Sharon Hagenbeek is Watching You!

Inleiding in de filosofie van Rorty

door

Rorty in het grotere geheel
Rorty geeft de spanningen weer voor de hedendaags mens tussen onze individuele vraagstukken en de vraag naar het grotere geheel weer. Zo hebben we voor persoonlijke ideeën een noodzaak voor het beantwoorden van de wat-vraag, alvorens we een invulling kunnen geven van de wie-vraag. Wie ik ben, willen we plaatsen in het geheel van wat ik ben. Hoe wij die vraag naar de gehele werkelijkheid beantwoorden ziet hij alleen mogelijk via een pragmatische benadering ervan. Als kritiek op die benadering wordt wel eens gesteld dat het pragmatisme een verhuld relativisme is. Daar is Rorty het niet mee eens. Een verdediging van deze kritiek heeft hij gegeven in zijn tekst Solidariteit of Objectiviteit?

Het begin van de filosofie
Rorty is sterk beïnvloed door andere hedendaagse denkers – de meeste daarbij behoren tot de analytische filosofie. Rorty ziet de ontstaansgeschiedenis van die analytische filosofie ontstaan op de volgende wijze[1]. Zoals gangbare visies ligt ook voor Rorty het begin van de filosofie bij Aristoteles. Die laatste onderscheidde de verschillende vakgebieden in de filosofie. Daarbij was er één filosofie die zich bezighield met het begin, het ontstaan en het zijn van het zijnde. Dit noemde hij de eerste filosofie en tegenwoordig noemen wij dit de Metafysica – de leer van het zijn van het zijnde. Dat begin van de filosofie gaf Aristoteles vorm met zijn hylemorfisme (alles bestond uit hylè – materie en morphè – vorm). Daarmee bevatten de dingen de waarheid in zich. Het object heeft een wezen dat los van onze perceptie bestaat. Ook de mens als natuurwezen bestond op deze manier. Tot aan de middeleeuwen bleef dit wereldbeeld gevestigd.

De ontwikkelingen naar een analytische filosofie
Volgens Descartes bestaan er maar twee substanties naast God, respectievelijk res exstensa en de res cogitans. Deze laatste valt onder de geesteswetenschappen en is volgens Descartes het spiegelbeed van de res exstensa. Descartes zocht in de res cogitans naar de basisbegrippen van het denken en raadpleegde daarvoor zijn eigen bewustzijn. Als spiegelbeeld zouden deze basisbegrippen ons moeten kunnen vertellen over de res exstensa. Descartes maakte een onderscheid tussen primaire en secundaire eigenschappen. Primaire eigenschappen zijn eigenschappen van objecten die onafhankelijke van het kennende subject, hierbij is te denken aan meetkundige en rekenkundige eigenschappen van de dingen. Secundaire eigenschappen zijn geen onafhankelijke eigenschappen, maar zijn eigenschappen die een effect zijn van de dingen op het kennende subject. Overigens deed Descartes een beroep op de schepper God om de overeenstemming tussen de denkstructuur en de zijnsstructuur te beargumenteren.

In de zeventiende eeuw ontstond de kennistheorie die de funderingen hebben gelegd voor ons hedendaags denken. Descartes werd een soort van overgangsfiguur tussen de metafysica van Aristoteles met de Aristotelische essenties en de kenleer. Vervolgens maakte Kant de wending compleet met zijn cognitief hylemorfisme. Volgens hem richt de werkelijkheid zich niet direct tot ons, maar via een wartaal van prikkels. Daarin kan geen boodschap zetten.

Descartes, Locke en Kant hebben een traditie gestart die ons huidige denken vorm heeft gegeven. De philosophy of the mind. Het ging hen om pure reden, specifiek geldt dit voor Kant. Kant ging op zoek naar de fundering van kennis opdat we onze cultuur, ons mens-zijn vorm konden geven.

Kant zag de categorieën als fundamentele eigenschappen van ons denken, ingebed in verschillende oordelen over de realiteit. Hij probeerde hiermee dus na te denken over een omschrijving van de realiteit en niet over de realiteit zelf. Voorheen nam men aan dat al onze kennis zich moest richten naar de objecten. Maar alle pogingen om onze ervaringskennis te funderen zijn niet gelukt. Daarom moet men alleen nog uitgaan van a priori kennis. Dit is Kant’s ‘Wende zum Subjekt’, omdat in tegenstelling tot Aristoteles het object niet langer meer centraal staat, maar het subject.

Herbevestiging van de analytische filosofie
In de negentiende eeuw ontstond het neo-kantianisme. Filosofie werd voor intellectuele een vervanging van religie. Die tijd kende een cultuur waarin men tot op het bot ging, waar men een vocabulaire en overtuigingen vond die het mogelijk maakten om de eigen activiteiten als een intellectueel uit te leggen en te rechtvaardigen, om zo te komen tot een ontdekking van het belang van het eigen leven als individu.

In het begin van de twintigste eeuw werd de claim van wetenschappelijkheid herbevestigd door denkers als Russell en Husserl[2]. Zij streefden een wetenschappelijke filosofie na en de filosofie als intellectuele avant-garde was niet langer gewenst. Waar de filosoof in de negentiende eeuw nog iemand was die zich bezig hield met het schrijven van gedichten, novelles, politieke verhandelingen en kritieken op de gedichten, novelles en politieke verhandelingen van anderen, was er nu weer een wens voor de filosoof die zich strikt (natuur)wetenschappelijk bezighield.

De Revolutie van Wittgenstein, Heidegger & Dewey
Volgens Rorty waren denkers als Husserl en Russell verder weg van de wetenschappers dan Descartes, Locke en Kant in hun tijd. Het wetenschappelijke voorkomen van deze drie laat zich volgens Rorty verklaren doordat zij filosofie bedreven in een eeuw waarin er een secularisatie van de cultuur mogelijk gemaakt werd door de ontwikkeling van de natuurwetenschap. Maar in de vroege twintigste eeuw waren de wetenschappers net zo ver weg van de intellectuelen als van de theologen. Met het streven naar een wetenschappelijke filosofie werd de filosofie minder verbonden met de andere gebieden van de cultuur en zo werd het dat de ‘pretenties’ van de filosofie absurd leken. Zowel de analytische filosofen en de fenomenologen deden pogingen om de wetenschappelijke activiteiten te funderen en te bekritiseren; daardoor werden de filosofen juist weggejaagd van die wetenschappelijke praktijk. Vanaf dit punt in deze geschiedenis ziet Rorty een revolutie binnen de filosofie vorm gegeven in het denken van Wittgenstein, Heidegger en Dewey. Zo noemde Wittgenstein de filosofie zelf de ziekte waarvan zij zich moet genezen. Het zijn taalspelen dooreen gehaald. De filosofie die zich zelf tot verdwijnen brengt, laat zo tenslotte alles zoals het is. De opvolger van de filosofie is voor Wittgenstein het cultureel antropologische veldonderzoek: de geschiedenis van de filosofie. Het latere werk van de drie geeft een waarschuwing over de onmogelijkheid van de funderingspretenties. Alle drie braken zij in hun latere werk met de Kantiaanse conceptie van de filosofie als funderend, en probeerden ze de begeerte van de filosofie te bedwingen. De filosofie is een therapie geworden, zij verlicht meer dan dat zij systematiseert. De oude filosofie werd achterhaald, maar zij hoeft geenszins opgegeven te worden. Zij symboliseert vroegere wensen en het streven dat ons deed dromen van een funderende filosofie.

Rorty zelf neemt duidelijk afstand van de funderingswensen van de moderne filosofische traditie, zoals deze in haar begin afstand nam van de dromen van essenties van de antieke filosofische traditie. Maar hij ziet de filosofie niet zoals Wittgenstein, Heidegger of Dewey als ter dood veroordeelde; Rorty is wil een pragmatische filosofie.

Sociale Conceptie
De moderne filosofie richtte zich op het verkrijgen van zekere kennis, uitgaande van het subject dat die kennis kan verkrijgen. Het probleem voor de moderne filosofie was de relatie tussen kennis en de aan het subject externe wereld, de zekerheid van de kennis als accurate representatie van de werkelijkheid. Dit is wat Rorty de Mirror of Nature noemt. Deze ‘afbeelding’ van de werkelijkheid die wij in onze geest hebben, bevindt zich in het centrum van de moderne filosofie, in de epistemologie. De moderne filosofie veronderstelde deze ‘afbeelding’ beter te kunnen kennen, dan de daadwerkelijke werkelijkheid. Zodoende zit het probleem van de externe wereld ook zo diep geworteld in de moderne filosofie. Dat is niet meer het geval bij de filosofie die Rorty voorstaat. De moderne filosofie wordt daarmee nog niet afgedankt en weggedaan, maar haar problemen zijn minder belangrijk dan de nieuwe problemen van het pragmatisme. De nieuwe filosofie, sinds de hierboven beschreven revolutie, is pragmatisch. Rorty introduceert een interessante variant van het pragmatisme: het normale discours tegenover het niet-normale. Zulke discoursen zijn commensurabel, consensusverzekerende maatstaven. Incommensurabel of niet-normaal blijven discoursen, zolang de grondoriëntaties omstreden zijn. Zodra dus niet-normale discoursen genoeg zichzelf zijn kunnen zij de kwaliteiten krijgen die Rorty kenmerkt met: edifying. Rorty geeft aan dat hij dit begrip modelleert aan de hand van het begrip Bildung van Gadamer en identificeert het project van de verbetering en vernieuwing van onze sociale concepties, opdat deze concepties opgenomen kunnen worden in de commensurabele discoursen. Zo is het dus de bedoeling om voor ons begrip ‘kennis’ een zo strikt en duidelijke mogelijke definitie te geven, zodat wij gebaseerd op die definitie onze kennis kunnen uitbreiden. Uiteindelijk dienen we te komen tot een duidelijke en waar mogelijk verbeterde en vernieuwde conceptie van de filosofie als geheel.


[1] Rorty, 1979: Philosophy and the Mirror of Nature.

[2] Husserl, 1911: Philosophie als strenge Wissenschaft. Vertaling: 1980, Theo de Boer & Ger Groot.

Filosofie

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: