Sharon Hagenbeek is Watching You!

Heideggers kunstwerk vs. dat van Gadamer

door

Der Ursprung des Kunstwerkes (oorspronkelijk een voordracht uit 1936, die rond 1931/1932 eerder werd geschreven, in 1935 werd herschreven en in 1960 licht bewerkt uitgegeven voorzien van inleiding door Gadamer).

In dit boekje geeft Heidegger een uiteenzetting van de ontologie van het kunstwerk. Ontologie dwz een zijnsleer, Heidegger beschrijft dus het zijn van kunstwerk zoals we die vanuit ons eigen zijnswezen ervaren.

Als we meer willen kunnen zeggen over het kunstwerk, dan moeten we vragen naar de oorsprong ervan. Al vanaf de oudheid, bij de Grieken, hebben we gangbare opvattingen die niet daadwerkelijk beantwoorden aan het wezen van het kunstwerk. Heidegger geeft drie opvattingen weer en legt uit waarom ze niet adequaat zijn.

  • Hupokeimenon. Dit levert ons een dingachtige benadering op. Het dingachtige is dan volgens het Griekse woord hupokeimenon, een kern of grondslag waar eigenschappen aan worden toegevoegd. Met deze interpretatie blijven we te ver weg bij pure ding.
  • Aisthèton. Het in de zinnen van de zintuiglijkheid door gewaarwordingen verneembare. Het ding dat de directe gewaarwording die wij ervaren biedt geen goede interpretatie. We zien het ding dan van te dichtbij.
  • hulè en morphè. Aristoteles wees al aan dat de eerste interpretatie niet een adequate beschrijving is en stelde hulè en morphè (stof en vorm) structuur van het object voor. Met deze interpretatie is stof de basis en het veld van de kunstzinnige vormgeving, hetgeen waar het kunstwerk uit bestaat. Het kunstwerk is de uiteindelijke vorm die wij ervaren. De stof en vorm structuur wordt vaak gebruikt in de esthetica, maar bevat in geen enkel geval de oorspronkelijke bepalingen van de dingheid van het ding. Stof kan tot iets dienen, zoals het materiaal van een gebruiksvoorwerp dat gebruiksvoorwerp dient. Door deze gedachte koppelen we eigenschappen van het tuig, het tuig-zijn, aan het ‘pure’ ding, terwijl deze verschillend zijn. Heidegger noemt de derde interpretatie dan ook een overval op het ding.

Alle drie begrijpen ze het ding als drager van eigenschappen, als eenheid van menigvuldigheid van gewaarwordingen en als gevormde stof. Dus er is sinds het begin van de geschiedenis van ons denken nog geen goede weergave gegeven van het ding-achtige waarin we het zijn van het ding ook kan bestaan. Dit geldt ook voor het tuig of het kunstwerk. Het kunstwerk lijkt meer op het tuig dan op het ‘pure’ ding, want ze zijn beide geschapen door mensen. Het tuig heeft een meer dienstig karakter. Het kunstwerk heeft echter een zelfgenoegzame aanwezigheid en meer eigen gereide. Heidegger beschrijft dat het werk niet zozeer geschapen of vervaardigd wordt, maar dat het is. Het werk van de kunstenaar is niet hetgeen dat ‘is’, het werk ‘is’ zelf. Hij noemt dit een stille schok. Een werk-zijn is hier.

De kunstenaar beschouwd Heidegger als medium, voor zover deze een bedoeling heeft staat dat los van het zijn van het kunstwerk. Kunst is het zich inrichten en vaststellen van de waarheid in de gestalte. Dat gebeurt in het scheppen als het te voorschijn brengen van de onverborgenheid van het zijnde.

De pogingen om het zijn van het kunstwerk te beschrijven mislukken steeds doordat we ze benaderen als ding of als tuig. Het kunstwerk op dergelijke manier benaderen doet het kunstwerk altijd te kort. Het geeft ons anders dan het ‘pure’ ding of het tuig, een geschieden van de waarheid van het zijnde. Dat zijnde heeft zich in het kunstwerk aan het werk gesteld. Heidegger stelt daarom voor om de vraag te stellen: wat gebeurt hier?

Heidegger spreekt over wereld als het in-zich-openen van het werk-zijn. Dat wil zeggen dat het werk een zijn is dat in zich een wereld kan openen. Deze wereld staat in constante strijd met de aarde. Aarde dat wil zeggen het in-zich-bergen. Op en in de aarde grondvest de mens zich. Daarin ervaren wij onszelf als historisch wezen. Het werk rukt en houdt de aarde zelf in het opene van een wereld, daardoor is het werk dus die strijd.

Deze twee begrippen neemt Heidegger bij Hölderin vandaan. En bij de strijd die Heidegger beschrijft moeten we meer denken aan een continue spanning die ontstaat doordat het kunstwerk een waarheid onthult die we aan de andere kant weer incorperen en daardoor raakt het waarheidselement ervan opgenomen in het alledaagse. Ze wordt de juistheid die de wetenschap beschrijft. De wetenschap verbreed de grenzen van wat juist is, maar komt niet daadwerkelijk in aanraking met de waarheid. Hier met je het begrip waarheid meer als een momentservaring zien. We ervaren een moment waarop iets waar wordt, de waarheid geschiedt, daarna is het een juistheid, we weten of kennen het al.

Het kan een tijd duren voordat de strijd zich voltrekt, maar dat hoort toe aan het wezen van het werk. Het is al met het ontstaan van dit werk-zijn meegegeven hoe de openheid of het speelveld van wereld en aarde wordt ingericht. Het is een continue strijd tussen het verbergen (ontzegging en verhullen) van de aarde en het ontbergen (tot stand brengen of opstellen) van de wereld. Zo is schoonheid de wijze waarop waarheid als onverborgenheid geschiedt.

In de inleiding die Gadamer schrijft bij deze tekst van Heidegger, roemt Gadamer dit werk als systematischere weergave van Heideggers taaldenken dan Heideggers latere werk Unterwegs zur Sprache. In dat haast mystieke werk laat Heidegger zien hoe de taal vooraf gaat aan alle ervaring. En ook in dit werk noemt hij als oorsprong van de kunst de taal. Alle kunst is in wezen dichtkunst. De taal roept het zijn en de waarheid geschiedt in dat zijn, de geschiedenis geschiedt. Want altijd als kunst geschiedt, gaat er een schok door de geschiedenis en vangt de geschiedenis aan, al dan niet opnieuw. De geschiedenis is waar het kunstwerk en dus de waarheid in bewaart wordt, tot wij onszelf op die manier verstaan. Daarmee behoort de oorsprong van het kunstwerk dus toe aan ons historisch zelfbewustzijn. Maar dit boekje draait niet louter om het taaldenken van Heidegger. Veel meer heeft Heidegger hier schets van het werk-zijn van het kunstwerk gegeven. In de taal wordt dit zijn geschapen, maar haar zijn is in haar zijn het werk-zijn.

Alhoewel er veel gelijkenissen zijn, zijn er toch ook verschillen. Ik wil er hier twee benadrukken. Allereerst gebruikt Heidegger uitvoerig de begrippen wereld en aarde, en voor zover ik heb begrepen neemt Gadamer niet de begrippen wereld en aarde over. In plaats daarvan maakt hij gebruik van het begrip spel. Ten tweede stelt Heidegger nadrukkelijk ook dat hoe beroemd een werk ook is, dat het in een verzameling of een tentoonstelling haar wereld kwijt raakt en dat is niet ongedaan te maken. Hij omschrijft de strijd die in het werk-zijn constant aanwezig is, maar het zijn van het werk kan dus wel verloren gaan. De waarheid die er ooit in geopend werd, is dus een juistheid geworden of verloren gegaan. Daarmee denk ik dat waar Gadamer zegt dat de betekenis van een kunstwerk veranderd, het kunstwerk bij Heidegger niet per se beter of anders hoeft te worden, eerder slechter. Het moment dat het werk zijn betekenis of waarheid verliest, het moment na de voltooiing van de strijd, de voltooiing van het werk-zijn, is niet per se direct nadat het op zijn plek hangt. Het kunstwerk overstijgt wel de subjectieve horizon, maar doet dat dus niet louter vanuit het subject, zoals bij Gadamer. Voor Heidegger is het subject degene die het overstijgen ervaart zodat zij plaats kan vinden. Heidegger past dus niet de mimesis van Plato toe zoals Gadamer.

Filosofie · Samenvattingen

 
 
 

1 reactie tot nu toe ↓

  • 1 niels kuiper // 4 okt 2012 at 23:05

    vind ik heel aannemelijk, als het kunstwerk af is is hetgeen onverborgen, echter niet opgemerkt, uitgebeeld en manisfest geworden
    kan zodoende deel gaan uitmaken van de openbare wereld.
    door deze onttrekking is de waarheid geweld aan gedaan (?)
    da s de vraag je zou het ook vanuit ander oogpunt juist een deling van de waarheid kunnen noemen.

Reageer

Comment: