Sharon Hagenbeek is Watching You!

Het individu dat de methode bepaalt

door

Inleiding

In de Honours Class ‘Ethnography of Academic Disciplines’ hebben wij etnografisch onderzoek verricht volgens de methode van Latour. Die hield zich in zijn etnografisch onderzoek uitsluitend bezig met natuurwetenschappelijke disciplines. Wij hebben ons, anders dan hij, beziggehouden met de diversiteit van de academische disciplines. Wij hebben dus zijn etnografische methode toegepast op de humanistieke, natuur- en sociale wetenschappelijke disciplines. Daarbij zijn wij op aanzienlijke verschillen gestuit tussen de disciplines. Ik wil hier verder niet ingaan op die verschillen, met uitzondering van één en wel het meest kenmerkende: de wetenschapper als individu. Dit verschil maakte dat de klassieke verdeling van de wetenschappen (de verdeling tussen de natuurwetenschappen, sociale wetenschappen en humanistiek) niet volstond. Wel hebben we een andere verdelingslijn kunnen hanteren. Deze liep dwars door de sociale wetenschappen heen. Die moesten als het ware opgedeeld worden tussen de twee nieuwe groepen: de natuurwetenschappen en de geesteswetenschappen.

Dat het punt van ‘de wetenschapper als individu’ een significant en essentieel verschil is blijkt wel wanneer men de wetenschappelijke benadering die het oplevert in de nieuwe groepen vergelijkt met elkaar. Hierbij is het kernbegrip individualiteit van doorslaggevende betekenis voor hoe men tegen de ontwikkeling van het eigen vakgebied aankijkt en daarmee ook de daaraan te verbinden absolute ‘waarheid’.  Zodoende wil ik hier, naast de beschrijving van dit karakteristieke verschil, ook een weergave doen van het waarheidsgehalte van de claims en uitkomsten die verkregen worden in beide groepen. Ik ben van mening dat daarbij de benadering van de geesteswetenschappen als pragmatisch gezien kan worden. Tevens ben ik van mening dat daarmee de geesteswetenschappen een andere richting kiezen dan de natuurwetenschap.

Etnografie van Academische disciplines
Zoals gezegd hebben wij in de Honours Class Ethnography of Academic Disciplines de etnografische methode van Bruno Latour gebruikt. Uitgaande van deze methode hebben wij onze informanten geïnterviewd, hun werkplaats geïnspecteerd, en hun collega’s en studenten gesproken over het vakgebied. Misschien niet geheel gelijk aan de methode van Latour, hebben wij deze wel bij elke discipline gelijk toegepast. Wij hebben daarbij specifieke aandacht besteed aan 2 vraagstukken:

  • What categories of claims and outcomes are regarded as important in the discipline?
  • How are such claims and outcomes validated?

Ons onderzoek leverde een opmerkelijk resultaat op. Zoals eerder aangeven troffen we twee groepen aan, de natuurwetenschappen en de geesteswetenschappen. Deze twee groepen verschillen van elkaar in de rol die het individu krijgt in de wetenschap. In de eerste groep (de natuurwetenschappen en de psychologie) dicht men de onderzoeker de rol toe van passieve observant. In de tweede groep (de humanistiek en de antropologie) beschouwt men de onderzoeker als wetenschapper die zich sterk bewust is van de invloed van zijn/haar persoonlijkheid in zijn/haar werk.

Naast de resultaten die ons onderzoek heeft opgeleverd hebben we hier ook een beeldende vraag voor kunnen formuleren, die ik hier ter verduidelijking wil bespreken: “Is Einstein als individu belangrijk? Wij vroegen onze informanten hoe zij het belang Einstein (of een willekeurige andere wetenschapper) als individu invulden. De wetenschappers uit de eerste groep (natuurwetenschappen) zijn van mening dat de ontdekkingen die Einstein geformuleerd heeft door een willekeurige andere wetenschapper geformuleerd hadden kunnen worden. Die ontdekkingen zijn daarbij aan maatschappij en de tijd van die maatschappij gebonden, niet aan het individu. Daarvoor zou de gemeenschap dus gezamenlijk gewerkt hebben naar een uitkomst en voor die uitkomst zou dan niet één wetenschapper verantwoordelijk gehouden kunnen worden. De wetenschappers uit onze tweede groep (geesteswetenschappen) zijn van mening dat de maatschappij heeft gewacht tot er weer een genie naar voren trad, de maatschappij heeft het specifieke individu, in dit geval Einstein, nodig om verder te kunnen komen.

Hiermee kon een duidelijk onderscheid tussen de vakgebieden gemaakt worden. Zo probeert de geesteswetenschapper zelfs de minimale vorm van persoonlijke invloed niet te ontkennen. Het individu is degene die het resultaat levert, niet de wetenschap en tijdsgeest. Onze informanten, een antropoloog, een geschiedkundige en een literatuurwetenschapper, gaven aan dat zij hun eigen herkomst en hun positie ten aanzien van het onderzoeksobject in kaart brengen. Het is bij hen zelfs een kenmerk van goede wetenschappelijkheid: een goede wetenschapper is zich bewust van de eigen inbreng en de eigen blik waarmee men het object bestudeert. Dat betekent concreet dat zij onder andere hun persoonlijke interesses en achtergrond vermelden bij hun onderzoek, dat zij een weergave geven van de door hen gemaakte keuzes, en opmerken waarom deze keuzes de voorkeur genoten hebben. Het kan tenslotte verschillend resultaat opleveren als er een andere methode in het onderzoek wordt gekozen, en dat kan weer de persoonlijke voorkeur genieten. Onder onze zogeheten bèta-informanten van de natuurwetenschappelijke zijde, de wiskundige, de natuurkundige en de engineer, konden wij geen blijk van erkenning vinden dat het individu een invloed zou kunnen hebben op zijn onderzoeksobject, of op de gekozen methode die gebruikt wordt voor de benadering van dat object. Het individu is willekeurig en niet bepalend voor de resultaten.

Dit methodologische verschil is wel het meest sprekend in de benadering van de psychologie en toont aan hoezeer dit verschil niet gevestigd hoeft te zijn in het verschil van onderzoeksobject. Het laat zien dat er sprake is van verschillende visies op de rol van de wetenschapper. Onze informant voor de psychologie gaf aan een zo duidelijk mogelijke scheiding te willen maken tussen het onderzoeksobject en de onderzoeker. De onderzoeker lijkt zichzelf niet krampachtig, maar dwangmatig buiten de sfeer van invloed te houden. Daarom benadrukte onze informant dan ook dat het niet acceptabel is in de psychologie om überhaupt vanuit de eigen persoon te spreken of de rol van de individuele wetenschapper te onderkennen. Anders dan de andere sociale wetenschap die wij onderzocht hebben, antropologie, leek de psychologie in zijn geheel beter te passen bij de natuurwetenschappelijke benadering dan bij de benadering van de geesteswetenschappen.

Dit was een opmerkelijke constatering op basis waarvan we de eerder besproken scheidingslijn tussen alpha en bèta in ons onderzoek hebben aangepast. Dit omdat de bèta’s het mogelijk achtten onderzoek naar het object te doen, zonder dat de wetenschapper invloed heeft op de manier waarop het object belicht wordt. Het volgen van de regels in het vakgebied zou de uitkomst objectief maken. Ook de alpha’s volgen de regels van hun vakgebied, maar die regels zijn niet gelijk aan die van de beta’s. Ze zijn zelfs bewust anders – dat wil zeggen dat zij het in meer of mindere mate onvermijdelijk achtten dat zij zich moeten wapenen tegen een sceptische interpretatie van hun rol als individu op die van wetenschapper. De methode incorporeert de subjectiviteit van de wetenschapper omwille van het bereiken van zoveel mogelijk objectiviteit.

Het waarheidsgehalte van claims en uitkomsten
In zijn laatste woorden spreekt De Vries over de toekomst en de ontwikkeling van de wetenschap die bovenal bestaan uit ‘systematisch opbouwen van steeds hechtere, omvattendere en daardoor moeilijker te negeren netwerken’[1]. Ook in het onderzoek van de Honours Class ontdekten wij het belang van de netwerken: onze informanten gaven elk zelf al aan dat dit belangrijk is. De vakgebieden van de informanten die wij gesproken hebben richten zich inderdaad systematisch op het opbouwen van netwerken, de samenwerking waarmee het delen van kennis bevorderd wordt. Beide groepen hebben aangegeven dat het verkrijgen van overeenstemming onder vakgenoten een belangrijke manier van het verkrijgen van ‘wetenschappelijkheid’ is. Maar het individu in een samenwerking is bij de ene wetenschap belangrijker dan bij de andere. Dit biedt de mogelijkheid voor beïnvloeding van het resultaat. Wederom zagen de natuurwetenschappers hier geen mogelijkheid tot een specifiek belang van het individu. Terwijl de scepticus logischerwijs zou kunnen stellen dat het netwerk dat vergaard en onderhouden wordt toch zeker persoonsgebonden is.

De pragmatische benadering
Het in de eerste paragraaf besproken verschil is vanuit het perspectief van de geesteswetenschappen te zien als een pragmatische oplossing om zich te weren tegen sceptici die beweren dat hun onderzoek een laag waarheidsgehalte heeft. In hun netwerk is de individualiteit niet onderdrukt, maar ook niet miskend. Waarom kan deze vorm van wetenschappelijkheid gezien worden als pragmatisch?

Hans Dooremalen, Herman de Regt en Maurice Schouten beschrijven in hun boek de problematiek rond het waarheidsgehalte van het onderzoek voor de sociale wetenschappen[2]. Zij geven aan dat de sociale wetenschappen zich meer dan de natuurwetenschappen moeten wapenen tegen de sceptici. Alle pogingen om de empirische of rationele funderingen van kennis staande te houden hebben het onderspit moeten delven[3]. Zij omschrijven een lange historische lijn van ontwikkelingen. Daarin is ook het gedachtegoed van Feyerabend te vinden[4]. In zijn werk vinden we een pleidooi voor het ontmaskeren van ons idee van de wetenschap als het blootleggen van feiten. Bij nadere analyse moeten we concluderen dat wetenschap in zijn geheel geen naakte feiten blootlegt, maar dat de feiten altijd al op een bepaalde manier gezien worden, ook wanneer wij ze verwerven als kennis. Feyerabend laat ons zien dat wij ook andere methoden moeten accepteren, dat wij daaraan ook geldigheid moeten verlenen.

Voor zover de geesteswetenschappen te maken hebben gehad met een klacht van onwetenschappelijkheid, hebben zij net als Feyerabend (misschien wel door zijn werk) het geloof in één wetenschappelijke methode losgelaten. Zij hebben namelijk ook de natuurwetenschappelijke benadering losgelaten op het punt van de wetenschapper als onafhankelijke partij. Onze informanten voor de geesteswetenschappen gaven aan dat een wetenschapper niet gelijk is aan alle andere wetenschappers, omdat dat zij wel degelijk een persoonlijke invulling geven aan de manier waarop zij hun onderzoek uitvoeren, welke methode zij hanteren en welk object of welke bijzonderheden van het object hun interesse geniet.

Daarbij zien we ook een tweede element dat zij losgelaten hebben. Zij hebben aangegeven niet naar de waarheid als enige doel te werken. Zij onderzoeken elk hun object en niet noodzakelijkerwijs voor de naakte feiten. Dat is waarom ik het een pragmatische oplossing wil noemen. Zij wapenen zich tegen sceptische reacties op hun onderzoek, door in hun onderzoek niet op zoek te zijn naar de naakte feiten van Feyerabend, maar naar dat wat zij in ieder geval vast kunnen stellen.

In het bekendste werk van Rorty[5], de belangrijkste hedendaagse denker binnen het pragmatisme, neemt hij afstand van de funderingswensen van de moderne filosofische traditie, zoals deze in haar begin afstand nam van de dromen van essenties van de antieke filosofische traditie. De moderne filosofie richtte zich op het verkrijgen van zekere kennis, uitgaande van het subject dat die kennis kan verkrijgen. Het probleem voor de moderne filosofie was de relatie tussen kennis en de aan het subject externe wereld, de zekerheid van de kennis als accurate representatie van de werkelijkheid. Dit is wat Rorty de Mirror of Nature noemt. Deze ‘afbeelding’ van de werkelijkheid die wij in onze geest hebben, bevindt zich in het centrum van de moderne filosofie, de epistemologie. De moderne filosofie veronderstelde deze ‘afbeelding’ beter te kunnen kennen, dan de daadwerkelijke werkelijkheid. Daardoor zit het probleem van de externe wereld diep geworteld in de moderne filosofie.

Dat is niet meer het geval bij de filosofie die Rorty voorstaat. De moderne filosofie wordt daarmee nog niet afgedankt en weggedaan, maar haar problemen zijn minder belangrijk dan de nieuwe problemen van het pragmatisme. De nieuwe filosofie is pragmatisch. Rorty introduceert een interessante variant van het pragmatisme: het normale discours tegenover het niet-normale. Zulke discoursen zijn commensurabel, consensusverzekerende maatstaven. Incommensurabel of niet-normaal blijven discoursen, zolang de grondoriëntaties omstreden zijn. Zodra dus niet-normale discoursen genoeg zichzelf zijn kunnen zij de kwaliteiten krijgen die Rorty kenmerkt als edifying. Rorty geeft aan dat hij dit begrip modelleert aan de hand van het begrip Bildung van Gadamer en identificeert het project van de verbetering en vernieuwing van onze sociale concepties, opdat deze concepties opgenomen kunnen worden in de commensurabele discoursen. Zo is het dus de bedoeling om voor ons begrip ‘kennis’ een zo strikt en duidelijke mogelijke definitie te geven, zodat wij gebaseerd op die definitie onze kennis kunnen uitbreiden. Uiteindelijk dienen we te komen tot een duidelijke en waar mogelijk verbeterde en vernieuwde conceptie van de filosofie als geheel.

Net als Rorty, kiezen de geesteswetenschappen – zoals bleek uit het onderzoek van de Honours Class – voor een pragmatische benadering van de ‘waarheid’ en de ‘werkelijkheid’. Overeenstemming in het eigen wetenschappelijke netwerk geeft het waarheidsgehalte aan het eigen onderzoek. De nieuwe geesteswetenschappen zijn pragmatisch.

Bibliografie

  • Van Burg, H-P., drs. Eerhart, R., Hagenbeek, S.C.W., Van der Horst, A., Runhardt, R., Valentin, W., dr. McAllister, J.: Final Draft 12-10-2008: Ethnography of Academic Disciplines, publicationdate: 31 december 2008, Leiden: Universiteit Leiden, Faculteit der Geesteswetenschappen.
  • De Vries, G., 1995: De ontwikkeling van wetenschap, Groningen: Wolters-Noordhoff.
  • Hans Dooremalen, Herman de Regt, Maurice Schouten, 2007, Exploring Humans, uitgeverij Boom.
  • Richard Rorty, 1979: Philosophy and the Mirror of Nature, Princeton University Press.

[1] De Vries, 1995

[2] Dooremalen, De Regt & Schouten, 2007

[3] Ibidem.: p.13

[4] Ibidem.: p.308-315

[5] Rorty, 1979

Filosofie

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: