Sharon Hagenbeek is Watching You!

De rol van de wetenschapper als niet-natuurwetenschappelijk model

door

Hier wil ik één van de meest opmerkelijke resultaten uit de Honours Class “Ethnography of Academic Disciplines” bespreken: de subjectieve rol van de wetenschapper ten aanzien van zijn onderzoeksobject. Van oudsher was dit idee een toonbeeld van onwetenschappelijkheid en dus niet op een andere wijze te benaderen. Een hardwerkende onderzoeker probeert een bijdrage te leveren en vindt zich zodoende in de traditie van wetenschappelijke regels geplaatst. Die traditie geeft niet alleen vorm aan de in zijn of haar onderzoek gehanteerde methoden, eveneens ziet die wetenschapper zijn rol gedefinieerd in het proces dat wetenschap heet. Zowel De Vries als Lesnoff spreken over die traditie. Elk van hen erkent het belang dat gehecht wordt aan sociale netwerken ten behoeve van de verspreiding van kennis, de samenwerking. Zij spreken beiden over de complexiteit van de onderzochte begrippen van sociale wetenschappen. De Vries spreekt daarbij over ‘methodologisch pluralisme’[1], waar Lesnoff een bespreking van de conflicterende ontwikkeling van de sociale wetenschappen weergeeft. Voorheen probeerde zij namelijk te voldoen aan het natuurwetenschappelijke model. Geen van beiden gaat echter in op de individuele rol van de wetenschapper in zijn onderzoek, hetgeen waarmee er sprake lijkt te zijn van een ander model dat de sociale wetenschappen hanteren. Misschien is het model van wetenschappelijkheid juist verschillend bij hen beiden door de verschillen tussen vakgebieden, of juist door het modelleren van de sociale wetenschappen aan de hand van de natuurwetenschappen als voorbeeld; in ieder geval toont het meer dan alleen een ‘methodologisch’ verschil, het toont een ander beeld van de wetenschap en de wetenschapper die de ‘objectiviteit’ nastreeft.

De Historische Lijn
De Vries bespreekt in zijn boek de historische groei van de wetenschap, de wetenschap zou een ‘sleutelrol worden toegedicht in de ‘gerationaliseerde’ cultuur’[2]. Men is er daarbij vanuit gegaan dat de sociale wetenschappen zich wel op dezelfde manier als de natuurwetenschappen zouden ontwikkelen, zowel qua methodologie als onderzoeksprogramma’s. De Vries geeft aan dat er door recente ontwikkelingen binnen de epistemologie een antropologische benadering van de wetenschappen meer belang heeft gekregen. Daarbij hebben wetenschapsfilosofen hun ongelijk gekregen met betrekking tot hun aanname dat de academische disciplines zich allen zouden ontwikkelen volgens de historische lijn die wij in de natuurwetenschappen hebben gezien.[3] De Vries gaat niet zozeer in op karakteristieken van de sociale wetenschappen, maar benadrukt dat zij zeer verschillend zijn van de natuurwetenschappen en dus van het traditionele beeld van de wetenschap. De verschillen zouden ons traditionele beeld van de wetenschap – de natuurwetenschap als ‘normale wetenschap’ – compliceren en dit zou leiden tot methodologisch pluralisme. De ‘familie’ die wetenschap heet zou zich van velerlei verschillende manieren bedienen om het onderzoeksobject te benaderen. Bij De Vries is er dus weinig reflectie over wat wij van juist die andere ontwikkeling van de sociale wetenschappen of zelfs andere wetenschappen kunnen leren. Hij let meer op het onderscheid tussen, de samenhang met en de wederkerigheid van wetenschap en samenleving, ons beeld van de algehele wetenschap.

Misschien gaat hij hier voorbij aan de mogelijkheden die juist de ontwikkeling van de sociale wetenschappen ons kunnen bieden. Met name de wetenschappen die de cultuur of de mensheid als onderzoeksobject hebben, zouden ons een ander zicht kunnen geven op de verhouding van de wetenschap en de cultuur. De Vries speculeert hier enkel over de nieuwe praktische maatstaven die een anders ontwikkelde wetenschap ons zou kunnen opleveren[4]. Hierbij is natuurlijk ook de vraag te stellen of de sociale wetenschappen nog steeds ‘achterlopen’ qua ontwikkeling op de natuurwetenschappen, leeftijd garandeert immers geen wijsheid.

Eigenlijk probeert De Vries zich als wetenschapsfilosoof verre te houden van zowel de sociale wetenschap als de cultuur en daarmee dicht hij zich, zoals wel meer (wetenschaps)filosofen, een rol toe als passieve observant; De Vries hanteert dus een natuurwetenschappelijke benadering bij het benaderen van zijn object, de verhouding van de wetenschap en de cultuur.

De Wens tot Samenhang
De sociale wetenschappen onderzoeken de mens en het menselijk gedrag. Bij Lesnoff zien we hoe het menselijk gedrag tot uiting komt in de intersubjectieve relaties die wij aangaan. In die relaties toont zich het menselijk gedrag in de acties die in die relaties plaatsvinden. Ook impliceren deze aan de relaties inherente acties een patroon van verbondenheid van die acties aan die relaties[5]. Maar zoals Lesnoff aangeeft: om dit te kunnen onderzoeken moeten eerst menselijke acties gedefinieerd worden. En op dit punt krijgen de sociale wetenschappen met iets te maken waar de natuurwetenschappen geen last van hebben: om tot een definitie van de menselijke acties te komen moeten de sociale wetenschappen uitspraken doen over het mentale van de mens (‘mind’). Er zijn echter geen empirische uitspraken te doen over het mentale van de mens[6].

Anders dan bij de sociale wetenschappen, onderzoekt men bij de natuurwetenschappen theoretische entiteiten die zich juist wel lenen voor empirisch onderzoek. Ook De Vries spreekt over dit exacte verschil; ook hij gaat in op de complexiteit van het begrip intelligentie[7]. Hierbij neemt hij de psychologie als maatstaf voor de sociale wetenschappen. Deze aanname strookt echter niet met de methodologische verschillen die wij onderzocht hebben in de Honours Class, die ik hier verderop zal bespreken.

Lesnoff komt tot de conclusie dat de lijn van de ontwikkeling van de natuurwetenschap niet zonder meer toepasbaar is bij de sociale wetenschappen, want de onderzoeksobjecten zijn niet zonder meer compatibel; daarbij zwijgt hij over de mogelijkheid tot gelijkheid van de sociale en natuur-wetenschappers. Wel geeft hij net als De Vries aan dat de sociale netwerken belangrijk zijn ter verspreiding van kennis. En ook Lesnoff bespreekt de verschillen tussen de onderzoeksobjecten van de natuurwetenschappen en de sociale wetenschappen.

In zijn laatste woorden spreekt De Vries over de toekomst van de wetenschap en de ontwikkeling van de wetenschap die bovenal bestaan uit ‘systematisch opbouwen van steeds hechtere, omvattendere en daardoor moeilijker te negeren netwerken’. Ook in het onderzoek van de Honours Class ontdekten wij het belang van het netwerken, onze informanten gaven elk zelf al aan dat dit belangrijk is. De vakgebieden van de informanten die wij gesproken hebben, richten zich elk inderdaad systematisch op het opbouwen van netwerken, de samenwerking waarmee het delen van kennis bevorderd wordt. Maar het belang van het individu in een samenwerking is bij de ene wetenschap belangrijker dan bij de andere. Dit is belangrijk voor de mogelijke invloed op het resultaat, het onderzoek en de samenleving die al dan niet baat heeft bij of invloed heeft op dat resultaat.

Etnografie van Academische disciplines
In de Honours Class ‘Ethnography of Academic Disciplines’ hebben wij etnografisch onderzoek verricht volgens de methode van Latour. Wij hebben ons beziggehouden met een diversiteit de academische disciplines. Waar Latour zijn onderzoek specifiek uitvoerde bij de natuurwetenschappen, hebben wij zijn ‘methode’, te weten de etnografische benadering van een wetenschap, uitgevoerd bij zowel de natuurwetenschappen als de sociale wetenschappen. Daarbij zijn wij op aanzienlijke verschillen gestuit. Één van deze verschillen wil ik hier bespreken en vervolgens behandelen in deze paper: is Einstein als individu belangrijk?

Sommige wetenschappers zijn van mening dat de ontdekkingen die Einstein geformuleerd had door een willekeurige andere wetenschapper gedaan hadden kunnen worden, de ontdekkingen zijn daarbij aan maatschappij en de tijd van die maatschappij gebonden, niet aan het individu. Andere wetenschappers zijn van mening dat de maatschappij heeft gewacht tot er weer een genie naar voren trad, de maatschappij heeft het specifieke individu, in dit geval Einstein, nodig om verder te kunnen komen. Wat de vraag naar Einsteins rol als individu middenin de wetenschap toont, is de complexiteit van de wetenschapper als subject die zijn object benadert. Om vooralsnog het idee van de objectiviteit hier buitenwegen te laten, daar dit idee ook aanzienlijk in het gedrang kan komen door deze vraag.

Wij hebben dit vraagstuk voorgelegd aan alle informanten en hiermee kon een duidelijk onderscheid tussen de vakgebieden gemaakt worden. Zo probeert de sociale wetenschapper de invloed van het eigen subject, de wetenschapper zelf, niet te ontkennen. Onze informanten, een antropoloog, een geschiedkundige en een literatuurwetenschapper, gaven aan dat zij hun eigen herkomst en hun positie ten aanzien van het onderzoeksobject in kaart brengen. Het is bij hen zelfs een kenmerk van goede wetenschappelijkheid: een goede wetenschapper is zich bewust van de eigen inbreng en de eigen blik waarmee men het object bestudeerd. Onder onze zogeheten bèta-informanten, de wiskundige, de natuurkundige en de engineer, konden wij geen blijk van erkenning vinden dat de eigen persoon van de wetenschapper een invloed zou kunnen hebben op zijn onderzoeksobject en de methode die gebruikt wordt voor de benadering van dat object.

Dit methodologische verschil is wel het meest sprekend voor de voor de benadering van de psychologie. Zozeer dat het zich hier tegenover de analyse van De Vries laat plaatsen. Dit brengt in kaart hoezeer dit verschil niet eens gevestigd hoeft te zijn in het verschil van onderzoeksobject, maar in de verschillende visies op de rol van de wetenschapper.

Onze informant voor de psychologie gaf aan een zo duidelijk mogelijke scheiding te willen maken tussen het onderzoeksobject en de onderzoeker. Niet krampachtig maar dwangmatig lijkt de onderzoeker zichzelf buiten de sfeer van invloed te houden. Zodoende wilde onze informant ook benadrukken dat het niet acceptabel is in de psychologie om überhaupt vanuit de eigen persoon te spreken of de rol van de individuele wetenschapper te onderkennen. Dit was een opmerkelijke constatering, op basis waarvan we de scheidingslijn tussen alpha en bèta in ons onderzoek hebben aangepast. Dit omdat de bèta’s het mogelijk beschouwen onderzoek naar het object te doen, zonder dat de wetenschapper invloed heeft op de manier waarop het object belicht wordt. Het volgen van de regels in het vakgebied zou de uitkomst objectief maken. De alpha’s volgen echter ook de regels van het vakgebied, maar die regels zijn aangepast, dus bewust niet meer dezelfde als die van de bèta’s – dat wil zeggen dat zij het in meer of mindere mate onvermijdelijk achtten dat er een bepaalde subjectiviteit insluipt bij de benadering van het object. De methode incorporeert de subjectiviteit van de wetenschapper omwille van het bereiken van zoveel mogelijk objectiviteit.

Conclusie
Ik heb hier gepoogd te laten zien hoe zowel De Vries als Lesnoff denken over de verschillen tussen de sociale wetenschappen en de natuurwetenschappen. Beiden geven zij in meerdere of mindere mate aan dat de sociale wetenschappen niet zonder meer te vereenzelvigen zijn met de natuurwetenschappen. De Vries toont hiervoor de problemen vanuit een historisch perspectief en Lesnoff ziet essentieel andere onderzoeksobjecten waardoor de benadering van die objecten weer anders is.

Daarbij heb ik willen laten zien dat geen van hen beiden specifiek ingaat op de wetenschapper als subject, maar dat zij de wetenschap benaderen vanuit het object met een arbitraire rol voor de wetenschapper; de wetenschapper heeft als het ware een grijs gezicht. Ik heb dit de natuurwetenschappelijke benadering genoemd, omdat ik in de overtuiging ben dat deze benadering ook zo terug te vinden is bij de natuurwetenschapper ten aanzien van zijn object; en de sociale wetenschapper juist een andere benadering verkiest. De subjectiviteit wordt niet ontkent door de sociale wetenschapper en h/zij geeft zich er ook niet geheel aan over, de sociale wetenschapper beschouwd het begrip ‘objectiviteit’ echter als vatbaar voor subjectieve invulling door de wetenschapper die het object onderzoekt. Het waarheidsbegrip is daarmee niet zozeer losgelaten, maar men verkiest een pragmatische benadering van de begrippen ‘waarheid’ en ‘objectiviteit’. De pragmatische oplossing die de sociale wetenschapper heeft gekozen is om de eigen rol zoveel mogelijk te definiëren, en daarmee zoveel mogelijk objectiviteit te bereiken.

Meer nog dan een andere visie op de sociale wetenschappen, levert dit verschil ons een vraag op voor Lesnoff: is het model van de sociale wetenschappen toepasbaar op de natuurwetenschappen? De sociale wetenschappen zijn dus niet alleen gevormd aan de hand van het natuurwetenschappelijk model, zij hebben veel meer een eigen model, het pragmatische model.

Bibliografie

  • Van Burg, H-P., drs. Eerhart, R., Hagenbeek, S.C.W., Van der Horst, A., Runhardt, R., Valentin, W., dr. McAllister, J.: Final Draft 12-10-2008: Ethnography of Academic Disciplines, publicationdate: 1 december 2008, Leiden: Universiteit Leiden, Faculteit der Geesteswetenschappen.
  • Lesnoff M., 1974: The Structure of Social Science: A philosophical Introduction, pp. 32-48, London: George Allen & Unwin.
  • De Vries, G., 1995: De ontwikkeling van wetenschap, Groningen: Wolters-Noordhoff.

[1] P.123.

[2] De Vries: 1995, p.181.

[3] Vgl. Ibid., p182.

[4] P.133.

[5] Lesnoff, 1974: p.32-33.

[6] Ibid.

[7] De Vries, 1995: 125-128.

Filosofie

 
 
 

0 reacties tot nu toe ↓

  • Er zijn nog geen reacties.

Reageer

Comment: