Over zijn leven
Heidegger (1889-1976 ) is geboren in Muskier. Heidegger opgevoed katholiek, 1919 officieel ermee gebroken. Hij heeft een poosje filosofie lesgeven. Hij was in 1933 lid geworden van de nationalisten. Hij kwam in de problemen bij de tweede wereldoorlog. Hij hield een rectorrede die leidde tot commotie. Hij mocht daarna (na de tweede wereldoorlog) niet meer doceren. Hij heeft zijn verdere leven gewoond in een berghut in het Zwarte Woud. Daar heeft hij verder gelezen en geschreven. Hij had bekende leerlingen: Hannah Arendt (waarmee hij ook een affaire had, zoals met wel meer), Hans Jonas en Markouze (van de eendimensionale mens, in 1964 kwam hij met dezelfde klacht als Heidegger in T&K). In 1946 schreef hij Brief uber Humanimus. En hij schreef ook een tekst over de oorsprong van het kunstwerk. Hij had ook aandacht voor de poëzie vooral in latere werk. Dichters als Holderin of zoals in deze tekst Stefan George. Hij wordt bewonderd om zijn ‘nieuwe’ filosofie en hij is een oorspronkelijk en zelfstandig denker. Die oorspronkelijkheid is ook terug te vinden in het kritiekpunt, hij maakt heel veel neologisme en speelt met woorden. Het argument luidt dat hij geen steek houdt, maar aan woordspelerij doet.
Martin Heidegger wordt veel over gesproken in Leiden. Hij moet geplaatst worden ten opzichte van vooruitgang, wetenschap en techniek. Economie waar het gaat om kapitaal (niet Marx, maar geld dat geld maakt). 1949 verschijnt Technik und die Kehre van zijn hand. Sein und Zeit uit 1927 bevatte al wel wat van dat economische denken. De gangbare filosofie is ingepalmt door technologische rationaliteit. De razende wereld van techniek is gericht op consumptie.
Prive is het denken, daarmee wordt niet bedoelt de technologische rationaliteit. Heidegger bekritiseert de technologische rationaliteit en diens voorgenomen positie voor de natuur. Techne is een berekend denken of benaderen. Het gaat om het kenen in het perspectief van het kunnen, uiteindelijk doelend op het kopen. Het kopen is de aandrijving naar nieuwe technologische innovaties te verrichten. Dit is de dominante benadering van de werkelijkheid vanaf de 16e eeuw, opkomst van de moderne wetenschap, de wortels liggen al in de omslag bij de Grieken bij de breuk met van Plato en Aristoteles met de Pre-socraten.
Das Wesen der Sprache (1959) uit: Unterwegs zur Sprache
Deze tekst gaat over denken als bezinnen, bezinning op ons denken. Wat is iets eigenlijk? Wat is het meest oorspronkelijke en wat hoort eigenlijk tot iets? Denken als bezinnen is nauw verbonden met poëzie. Hij doet wat zijn tijdgenoten Pound en Eliot ook doen, maar anders. Bij hem gaat het om bezinning op de ontwikkeling, bij Eliot om de klaagzang en Pound voert het meest van de drie heren actie, Pound probeert namelijk wat te maken.
De onderliggende gedachten geeft hij weer in 3 fasen, te weten:
- de vraag naar het zijn, de vraag naar authenciteit (bij extentialisme: antropologische interpreatite, bij Heidegger: Sein-Zum-Tode – sterfelijkheid).
- de waarheid van het zijn, waarheid als onverborgenheid (alètheia).
- de plaats van het zijn.
In het Duits zijn kan je sein ook schrijven als seyn en dit gegeven gebruikt hij dus. Hiermee wil hij benadrukken dat sein als positief iets: hier & nu. Wesen verstaat hij als werkwoord. Hier is natuurlijk de vraag: wat en hoe zegt Heidegger over poëzie.
Wat er gebeurt in deze 3 voordrachten. Het gaat hier om een inversie of een omkering van onze visie op taal en dus ook van de relatie tussen woord & ding. In de eerste fase is de gewone, gangbare en dominante visie berekend en technologisch. Taal is een middel om dingen mee te duiden. Taal helpt begrijpen. Een instrumentalisme of functionalisme benadering van de taal krijgt hier kritiek van Heidegger. In de tweede voordracht gaat hij in op de wezenlijke betekenis die de taal is. Taal is een Sage van het Weltgevierte. Waarop wij eigenlijk altijd al afgestemd zijn zodat we kunnen spreken. Hier is dus sprake van subject-object omkering. Tenslotte bespreekt hij het blikveld van de mens. Er is een wijdsheid die vooraf gaat aan de mens. De horizon is er altijd, maar die wijkt weer terug. Er is een speelruimte en daarin is ruimte voor het sterfelijke leven van de mens.
De driehoek (zieldeling, logisch, wiskundig en kunst) van Plato heeft hier wel enigszins ruimte. Hiërarchisch denken hoort volgens hem bij dit subject-object denken. Het gegeven zijn van die speelruimte is iets waar dichters en denkers zicht voor en in krijgen.
Bij de laatste pagina’s treedt er meer duisterheid of mystiek op. De Sage en de taal zijn als wezen en speelruimte. In Eliot’s Four Quartets is het geluid van de wereld en wordt het bij elkaar gehouden door het stillpoint of the turning World.
In de eerste van de drie lezingen van Das Wesen der Sprache schrijft Heidegger:
“Dies nun jedoch, mit der Sprache eine Erfahrung machen, ist etwas anderes als sich Kenntnisse über die Sprache beschaffen.” (p. 150)
Heidegger beoogt hier het verschil tussen kennis van iets hebben en ervaring met iets hebben, in dit geval de taal. Hij beschouwt dit als een belangrijk verschil voor onze kennis van de taal. De taal gebruiken wij om iets te benoemen. De taal is daarbij voorafgaand aan de dingen die wij benoemen aanwezig. Wij beschouwen de taal echter gangbaar als instrument als wij de dingen benoemen en niet als iets wat zich laat zien in de ervaring van zichzelf, in het benoemen van de dingen.
Wij ondergaan de ervaring van de dingen benoemen met de taal. Zodoende beschouwt Heidegger de taal niet als iets waarvan wij kennis kunnen hebben, maar iets waarmee we ervaring kunnen hebben. Het wezen van de taal laat zich ervaren en wij kunnen kennis opdoen van die ervaring.
Er is dus een wezenlijk verschil tussen de kennis die wij doorgaans beschouwen als kennis van de taal, en het wezen van de taal, welke inzicht in de ervaring geeft. De doorgaans als kennis van de taal aangenomen kennis is volgens Heidegger metataal. Zij omschrijft namelijk het product van de ervaring. De taal gaat dus vooraf aan onze ervaring van de taal. En na onze ervaring van de taal hebben wij inzicht in de taal als ervaring om ons te kunnen bezinnen over het wezen van de taal.
Sage is the question
Wat bedoelt Heidegger allemaal met het landelijke, het zwarte woud, de oerwereld, met dit geheel. Ook de nabijheid van het denken en dichten, bij het eigen blijven is opmerkelijk. En zijn vervreemding is niet zoals bij Laconta of Eliot.
In de voordrachten vinden we het na-denken van wat er in het besproken gedicht van Stefan gebeurt. Eerst wordt je wakker gemaakt. Dat denken en dichten bij elkaar horen vinden we aan het einde van de eerste voordracht, je wordt voorbereid op de omkering. In de tweede voordracht wordt de weg naar die omkering weergegeven. De vraag rijst wat betekent die nabijheid. In de derde voordracht wordt dit alles wetende het motto: in plaats van das Wesen der Sprache: die Sprache des Wesen. De plaats van het zijn is de speelruimte waarin die Sage klinkt. De eerste voordracht is het makkelijkst vanwege dat gedicht en diens uitleg.
De inzet van het hele stuk is nu duidelijk gemaakt. Zijn inzet is ons voor de mogelijkheid te brengen om een ervaring met de taal door te maken. En aangetoond is dus waarom en welke foute misvatting wij hebben van de taal.
In de eerste voordracht van zijn tekst behandelt eveneens Heidegger het gedicht Das Wort. In dit gedicht van Stefan George wordt de ervaring van de dichter met de taal aangegeven en dat is waar het Heidegger hier om draait. Hij gebruikt het gedicht om de gangbare misvatting over taal aan te geven. We gaan er doorgaans vanuit dat de taal tot onze beschikking is en wij de dingen benoemen. De dichter in dit gedicht zoekt inspiratie voor de benoeming van de droom of het wonder dat hij gehad heeft. Dit is de romantische visie over de taal. Er is namelijk geen taal als instrument waar wij de dingen mee benoemen. Taal kan ervaren worden in de benoeming van de dingen, maar dus niet als ons instrument. Het is de taal die er al is en het zijn de dingen die wachten op het door ons benoemd worden. Stefan George gebruikte allerlei ouderwetse Germaanse Sagen en dergelijke. Hij stond voor het nieuwe rijk. De intellectuelen zijn daarin hebben de elite. De nationaal socialisten hebben dit idee gebruikt. Het lijk iets profetisch. Er is een wonder, de droom voor de dichter. Deze zoekt inspiratie voor het woord, voor de benoeming van dat wonder of die droom. Dit is een naïeve romantische visie van de taal. Er is geen passend woord voor de dichter. Hiervoor is de laatste regel van het gedicht heel treffend: ‘Kein Ding Seit war das Wört nicht ist’ (geen ding is waar het woord ontbreekt). De dichter heeft een ervaring met de taal, waarbij de taal zijn afwezigheid geeft. De dichter wacht tot hij de dingen mag benoemen met de taal, niet op de naïef gedachte inspiratie. We moeten de gedachten afleren dat we eerst de dingen hebben en met de taal ze dan vervolgens benoemen. Taal is zelf de voorafgaande sfeer van waaruit het zijn van de dingen ter sprake kan komen. Taal als besloten Sage waardoor het zijn aangereikt wordt.
Bezinnend Denken
Denken krijgt hier een andere rol, in volgorde respectievelijk dichterlijk denken, het denken als een weg en het ervaren van het wezen. Het bezinnend denken is belangrijk. Dit denken op de taal leidt tot een aantal inzichten over de taal. De taal is het huis van het zijn. Het afleren van de gewone ervaring van het woord Sicht leidt wel tot inzicht (versicht). Dat is niet genoeg. Het laatste inzicht: inzicht is na de ervaring van de dichter. De Godin: er slaapt hier helemaal niets en de kleinoot valt weg. Maar wordt er niet te veel bijbedacht als de mens de tekst of dit gedicht leest? Het is een belangrijk gevaar te weinig denken dat niet de denkende ervaring met de taal is. Dat geeft de nabijheid aan. Het denken is geen middel voor het kennen, het denken trekt voren in de akker van het zijn.
Das Wesen der Sprache – Die Sprache des Wesens
Het wesen is geen essentie die gekend kan worden. Als denken gericht is op het wezen dan is er geen essentie in Aristotelische zin. Het moet dus om wat anders gaan. Heidegger geeft een uitweg: als wij de vraag naar de taal stellen dan kan dat alleen maar omdat die taal ons zelf al toegesproken heeft. Een vraag heeft vooraf al bepaalde kennis nodig. Toch is er hinzicht (inzicht in de terugblik), ondanks alle problemen. Er is al een zuspruch geweest. Het is geen lege omkering. Het is een formulering die laat zien wat die dichterlijke ervaring is en dat we daarmee verder op weg moeten gaan.
Nabijheid en Sage
Het is de streek waar denken en dichten elkaar nabij zijn. Denken en dichten hebben iets met elkaar. Het is hier wel alleen nog een voorstel, het is alleen een plaatsing van Heidegger. Maar er is nog iets. We kunnen vragen omdat we al toegesproken zijn. Er is dus al de Sage (Sagen). Hetgeen wat zusprach heeft gedaan. Sage is ene gemeenschappelijke van denken en dichten, het is ouder, grondiger en wezenlijker dan de logos. Je kunt Sage wel beweren, maar ze staan tegenover elkaar, uit elkaar (dus wel bij elkaar behorend). Het zijn buren die tegenover elkaar wonen, parallellen die elkaar in het oneindige snijden. In de derde voordracht wordt de Streek van het nabij zijn verder uitgewerkt. Denken verkeerd al op een bepaalde plek. Dat denken beweegt daar een beetje.
Taal is de verwoording
Aristoteles praat er ook over… maar zegt Heidegger, hier moeten we helemaal vanaf. Het is vergiftigd met technologisch materiaal. Om andere visie naar voren te krijgen, gebruikt hij term: mundaart (aardig mondje fries) en Hölderin: ‘Taal is de bloem van de mond’. Taal is de bloem van de mond in de bloem bloeit de aarde de bloem van de hemel tegemoet. Zo komen we in een andere setting terecht. We komen terecht in deze wereld met betrekking van tijd & ruimte. ‘Sprache west als Sage, Sage west als Nähe, Nähe west als bewegung van het Weltgevierte’; de vier delen van de wereld: hemel, aarde, mens & goden.
Dat bewegen wordt hier door Heidegger nog gebruikt als speelruimte in tijd. Het is een soort speling. Hij geeft dus de mogelijkheidsvoorwaarde voor de ervaring met de taal. Dat spel is die mogelijkheidsvoorwaarde van die vier elementen. Stilte en geluid komen ook bij elkaar. Oxymoron omdat er speling is. Spel van de stilte wat gespeeld wordt in de ruimte van de Sage. Bij dit einde van de tekst ben je nu in een meest fundamentele existentiële positie gedacht. De ervaring van het leven, niet van de tekst. De tekst brengt je ervoor, maar laat je het niet ervaringen. De ervaring is talig, geen buitentalige regionen.
Deze tekst in zijn tijd
Een gedeelte van wat je hier leest is gelijk aan T.S. Eliot, bijvoorbeeld de still of movements. Heidegger spreekt van ‘de stilte van klank’. De vier elementen benoemen ook de existentiële vragen of dingen. Ricœur vindt dat Heidegger de filosofie in de steek laat. Hij geeft een nieuwe metafysica en zonder argumenten en met heel veel eigen gemaakte begrippen, heel begrippelijk, te weinig begrip voor begrippen. Hij vindt het dus helemaal fout. Zijn prognose zodoende is dan ook fout.

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer