Andreas Kinneging heeft afgelopen zomer zijn oratie gehouden als professor aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid in Leiden, waar hij vroeger ook gestudeerd heeft. Ook is hij een regelmatige gastschrijver en columnist bij de Trouw. Daarin en in andere media, profileert hij zichzelf regelmatig door zijn scherpe mening. En naast dat hij bij de scouting helpt, is hij ook één van de oprichters van de Edmund Burke Stichting, het Nederlandse discussieplatform voor het conservatisme. Hij vertelt over zijn boek Geografie van goed en kwaad dat dit jaar is uitgekomen, waarin hij oproept tot verzet tegen de demoralisatie van de samenleving en tot een publiek debat.
“In mijn boek probeer ik boven de waan van de dag te staan. En me te richten op de fundamentele lijnen en vraagstukken, bijvoorbeeld de problemen waarmee wij te maken hebben, de manier waarop wij tegen dingen aankijken. Dat zijn denkstructuren die ontstaan zijn met 200 jaar, verdwijnen niet zomaar. Dat is niet sterk aan mode onderhevig.”
“Bijvoorbeeld het verlichtingsdenken, het marktdenken, dat zie je overal, mensen interpreteren zichzelf ook zo. Dat is zo met studies – je moet een studie kiezen waarmee je geld kan verdienen – en met relaties. Het is een kwestie van markt. Je moet er baat bij hebben, anders verbreek je het contact.”
“De universiteit wordt steeds meer een markt. Vraag en aanbieder. Dan lever ik dat product. Ik moet leveren wat de vrager vraagt. Dat zie je heel sterk die manier.”
“Mijn these is dat het Moderne denken inhoudelijk overeenstemt met het Verlichting en het Romantische denken. En dat die mager afsteken tegenover het klassieke denken, het Christelijke denken, het Joods-christelijke traditie. Dan heb ik het niet over het hiernamaals, maar over het ethische component. Hoe men denkt over het leven hier en nu op aarde. Ook de Edmund Burke Stichting is in feite opgericht om die gedachten voort te brengen in het publiek debat. Kijk, Hebben wij niet het kind met het badwater weggegooid? Verlichting/Romantiek interessant misschien, in sommige opzichten misschien goed, maar met name waar het gaat om moraal, ethiek, politieke theorieën, staatsinrichting, samenleving, is het veel verstandiger om terug te kijken naar de Grieken, de Romeinen en de Joods-christelijke traditie.”
“In zekere zin gelooft de Verlichting helemaal niet in mensen. De mens is een slaaf aan zijn passies en begeertes. De rede is instrumenteel en kropt die begeertes gewoon op. Bovendien zijn die begeertes nog allemaal ik-gericht. De mens heeft maatschappelijke mechanisme nodig om die mens op het rechte spoor te houden, zoals de markt en de staat.”
“Maar de mens zelf is gericht op zijn eigen belang. Op het innerlijke leven van de mens en de gedachten van de vrije wil. De gedachte dat je moet proberen een geweten te ontwikkelen, schaamtegevoel, een statusgevoel, een gevoel van trots, is alles wat je ook bij Aristoteles leest bijvoorbeeld. Als de mens het zelf goed probeert te doen, dan kan de mens het ook zelf goed doen. Dan kom je tot de ontdekking dat het niet alleen de structuren zijn, de externe belemmeringen of prikkels, pain and pleasure van buitenaf. Dat het zit in het verlichtingsdenken. De mens als een machine.”
“Gewelddadigheid zit heel diep in de mens, met name in de man is gevaarlijk. Dat is een fundamenteel gegeven waar je in de filosofie van uit moet gaan. In de verlichting wisten ze dat. De mens moet je beschaven, polijsten. Heel belangrijk is dat mensen dit zien en dat kan alleen met het juiste denkkader. Daarvoor is ethiek belangrijk. Men vergeet veel. We vallen daarvoor terug en daardoor scheppen we chaos. We moeten steeds weer bij de les blijven.”
Maar valt er dan vandaag de dag eigenlijk nog wel te discussiëren in het publieke debat?
“Het publiek debat is niet helemaal rechtvaardig. Of dat het zou moeten zijn, misschien, utopisch gezien wel. Meningen over een goede samenleving, een goede manier van leven en over een goede staat, roepen ontzettend veel diepe emoties op. Dit wordt vaak gezien als goed en kwaad. Ik heb het vaak gezien, mensen worden hier echt heel boos over.
Ik ben voorstander van een intensief publiek debat. Je kunt ook met elkaar praten. Sommige verschillen blijken niet onoverkomelijk te zijn. Het is altijd verrassend wat een ander zegt. Daar ga je zelfs scherper van denken. Soms geef je zelfs je ongelijk toe. Het is dus heel belangrijk. Zeker omdat we geen van alle de wijsheid in pacht hebben, en zeker niet de waarheid. En dus moeten we met elkaar praten, van elkaar leren.”
“Maar publiek debat kan er ook toe leiden dat mensen van zichzelf vinden dat ze te veel eisen stellen aan de overheid. Dat is in Nederland nog niet gebeurd. Ons publiek debat is primitief. We staan aan het begin van een goed publiek debat. Goede voorbeelden zijn Frankrijk en Duitsland. Amerika al helemaal, daar gaat het wel hard tegen hard. Ik heb liever dat dan geen publiek debat. Bij ons is alles met het sausje overgegoten, politieke correctheid. Bepaalde thema’s dit zitten in de hoek van afschuw. Zoals dat Marokkaanse meisje die is gestopt met haar column in het NRC omdat ze bedreigd werd.
Je hoeft niet te evangeliseren. Niemand is God, niemand heeft een perfect begrip van de realiteit. Maar de een heeft het meer dan de ander, door de realiteit te zien en weten hoe je er mee om moet gaan. De universiteit is juist de plek waar je nadenkt over de realiteit. Vragen stellen en nadenken, zodat je positieve bijdrage kan leven aan de beschaving, het scheppen van orde in de chaos. Behalve voor mensen met stront in hun ogen is de universiteit de plek.”
Maar is de universiteit geen schuilplaats?
“Het is als schuilplaats, maar ook als schaakbord of visvijver erg geschikt. Het is een interessant potje schaken, helemaal vrijblijvend. Ja, die mensen heb je, misschien zelfs de meerderheid van de collega’s. Ik zie het soms wel meer bij collega’s. Dat vind ik niet goed.
Er is dus een kloof tussen geleerde en realiteitsbesef. Zeker bij filosofie, in Leiden is het heel erg, terwijl filosofie bij uitstek het vak over de realiteit is.”
“Letterenstudies zijn sterk gedegenereerd, omdat ze wetenschappelijk willen zijn. Het probleem is dat de wetenschap decadent is. Wetenschappers doen niet meer wat ze moeten doen. Bij de Faculteit der Letteren is het heel erg.”
“Mijn oratie is nog niet gepubliceerd. Het gaat over de decadentie in de juridische faculteit. Je vertelt de studenten de uitspraken en ze leren het. Het positivisme is er te veel ingeslopen.” Op de vraag of rechten een HBO-studie zou moet worden als het niet meer nadruk krijgt op de wetenschap, kan hij dan ook alleen maar instemmen.
[Dit interview is geschreven voor het vak Journalistieke en redactionele vaardigheden, Universiteit Leiden, 2005]

0 reacties tot nu toe ↓
Er zijn nog geen reacties.
Reageer