Sharon Hagenbeek is Watching You!

Een Interview met Geschiedenis

door

Dit jaar is de Faculteit der Wijsbegeerte opgegaan in een andere faculteit. De geschiedenis van ons eigen instituut was kort, maar krachtig. Deze verandering zal de meesten niet ontgaan zijn. Sommigen reageerden ontzet en voor anderen was het niet veel meer dan een andere naam. Geschiedenissen zoals de onze gaan te vaak verloren en hoe is het ook mogelijk om alles goed te behouden, onthouden en met name door te geven? Daarom is een gesprek met een filosoof van de oude (Leidse) stempel, prof. dr. M.F. Fresco, een verrijking aan verloren tijden.

In 1960 werd er een wet aangenomen in de tweede kamer die elke universiteit verplichtte tot de oprichting van een Centrale Interfaculteit, waarin de filosofie haar rechtmatige plaats kreeg. Filosofie had daarvoor altijd één of twee leerstoelen binnen een andere faculteit gehad, maar in de jaren zestig werd het belang van de filosofie erkend en werd haar plaats te midden van de wetenschappen eindelijk toegekend. Wijsbegeerte was voordien – ondanks het bestaan sedert 1876 van de Faculteit van Letteren en Wijsbegeerte – nauwelijks een zelfstandige studie en de hoogleraren die snel de nieuwe interfaculteit moesten bemannen werden dan ook uit alle hoeken van de wetenschap gehaald.

Toen de Centrale Interfaculteit van de Rijksuniversiteit Leiden een feit was, kwam Fresco begin jaren ’70 naar Leiden. ‘Na de oorlog was er in het kader van de “doorbraak” de katholieke priester Ferdinand Sassen benoemd, de grote man voor de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland en vervolgens is er in 1962 nog iets bijzonders gebeurd: er kwam een tweede hoogleraar filosofie bij, Cees van Peursen (1920-1996), zonder dat de eerste met pensioen ging. Sassen is in 1964 met pensioen gegaan en hij is toen opgevolgd door Gabriël Nuchelmans (1922-1996). Nuchelmans heeft ervoor gezorgd dat ik aan de Universiteit Leiden ben gekomen. Ik ben vanuit Brussel hierheen verhuisd.’ Fresco, die van oorsprong classicus is, deed onderzoek naar onder anderen Socrates, Dèr Mouw, en, sedert zijn emeritaat, naar Hemsterhuis, de Bataafse Socrates. In zijn tijd aan het filosofische instituut maakte hij de ontwikkelingen van dichtbij mee. Zo zag hij de opvolging van Van Peursen door Herman Philipse , die inmiddels ook weer weg is, en in 1987 zag hij Nuchelmans opgevolgd worden door B.G. Sundholm, die nog wel actief is binnen de Leidse Wijsbegeerte. Er gebeurde veel in de tijden van de Centrale Interfaculteit, maar dat was niet voor lang.

Voor WO II was wijsbegeerte een onderdeel bij Letteren. De wet die de Centrale Interfaculteit bij alle Nederlandse Universiteiten verplicht stelde is in 1992 ontbonden. Het bestaande instituut werd omgedoopt tot de Faculteit der Wijsbegeerte. Wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam ging al in 1997 op in een nieuw instituut, de Faculteit der Geesteswetenschappen. De Universiteit Leiden heeft dus in feite nog vrij lang gewacht, en nu is het dan eindelijk zover: wijsbegeerte behoort toe aan de Faculteit der Geesteswetenschappen, de voormalige Faculteit der Letteren.

Dat begrip ‘geesteswetenschappen’ duidt de wetenschappen aan die zich bezighouden met producten van de geest. Het is de belichaming van de zogeheten alfawetenschap die tegenover de bètawetenschap (natuurwetenschap) staat. Ons woord geesteswetenschappen gaat terug op het Duitse woord `Geisteswissenschaften’, waarmee in de 19e eeuw het Engelse `moral sciences’, een term van John Stuart Mill,  werd vertaald.  Het woord kreeg vooral bekendheid door Wilhelm Dilthey, die zich filosofisch bezon op de hermeneutiek. Zo werd de methode genoemd van het uitleggen of vertalen van teksten. Het gaat dan om inzichten als: dat een begrijpen of verstaan van een tekst altijd is gebonden aan onze eigen tijd, aan onszelf en onze vooroordelen, aan de geschiedenis en de receptie die de tekst tot nu toe gedefinieerd heeft.

Welke methoden wetenschappelijk deugden, was al in die tijd een problematisch punt. Voor menigeen gold alleen de natuurwetenschappelijke methode als wetenschappelijk. Elke omarming van de hermeneutiek kon gezien worden als onwetenschappelijk. De strijd om de methoden had ook een grote impact op Fresco: ‘Ik heb mij wel veel bezig gehouden met hermeneutische problemen, doordat ik ook veel literatuurwetenschap bedreef. Terug in Nederland kwam ik in een methodenstrijd terecht. Daarvoor had ik mij in betrekkelijk naïeve onschuld aan interpretaties van gedichten van Dèr Mouw gewijd, en het was nog maar de vraag of dat wetenschappelijke waarde had, want het was geen bètawetenschap. In mijn eerste publicatie na het verschijnen van mijn proefschrift in 1971, heb ik uitvoerig nagedacht over de wetenschappelijkheid van wat ik als academicus nu eigenlijk aan het doen was. De titel van dat artikel was zelfs: ‘Zijn alfa-wetenschappen wetenschappelijk?’. Tot en met mijn afscheidscollege aan toe heb ik nagedacht en gesproken over het voor en tegen van waardeoordelen en over het feit dat de mens de wereld niet neutraal ervaart.’

Binnen de universiteit was de strijd er niet minder om. ‘Al is de eerste jaren na de oorlog was in Amsterdam een grote discussie losgebarsten over de oprichting van de ‘Zevende Faculteit’; ik heb dat als student van nabij meegemaakt. Bij die nieuwe faculteit ging het om  nieuwe wetenschappen, de sociale of menswetenschappen, door methodoloog Adriaan de Groot slim  ‘gammawetenschappen’ gedoopt. Voldeden die nieuwe wetenschappen aan de eis van wetenschappelijkheid?  Er waren twee soorten criteria, ten eerste  het volgen van betamethoden, concreet  het afwijzen van het idiografische (hermeneutische) model ten gunste van het nomothetische (wetgevend). Het ging echter om het tweede criterium. Volgens de oude traditie is wetenschap niet politiek en waardevrij. Dat idee werd vooral gehuldigd aan de Rijksuniversiteiten, met Leiden voorop. Hoe zou het anders kunnen bij een vakgebied als politieke wetenschappen? In Amsterdam werden de hoogleraren altijd door de gemeenteraad benoemd en destijds was de Amsterdamse gemeenteraad natuurlijk knalrood, zelfs “onfatsoenlijk rood” in de ogen van de katholieke minister van onderwijs Gielen. De minister weigerde de beoogde benoemingen van hoogleraren zoals Jacques Presser, te bekrachtigen. Dat was een nog nooit vertoonde confrontatie. Uiteindelijk zijn in een compromis twee van de drie rode makkers toch benoemd. De wetenschappelijkheid van de gammawetenschappen was dus heel omstreden en in het kielzog daarvan werd ik geconfronteerd met de vraag naar mijn eigen werk: was wat ik gedaan had serieus te nemen? Met steun van Hans-Georg Gadamer heb ik altijd het gevoel gehad dat het toch de moeite waard is. In mijn artikelen over methodologie en over wetenschappen als literatuurwetenschappen, heb ik het gedachtegoed van Gadamer trachten te verwerken, vooral in de jaren 70.’

Gadamer trad in de voetsporen van Dilthey; hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de hermeneutische filosofie. Waar zijn voorgangers de hermeneutiek, en dus het in acht nemen van de context en onszelf als interpretator van een tekst, nog als mogelijkheid voor objectiviteit zagen, laat Gadamer dat juist gaan. Hij wil vooroordelen respecteren en juist in het spel laten brengen, ten einde verder te komen en nieuwe betekenissen en nieuwe vragen te ontsluiten. We zien de betekenis van een tekst pas als we de context erbij in beschouwing nemen, maar we kunnen die context ook pas goed begrijpen via haar afzonderlijke delen. Bij dit begrijpen van de context of de tekst moeten we volgens Gadamer ook ons historisch bewustzijn als betekenisgevend element niet ontkennen. Sterker nog, zij is de manier waarop wij ook maar iets van een waardeoordeel kunnen vormen[1].

‘De grote betekenis van Gadamer is voor mij de bewustwording geweest dat ik een alfawetenschappelijke activiteit ontplooide die idiografisch – het bijzondere, singuliere beschrijvend -,  hermeneutisch interpreterend is. Achteraf gezien besef ik beter wat ik gedaan heb. Het zal me eigenlijk een zorg zijn of iets wetenschappelijk heet. Noem het dan academisch, als wetenschappelijk in de praktijk voor bètawetenschappelijk gereserveerd blijft. Ik probeerde een gedicht te interpreteren. En ik ben van mening dat het Vorverständnis van Gadamer ook echt op alle niveaus noodzakelijk is.

Kant heeft de metafysica willen funderen die ‘als Wissenschaft wird auftreten können’, die dus wetenschappelijk was, en zodoende werden we, of althans ik, geconfronteerd met dat soort pretenties van wetenschappelijkheid. Wahrheit und methode van Gadamer stelt in feite dat een waarheidsideaal wel degelijk ook in de geesteswetenschappen op een bepaalde manier mogelijk is. Elke tekst is deel van een gesprek, het is een antwoord op een vraag, dat is typisch Gadamer, dat is heel mooi. De weg van de minste weerstand is ook fout. Hij opponeert tegen de voorwaarden vrij te zijn van vooroordelen van wetenschappen – voor objectiviteit dient men onbevangen te zijn, men moet zich van alle vooroordelen ontdoen. En dan beweert Gadamer dat je juist wel je eigen meningen en vooropvattingen onder woorden moet brengen, het is een soort gesprek. Dat soort elementaire beginselen krijg je niet aangeleerd en hij beschrijft ze heel mooi. Dan zie je opeens dat je met iets heel eigens bezig bent. Systematisch, methodisch te werk gaan is één ding, maar datgene waar het op aankomt en of je dat ook waarheid mag noemen, dat zul je nooit helemaal te pakken krijgen. Je kunt niet buiten je Vorverständnis stappen. Als je probeert daaraan te ontsnappen dan lukt dat niet, het is alleen maar schone schijn als je dat lijkt te lukken.’

Ondanks de problematische status van de alfawetenschappen stond de wijsbegeerte niet stil. Zo werd er in 1984 een groot congres georganiseerd over Heidegger. Bij dat congres was ook Gadamer aanwezig. ‘Van Peursen was voor alles te vinden wat zijn medewerkers bedachten. Zijn belangrijkste medewerker was Rob J.A. van Dijk. Die was een soort van Heidegger-guru. Dat congres was zijn initiatief en van de student H.W. Peter Vijgenboom. Zij wilden het hebben over Heideggers Ende der Philosophie und die Aufgabe des Denkens van Heidegger. Ze hebben mij toen gevraagd om mijn internationale relaties te gebruiken. Kort na die vraag was ik in Minden in Duitsland en ik heb aldaar het Duitse telefoonboek erbij gepakt en heb Gadamer toen opgebeld. ‘Waarde collega, wilt u meedoen?’ vroeg ik, en hij vond het goed. Het was mijn brutaliteit die ervoor had gezorgd dat Gadamer naar Nederland kwam, daar ben ik nu nog steeds wel trots op.’

‘Daarvoor kende ik Gadamer al wel, maar niet persoonlijk. De eerste keer dat ik hem heb horen spreken was in 1968 in Wenen. Daar was een vijfjaarlijks wereldcongres dat plaats vond tijdens het einde van de Praagse Lente. Er was een verhitte discussie tussen de Russische en Westerse filosofen, die laatste onder leiding van Karl Popper en Klibanski. Die eisten dat de Russen hun regering zouden bekritiseren. Ondanks alles werd in het operagebouw een feestelijke opening gegeven en de feestrede werd gegeven door Gadamer. Hij vertelde een eenvoudig verhaal en ik was in eerste instantie teleurgesteld. Pas in tweede instantie heb ik begrepen dat het juist de grootheid van Gadamer was dat hij zijn lezing zo had afgestemd op de gelegenheid. Het was helder, duidelijk, inzichtelijk en breed. Toen heb ik hem niet persoonlijk ontmoet, maar hij had wel al een grote indruk op mij gemaakt.’

‘De tweede keer dat ik een lezing van hem bijwoonde was in Mainz in 1981. Dat congres was aan Kant gewijd. Gadamer gaf toen een persoonlijke terugblik op het Neo-Kantiaanse klimaat uit zijn jonge jaren, begin 20ste eeuw. Hij was geboren in 1900, in de tijd dat men terugwilde naar de kennistheorie. Die speech was zo geweldig. Ik ben na afloop naar hem toegestapt en ik heb hem gefeliciteerd. Het leuke was dat hij, die grote man, door mijn kleine persoon uit Leiden gevleid kon worden; ‘meent u het werkelijk?’ vroeg hij. En dat was drie jaar voor het congres in Leiden. In hoeverre hij zich dat nog herinnerde toen ik hem aan de telefoon had weet ik niet.’

Fresco zal altijd het werk van Gadamer lezen in de context van de geschiedenis van hun persoonlijke ontmoetingen; een goed hermeneuticus ziet en beschrijft dat. ‘Gadamer was zo’n erudiete man, hij leek wel een homo universalis. Na afloop van het congres op de laatste dag hebben we nog gezellig gegeten en geborreld bij mij thuis. Mijn laatste herinnering aan hem is ook van die avond. We hebben gedronken tot laat in de nacht.’ Een opmerkelijke anekdote omdat Gadamer in de boeken niet omschreven wordt als een persoonlijke of amicale man, die ook zeer geliefd was bij het andere geslacht. ‘Hij was echt een persoonlijkheid, en heel geliefd bij de beau monde van Duitsland.’

De mooie lezing die Gadamer gaf tijdens zijn bezoek aan Leiden is terug te lezen in de congresbundel. ‘Hij vertelde later over de telefoon dat hij zijn lezing niet belangrijk genoeg vond om in de bundel van het congres te laten opnemen. Ik heb er op moeten aandringen dat hij het wel liet publiceren. Het congres ging over Heideggers these van het einde van de filosofie. Gadamer was het overigens ten dele wel eens met de kritiek van classici dat Heidegger de klassieke Griekse teksten in zijn vertalingen niet altijd recht doet.’

In de bundel heeft Gadamer een prachtige vraag geformuleerd: ‘Welche Tendenz unserer Zeit ist es, die durch die Formel vom Ende der Philosophie beschrieben wird?[2] Misschien is met de oprichting van de Faculteit der Geesteswetenschappen de cirkel weer rond en kan de filosofie zich opnieuw bewust worden van haar fundamenteel hermeneutisch karakter. Volgens Fresco kunnen we nu zeker baat hebben bij het werk van Gadamer: ‘Hij is veel minder absoluut over de toestand van de wetenschap en de filosofie. Hij spreekt over het eigen karakter van de geesteswetenschappen. Hij egaliseert niet alles. Hij is voorzichtig.’

Komend jaar organiseert de Faculteit der Geesteswetenschappen haar eerste interdisciplinaire congres en dat gaat toepasselijk genoeg over Gadamer. Het is vijftig jaar geleden dat zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode. Grundzüge einer hermeneutischen Philosophie uitkwam. De impact van dat boek was enorm en de bezinning die erin plaatsvindt op het eigene van de geesteswetenschappen zou deze laatste juist ook vandaag weer nieuw elan kunnen geven.


[1] Een goede inleidende uitleg van de hermeneutiek vond ik in een artikel uit 1981, Interpretatie – een temporeel gebeuren. Enkele grondgedachten van de hermeneutische filosofie, van onze eigen Gerard Visser.

[2] Gadamer, Anfang und Ende der Philosophie, in: Heideggers These vom Ende der Philosophie, Verhandlungen des Leidener Heidegger-Symposiums April 1984.

Informatie over het congres:
Volgend jaar, precies een halve eeuw nadat de Duitse filosoof Hans-Georg Gadamer zijn baanbrekende studie Wahrheit und Methode publiceerde, organiseert de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden een conferentie onder de titel “Truth and Method Fifty Years After”. Onderzoekers uit binnen- en buitenland buigen zich drie dagen lang over de vraag naar de betekenis van Gadamers werk voor o.a. de geschiedschrijving, de godsdienstwetenschap, de letteren en de kunstgeschiedenis. Keynote speakers zijn Prof. Günter Figal (Universiteit Freiburg), Prof. Jochen Hörisch (Universiteit Mannheim) en Prof. Guy Widdershoven (Vrije Universiteit Amsterdam). De conferentie vindt plaats van 26 t/m 28 augustus 2010.

In het tweede semester 2009-2010 organiseert de onderzoeksmaster ‘Literature’ ook een seminar over Gadamer. De cursus is bedoeld voor masterstudenten uit alle opleidingen van de faculteit Geesteswetenschappen en wordt gegeven door een team van diverse docenten. De laatste bijeenkomsten (met o.a. een lezing op 10 mei door de Utrechtse hoogleraar Ton Naaijkens, over Gadamer en de poëzie van Paul Celan) zullen ook voor een breder publiek toegankelijk zijn.

Voor nadere informatie zie voorlopig de home page van het Pallas Instituut voor Culturele Disciplines, http://www.hum.leidenuniv.nl/pallas-icd/ (klik op ‘Volledig overzicht’ onder de rubriek ‘Actueel’). Aan een aparte conferentie-website wordt gewerkt. Voor vragen over conferentie en seminar kunt u ook terecht bij dr. Madeleine Kasten van de opleiding Literatuurwetenschap, m.j.a.kasten@hum.leidenuniv.nl.

Filosofie · Interviews

 
 
 

1 reactie tot nu toe ↓

  • 1 Madeleine Kasten // 30 okt 2009 at 19:04

    Sharon, wat een mooi interview! Leuk om te lezen dat we ons met het aanstaande congres dus in een Leidse traditie scharen.

    Hartelijk,
    Madeleine Kasten

Reageer

Comment: