geweld schuilgaat. Openlijk pleitten voor geweld doet hij pas in zijn latere jaren. En daar heeft hij de consequenties van gemerkt, toen er in 1962 een bomaanslag was in het appartementencomplex waar Sartre woonde. In zijn voorwoord spreekt Sartre over de Algerije kwestie. Algerije behoorde tot Frankrijk sinds 1848, maar in 1954-1961 waren de Algerijnen een burgeroorlog begonnen voor hun zelfstandigheid. Frankrijk noemde het hun integraal territorium. Oorspronkelijk behoorden Marokko en Tunesië ook tot Frankrijk, maar zij mochten zelfstandig worden in 1949. De Algerijnen bleven echter niet braaf achter.
Volkenrechtelijk hebben we dit probleem nog steeds bij de Palestinakwestie. Recht en macht gaan dus hand in hand. Het conflict tussen de Algerijnen en Frankrijk was een zeer gewelddadig conflict. Er werd gemarteld aan allerlei kanten. Al in 1958 is het martelen door Henri Alleg beschreven in La Question. Sartre schreef een artikel als reactie hierop, maar dat werd geweigerd. Uiteindelijk werd Alleg’s boek verboden. Maar Sartre schreef wel verder over de Algerijnse Kwestie.
En een paar jaar later verschijnt dan ook Sartre’s Colonialisme et neo-colonialisme (1964). Daarin stelde Sartre dat het kolonialisme een systeem is. En er is sprake van een sterke onderklasse in de steden. De ander dan of van de liberaal is ontworpen hiermee: de inboorling. Er volgt geen economische of sociale hulp. De daadwerkelijke politieke kwestie is de beëindiging van het koloniale systeem. Je ziet de armoede, er is een sociale behoefte aan hulp en er is sprake van een psychisch vlak – de ervaring van het minderwaardigheidsgevoel. Dit is gemystificeerd, de politieke aard van het probleem zie je niet. Het politieke probleem bestaat niet uit de genoemde factoren.
Sartre stelt ons de vraag hoe wij denken over de ontwikkelingslanden en de hulp die daaraan gegeven worden. In Frankrijk had dat denken het karakter van financiering. Algerije werd georganiseerd door regels die niet van, door en voor de Algerijnen waren. De toepassing van de regels leverde herverdeling van het land op. En natuurlijk kregen de kolonisten daarbij het beste land. En zij hadden makkelijk de mogelijkheid om hun producten op de Franse markt te krijgen. De rest van de bevolking leefde in armoede van het slechte land dat was overgebleven. Ook werd er op het vruchtbare land wijn geproduceerd, in plaats van graan. Bijkomende problemen zijn de mechanisatie en de trek van het platteland naar de stad.
Het herkennen van het dialectisch systeem is dus een belangrijk punt. In het voorwoord bij het werk van Fanon schreef Sartre niet over het herkennen, daar ging het om de ontsnapping uit het dialectische systeem dat de Europese Westerse wereld is. Sartre stelt dat het boek van Fanon wel gelezen moet worden door Europa, omdat het een beter inzicht geeft in de vervreemdingsmechanisme. Fanon wijs op de echt bevrijdende kracht: het humanisme. Het gaat om de onderdrukkende verhouding. De ervaring van het eigen land kan niet zonder geweld tot stand gebracht worden vanuit de onderdrukte positie. Het geweld is een bal die wordt teruggehaald, in plaats van dat die wordt teruggekaatst. Dit boek is voor Afrikanen een spiegel, het zet aan tot reflectie middenin today’s Europe. Kolonisatie zit in elk van ons. Het is de striptease van het Europese humanisme. Europa is een uitbuiter. We waren verlicht, liberaal, gevoelig en toch de Neo-kolonialisten…en dus te kwader trouw. Humanisme is een elitaire ideologie, de ideologie van een roversbende die zich probeert te rechtvaardigen. Het enige wat overblijft is het Christelijke schuldgevoel, schuldbesef. Barbarij is de waarheid van deze beschaving. Sartre sluit af met te zeggen dat geweld alleen een einde kan maken.
Hij neemt in het voorwoord een veel fellere toon aan dan Fanon. Die stelde dat Europa haar vlucht heeft genomen en nu bij een afgrond staat. Sartre stelt dat de voormalige koloniën moeten niet alleen strijden met Frankrijk, maar ook met zichzelf om soeverein te worden. Als een onderdrukt land dat niet doet zal zij geen eigen volk kunnen vormen, geen eigen nationale identiteit. Voor die identiteit is het nodig dat zij haar onderdrukker uitmoord.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer